Telechargé par Marcelo Julián Burda

Belgische Senaat Zitting Verslag 23 Juni 1982

publicité
N. 38
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1245
SEANCE DU MERCREDI 23 JUIN 1982
VERGADERING VAN WOENSDAG 23 JUNI 1982
ASSEMBLEE
PLENAIRE VERGADERING
CONGES
:
SOMMAIRE
INHOUDSOPGAVE:
VERLOF:
Pages 1250.
Bladzijde 1250.
COMMUNICATION:
Page 1250.
Arrêté royal nº 48.
PROJETS ET PROPOSITIONS DE LOI (Discussion):
Proposition de loi introduisant la dation en paiement de certains
biens comme mode de paiement des droits de succession.
Discussion générale. Orateurs: MM. J. Wathelet, Lagae,
Paque, p. 1250.
Renvoi en commission, p. 1250.
Projet de loi ajustant le budget du ministère des Communications de l'année budgétaire 1981.
Discussion générale. Orateurs MM. R. Maes, De Rouck,
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes,
Télégraphes et Téléphones, M. Vandezande, p. 1250.
-
-
:
Discussion et vote des articles, p. 1253.
Projet de loi ajustant le budget du ministère de l'Emploi et du
Travail de l'année budgétaire 1981.
-
Discussion générale. Orateurs: M. W. Peeters, M. Hansenne, ministre de l'Emploi et du Travail, p. 1257.
Discussion et vote des articles, p. 1258.
Projet de loi modifiant la loi du 8 juillet 1976 organique des
centres publics d'aide sociale.
Proposition de loi modifiant les articles 6 et 27 de la loi du 8
juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale.
Proposition de loi modifiant l'article 30, alinéa 1er, de la loi du 8
juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale.
-
Vote des articles et amendements réservés. Orateurs:
André, Wyninckx, Vanderpoorten, M. le Président,
MM.
MM. Delmotte, Gijs, p. 1258.
Ann. parl. Sénat - Session ordinaire 1981-1982
Parlem. Hand. Senaat
- Gewone zitting 1981-1982
MEDEDELING :
Bladzijde 1250.
Koninklijk besluit nr. 48.
ONTWERPEN EN VOORSTELLEN VAN WET (Bespreking):
Voorstel van wet tot invoering van het in betaling geven van bepaalde goederen ter voldoening van successierechten.
Algemene bespreking. Sprekers: de heren J. Wathelet, Lagae, Paque, blz. 1250.
Terugzending naar de commissie, blz. 1250.
Ontwerp van wet houdende aanpassing van de begroting van het
ministerie van Verkeerswezen voor het begrotingsjaar 1981.
Algemene bespreking. Sprekers: de heren R. Maes, De
Rouck, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en
Posterijen, Telegrafie en Telefonie, de heer Vandezande,
-
blz. 1250.
-
Beraadslaging en stemming over de artikelen, blz. 1253.
Ontwerp van wet houdende aanpassing van de begroting van het
ministerie van Tewerkstelling en Arbeid voor het begrotings-
jaar 1981.
Algemene bespreking. Sprekers: de heer W. Peeters, de
heer Hansenne, minister van Tewerkstelling en Arbeid,
blz. 1257.
Beraadslaging en stemming over de artikelen, blz. 1258.
Ontwerp van wet tot wijziging van de organieke wet van 8 juli
-
1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn.
Voorstel van wet tot wijziging van de artikelen 6 en 27 van de
organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn.
Voorstel van wet tot wijziging van artikel 30, lid 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn.
Stemming over de aangehouden artikelen en amendementen.
Sprekers: de heren André, Wyninckx, Vanderpoorten,
de Voorzitter, de heren Delmotte, Gijs, blz. 1258.
-
7 feuilles/vellen
166
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1246
Renvoi en commission, p. 1259.
Proposition de loi abrogeant l'article 147 bis du Code électoral
concernant le vote par procuration.
Projet de loi modifiant les articles 1er, 14, 115bis, 147 bis et 226
du Code électoral.
Vote des articles et amendements réservés, p. 1260.
Projet de loi complétant l'article 12, § 1er, 5ºbis, des lois sur la
milice, coordonnées le 30 avril 1962.
Vote sur l'amendement et sur l'article réservés. - Orateur :
M. W. Peeters, p. 1261
Projet de loi modifiant l'article 70 de la loi communale.
Vote sur l'amendement et sur l'article réservés, p. 1262.
Renvoi en commission pour une seconde lecture, p. 1262.
Projet de loi modifiant la loi du 23 août 1948, tendant à assurer
le maintien et le développement de la marine marchande e
de la pêche maritime, et instituant à ces fins un Fonds de
l'armement et des constructions maritimes.
Orateurs : MM. R. Maes, rapporteur,
Hancké, M. De -Croo, ministre des Communications et
Discussion générale.
des Postes, Télégraphes et Téléphones, p. 1270.
Discussion et vote de l'article unique, p. 1273.
PRESENTATION DE TROIS CANDIDATS A UNE PLACE DE
CONSEILLER D'ETAT
Page 1262.
Résultats du scrutin, p. 1270.
:
:
PROJETS ET PROPOSITION DE LOI (Vote)
Proposition de loi complétant l'article 5, § 1er, des lois coordonnées sur la collation des grades académiques et le programme
des examens en vue de l'admission aux différents examens de
candidats, p. 1263.
Orateur: M. Humblet (justification de vote), p. 1263.
Projet de loi relatif aux aliments médicamenteux pour animaux,
p. 1263.
Orateur: M. R. Gillet, p. 1263.
Projet de loi modifiant les articles 1er, 14, 115 bis et 226 du
Code électoral, p. 1264.
Projet de loi complétant les articles 3 et 4 de la loi communale,
p. 1264.
Orateur: M. Nutkewitz (justification de vote), p. 1265.
Rejet, p. 1265.
Projet de loi complétant l'article 12, § 1er, 5ºbis, des lois sur la
milice, coordonnées le 30 avril 1962, p. 1265.
Orateurs: MM. R. Gillet, Van Roye (justifications de vote),
p. 1265.
Projet de loi modifiant l'article 83 de la loi du 5 août 1978 de
réformes économiques et budgétaires, p. 1266.
Projet de loi portant ratification de l'arrêté royal du 26 mars
1982 réglant certaines modalités et conséquences de la fusion
des communes d'Anvers, Berchem, Borgerhout, Deurne, Ekeren, Hoboken, Merksem et Wilrijk en une nouvelle commune
d'Anvers, p. 1266.
Projet de loi rectifiant la limite entre les communes d'Ekeren et
de Kapellen, p. 1267.
Terugzending naar de commissie, blz. 1259.
Voorstel van wet tot opheffing van artikel 147bis van het Kieswetboek betreffende de stemming bij volmacht.
Ontwerp van wet tot wijziging van de artikelen 1, 14, 115bis,
147 bis en 226 van het Kieswetboek.
Stemming over de aangehouden artikelen en amendementen,
blz. 1260.
Ontwerp van wet tot aanvulling van artikel 12, § 1, 5ºbis, van
de op 30 april 1962 gecoordineerde dienstplichtwetten.
Stemming over het aangehouden amendement en het aangehouden artikel. Spreker : de heer W. Peeters, blz. 1261.
Ontwerp van wet tot wijziging van artikel 70 van de gemeentewet.
Stemming over het aangehouden amendement en het aangehouden artikel, blz. 1262.
Terugzending naar de commissie voor een tweede lezing,
blz. 1262.
Ontwerp van wet tot wijziging van de wet van 23 augustus
1948, strekkende tot het in stand houden en het uitbreiden
van de koopvaardij- en de vissersvloot en houdende instelling, te dien einde, van een Fonds voor het uitreden en aanbouwen van zeeschepen.
Algemene bespreking. Sprekers: de heren R. Maes, rapporteur, Hancké, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, blz. 1270.
Beraadslaging en stemming over het enig artikel,
blz. 1273.
-
-
VOORDRACHT VAN DRIE KANDIDATEN VOOR EEN AMBT
VAN STAATSRAAD:
Bladzijde 1262.
Uitslagen van de geheime stemmingen, blz. 1270.
ONTWERPEN EN VOORSTEL VAN WET (Stemming) :
Voorstel van wet tot aanvulling van artikel 5, § 1, van de gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische
graden en het programma van de examens met het oog op de
toegang tot de verschillende kandidaatsexamens, blz. 1263.
Spreker : de heer Humblet (stemverklaring), blz. 1263.
Ontwerp van wet betreffende gemedicineerde diervoeders,
blz. 1263.
Spreker : de heer R. Gillet, blz. 1263.
Ontwerp van wet tot wijziging van de artikelen 1, 14, 115 bis en
226 van het Kieswetboek, blz. 1264.
Ontwerp van wet tot aanvulling van de artikelen 3 en 4 van de
gemeentewet, blz. 1264.
Spreker : de heer Nutkewitz (stemverklaring), blz. 1265.
Verwerping, blz. 1265.
Ontwerp van wet tot aanvulling van artikel 12, § 1, 5ºbis, van
de op 30 april 1962 gecoördineerde dienstplichtwetten,
biz. 1265.
Sprekers: de heren R. Gillet, Van Roye (stemverklaringen),
blz. 1265.
Ontwerp van wet tot wijziging van artikel 83 van de wet van 5
augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, blz. 1266.
Ontwerp van wet houdende bekrachtiging van het koninklijk
besluit van 26 maart 1982 houdende regeling van zeker modaliteiten en gevolgen van de samenvoeging van de gemeenten Antwerpen, Berchem, Borgerhout, Deurne, Ekeren, Ho
boken, Merksem en Wilrijk tot een nieuwe gemeente Antwerpen, blz. 1266.
Ontwerp van wet ter verwezenlijking van een grenscorrectie tussen de gemeente Ekeren en de gemeente Kapellen, blz. 1267.
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
Projet de loi ajustant le budget du ministère des Communications de l'année budgétaire 1981, p. 1267.
Projet de loi ajustant le budget du ministère de l'Emploi et du
travail de l'année budgétaire 1981, p. 1267.
PROPOSITION DE M. LE PRESIDENT
Page 1268.
:
1247
Ontwerp van wet houdende aanpassing van de begroting van het
ministerie van Verkeerswezen voor het begrotingsjaar 1981,
blz. 1267.
Ontwerp van wet houdende aanpassing van de begroting van het
ministerie van Tewerkstelling en Arbeid voor het begrotingsjaar 1981, blz. 1267.
VOORSTEL VAN DE VOORZITTER
Bladzijde 1268.
:
VOTE SUR L'ORDRE DU JOUR PUR ET SIMPLE DEPOSE EN
CONCLUSION DE L'INTERPELLATION DE M. DESIR AU
PREMIER MINISTRE :
Orateur : M. Désir, p. 1268.
VOTE SUR L'ORDRE DU JOUR PUR ET SIMPLE DEPOSE EN
CONCLUSION DE L'INTERPELLATION DE M. TRUSSART
AU SECRETAIRE D'ETAT A LA SANTE PUBLIQUE ET A
L'ENVIRONNEMENT :
STEMMING OVER DE EENVOUDIGE MOTIE INGEDIEND
TOT BESLUIT VAN DE INTERPELLATIE VAN DE HEER
DESIR TOT DE EERSTE MINISTER
Spreker : de heer Désir, blz. 1268.
PROPOSITION DE RESOLUTION DE MME N. MAES ET
CONSORTS CONCERNANT LE SORT DES PARLEMENTAIRES ZAIROIS ACTUELLEMENT DETENUS
Orateur : Mme N. Maes, p. 1273.
QUESTION ORALE DE M. R. GILLET AU VICE-PREMIER
MINISTRE ET MINISTRE DE LA JUSTICE ET DES
REFORMES INSTITUTIONNELLES SUR « LE DEPOT DU
PROJET DE LOI CONCERNANT LA PROTECTION ET LE
BIEN-ETRE DES ANIMAUX »
Orateurs: M. R. Gillet, M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones, p.1274.
QUESTION ORALE DE M. CLAEYS AU MINISTRE DES TRAVAUX PUBLICS ET AU MINISTRE DES COMMUNICATIONS ET DES POSTES, TELEGRAPHES ET TELEPHONES,
SUR « DES ENTRETIENS AVEC LE GOUVERNEMENT
NEERLANDAIS AU SUJET DU CANAL GAND-TERNEUZEN »:
Orateurs: M. Claeys, M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones, p. 1274.
QUESTION ORALE DE M. VAN IN AU MINISTRE DES
AFFAIRES ECONOMIQUES ET AU SECRETAIRE D'ETAT A
L'ENERGIE SUR «LA FERMETURE DE L'ENTREPRISE
TEXACO DE GAND »
Orateurs: M. Capoen, M. de Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones, p. 1275.
QUESTION ORALE DE M. DALEM AU MINISTRE DES
AFFAIRES ECONOMIQUES ET AU MINISTRE DU BUDGET,
DE LA POLITIQUE SCIENTIFIQUE ET DU PLAN, SUR « LE
DEMANTELEMENT DE L'INSTITUT POUR L'ENCOURAGEMENT DE LA RECHERCHE DANS L'INDUSTRIE ET
L'AGRICULTURE
Orateurs: M. Dalem, M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones, p. 1275.
QUESTION ORALE DE M. BOCK AU MINISTRE DES COMMUNICATIONS ET DES POSTES, TELEGRAPHES ET TELEPHONES, SUR « LA NECESSITE DE REVOIR D'UNE
MANIERE SELECTIVE LA REGLEMENTATION EEN
MATIERE DE VITESSE ROUTIERE » :
Orateurs: M. Bock, M. De Croo, ministre des Communications
et des Postes, Télégraphes et Téléphones, p. 1276.
QUESTION ORALE DE M. R. GILLET AU MINISTRE DES
COMMUNICATIONS« ET DES POSTES, TELEGRAPHES ET
TELEPHONES, SUR LE RETABLISSEMENT DE LA DISTRIBUTION DU COURRIER LE SAMEDI »
Orateurs: M. R. Gillet, M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones, p. 1277.
VOORSTEL VAN RESOLUTIE VAN MEVROUW N. MAES C.S.
BETREFFENDE DE GEVANGEN GEHOUDEN ZAIRESE
PARLEMENTSLEDEN
Spreker : mevrouw N. Maes, blz. 1273.
Page 1269.
:
:
:
>>
:
:
:
STEMMING OVER DE EENVOUDIGE MOTIE INGEDIEND
TOT BESLUIT VAN DE INTERPELLATIE VAN DE HEER
TRUSSART TOT DE STAATSSECRETARIS VOOR VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU:
Bladzijde 1269
:
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER R. GILLET AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN JUSTITIE EN
INSTITUTIONELE HERVORMINGEN OVER « DE INDIENING VAN HET ONTWERP VAN WET OP DE BESCHERMING EN HET WELZIJN VAN DE DIEREN »
Sprekers: de heer R. Gillet, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, blz. 1274.
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER CLAEYS AAN DE MINISTER VAN OPENBARE WERKEN EN AAN DE MINISTER
VAN VERKEERSWEZEN EN POSTERIJEN, TELEGRAFIE EN
TELEFONIE, OVER «DE BESPREKINGEN MET DE NEDERLANDSE OVERHEID IN VERBAND MET HET KANAAL
:
:
GENT-TERNEUZEN »
Sprekers: de heer Claeys, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, blz. 1274.
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER VAN IN AAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN AAN DE
STAATSSECRETARIS VOOR ENERGIE OVER « DE SLUITING VAN HET TEXACO-BEDRIJF TE GENT »
Sprekers: de heer Capoen, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Télégrafie en Telefonie, blz. 1275.
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER DALEM AAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN AAN DE MINISTER VAN BEGROTING, WETENSCHAPSBELEID EN HET
PLAN, OVER «DE ONTMANTELING VAN HET INSTITUUT TOT AANMOEDIGING VAN HET WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK IN NIJVERHEID EN LANDBOUW »:
Sprekers: de heer Dalem, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, blz. 1275.
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER BOCK AAN DE MINISTER VAN VERKEERSWEZEN EN POSTERIJEN, TELEGRA
FIE EN TELEFONIE, OVER « DE NOODZAAK VAN EEN SE
LECTIEVE HERZIENING VAN DE REGLEMENTERING INZAKE DE SNELHEID OP DE WEGEN :
Sprekers : de heer Bock, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, blz. 1276.
DE
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER R. GILLET AAN TEMINISTER VAN VERKEERSWEZEN EN POSTERIJEN,
LEGRAFIE EN TELEFONIE, OVER « DE WEDERINVOERING VAN DE POSTBEDELING OP ZATERDAG »
Sprekers: de heer R. Gillet, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, blz. 1277.
:
>>
:
Annales parlementaires
--Parlementaire Handelingen
Sénat
1248
Senaat
QUESTION ORALE DE M. R. GILLET AU SECRETAIRE
D'ETAT AUX AFFAIRES EUROPEENNES ET A L'AGRICULTURE SUR « LE SACCAGE DES PAYSAGES QU'ENTRAINE
LA LUTTE CONTRE LE FEU BACTERIEN »
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER R. GILLET AAN DE
STAATSSECRETARIS VOOR EUROPESE ZAKEN EN LANDBOUW OVER . DE PLUNDERING VAN HET LANDSCHAP
ALS GEVOLG VAN DE BESTRIJDING VAN HET BAKTE>>
Orateurs: M. R. Gillet, M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones, p. 1277.
QUESTION ORALE DE M. J. PEETERMANS AU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DE L'INTERIEUR ET DE LA
FONCTION PUBLIQUE SUR « L'APPLICATION DE L'ARTICLE 65 DE LA LOI ELECTORALE COMMUNALE »
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER J. PEETERMANS AAN
DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN OPENBAAR AMBT OVER « DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 65 VAN DE GEMEENTE-
:
:
:
Orateurs M. J. Peetermans, M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, des Télégraphes et Téléphones,
p. 1278.
QUESTION ORALE DE M. CAPOEN AU VICE-PREMIER
MINISTRE ET MINISTRE DE L'INTERIEUR ET DE LA
FONCTION PUBLIQUE SUR « LA PROTECTION DE LA
POPULATION DANS LA REGION LIMITROPHE DE LA
FRANCE
Orateurs: M. Capoen, M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones, p. 1278.
>>
:
M.
QUESTION ORALE DE
DEGROEVE AU MINISTRE DES
RELATIONS EXTERIEURES SUR « LE REMPLACEMENT
D'UN ADMINISTRATEUR DU FONDS BELGO-CONGOLAIS
D'AMORTISSEMENT ET DE GESTION »>
:
Orateurs: M. Degroeve, M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones, p. 1279.
:
RIEVUUR
Sprekers: de heer R. Gillet de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, blz. 1277.
:
KIESWET »
Sprekers: de heer J. Peetermans, de heer De Croo, minister van
Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie,
blz. 1278
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER CAPOEN AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN OPENBAAR AMBT OVER « DE BESCHERMING VAN DE BEVOLKING IN DE GRENSSTREEK MET
:
FRANKRIJK »
Sprekers: de heer Capoen, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen, en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, blz. 1278.
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER DEGROEVE AAN DE
MINISTER VAN BUITENLANDSE BETREKKINGEN OVER
« DE VERVANGING VAN EEN BEHEERDER VAN HET BELGISCH-KONGOLEES FONDS VOOR DELGING EN
:
BEHEER >>
Sprekers: de heer Degroeve, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, blz. 1279.
QUESTION ORALE DE M. LE CHEVALIER DE DONNEA AU
MINISTRE DES AFFAIRES ECONOMIQUES SUR « DES
INCOHERENCES ENTRE LA POLITIQUE ECONOMIQUE
NATIONALE ET LA POLITIQUE FISCALE DE CERTAINES
COMMUNES >> :
Orateurs: M. le chevalier de Donnéa, M. De Croo, ministre des
Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones,
MONDELINGE VRAAG VAN RIDDER DE DONNEA AAN DE
MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN OVER « HET GEBREK AAN SAMENHANG TUSSEN HET NATIONAAL
ECONOMISCH BELEID EN HET FISCAAL BELEID VAN
SOMMIGE GEMEENTEN >>
Sprekers: ridder de Donnéa, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, blz. 1279.
QUESTION ORALE DE MME SMITT AU MINISTRE DES RELATIONS EXTERIEURES SUR « LA VIOLATION DU DROIT
DES GENS EN TURQUIE »
MONDELINGE VRAAG VAN MEVROUW SMITT TOT DE MINISTER VAN BUITENLANDSE BETREKKINGEN « OVER DE
SCHENDING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS VAN
p. 1279.
:
Orateurs: Mme Smitt, M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones, M. R. Gillet,
p. 1279.
QUESTION ORALE DE M. PAQUE A M. TROMONT, MINISTRE DE L'EDUCATION NATIONALE, SUR « LA CREATION
D'UN CONSEIL PLURALISTE DE L'ENSEIGNEMENT DE
L'ETAT »
Orateurs: M. Paque, M. Tromont, ministre de l'Education
nationale, p. 1280.
QUESTION ORALE DE M. DEGROEVE A M. TROMONT,
MINISTRE DE L'EDUCATION NATIONALE, SUR « L'ORGANISATION DE L'ENSEIGNEMENT DE PROMOTION
SOCIALE SOUS FORME DE MODULES »
Orateurs: M. De Groeve, M. Tromont, ministre de l'Education
nationale, p. 1280.
:
:
INTERPELLATIONS (Discussion):
Interpellation de M. S. Moureaux au ministre des Communications et des Postes, Telegraphes et Téléphones, sur « les nuisances et dangers entraînés par survol des communes de
l'est de Bruxelles par les avionsledes lignes régulières et les
vols charters qui partent de l'aéroport de Bruxelles-National ».
Orateurs : M. S. Moureaux, M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones,
p. 1281.
:
:
TURKIJE »
Sprekers: mevrouw Smitt, de heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, de heer R.
Gillet, blz. 1279.
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER PAQUE AAN DE HEER
TROMONT, MINISTER VAN ONDERWIJS, OVER « DE INSTELLING VAN EEN PLURALISTISCHE RAAD VOOR HET
:
RIJKSONDERWIJS >>
Sprekers : de heer Paque, de heer Tromont, minister van Onder-
wijs, blz. 1280.
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER DEGROEVE AAN DE
HEER TROMONT, MINISTER VAN ONDERWIJS, OVER
« DE INRICHTING VAN HET ONDERWIJS VOOR SOCIALE
PROMOTIE IN DE VORM VAN OPLEIDINGSMODULES :
Sprekers: de heer De Groeve, de heer Tromont, minister van
Onderwijs, blz. 1280.
»>
INTERPELLATIES (Bespreking) :
Interpellatie van de heer S. Moureaux tot de minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, over « de
hinder en het gevaar veroorzaakt door de geregelde vluchten
en de chartervluchten vanaf het vliegveld van Brussel-Nationaal boven de gemeenten ten oosten van Brussel ».
Sprekers: de heer S. Moureaux, de heer De Croo, minister
van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie,
blz. 1281.
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
Interpellation de M. J. Peetermans aux ministres de l'Education
nationale sur « l'application de la loi du 30 juillet 1963
telle
concernant le régime linguistique dans l'enseignement,
qu'elle a été modifiée par la loi du 26 juillet 1971 » :
Orateurs: MM. J. Peetermans, Vandezande, Humblet, M.
Tromont, ministre de l'Education nationale, M. Coens,
ministre de l'Education nationale, p. 1282.
Interpellation de M. Hismans à M. Tromont, ministre de l'Education nationale, sur « les circulaires récentes concernant le
droit de grève dans l'enseignement ».
Orateurs: M. Hismans, M. Tromont, ministre de l'Education
nationale, p. 1287.
Interpellation de M. Hismans à M. Tromont, ministre de l'Education nationale, sur « l'application des directives du Conseil
des Communautés européennes relatives à la scolarisation des
enfants des travailleurs migrants ».
Orateurs: M. Hismans, M. Tromont, ministre de l'Education
nationale, p. 1288.
Interpellation de M. Mouton a M. Tromont, ministre de l'Education nationale, sur « la politique en matière de décentralisa
tion et de formation continuée du personnel enseignant ».
Orateurs : M. Mouton, M. Tromont, ministre de l'Education
nationale, p. 1290.
Interpellation de M. Deworme à M. Tromont, ministre de l'Education nationale, sur « la suppression de 400 chargés de mission au sein du département de l'Education nationale ».
Orateurs M. Deworme, M. Tromont, ministre de l'Education nationale, p. 1292.
Interpellation de M. Humblet à M. Tromont, ministre de l'Education nationale, sur « la mise en place d'un réseau d'écoles
pluralistes ».
Orateurs : MM. Humblet, Luyten, M. Tromont, ministre de
l'Education nationale, p. 1293.
PROPOSITIONS DE LOI (Dépôt)
Page 1295
Van Der Niepen. Proposition de loi relative à l'âge de la
M. mise
à la pension de membres du personnel enseignant et
auxiliaire d'éducation en fonction au 31 décembre 1960.
:
-
:
Bascour. - Proposition de loi reconnaissant aux parlemenM.taires
le droit de consulter les documents détenus par les services publics.
-
Mme Petry et M. Lallemand. Proposition de loi abrogeant les
articles 372 bis et 377, § 3, du Code pénal.
de loi modifiant l'article 6 de la loi
M. Rutten. - Proposition
1973
12
modifiant l'arrêté royal nº 254 du mars
du 27 mars
1936 unifiant le régime des pensions des veuves et des orphelins du personnel civil de l'Etat et du personnel assimilé ainsi
que l'arrêté royal nº 255 du 12 mars 1936 unifiant le régime
des pensions des veuves et orphelins des membres de l'armée
et de la gendarmerie.
1249
Interpellatie van de heer J. Peetermans tot de ministers van Onderwijs over « de toepassing van de wet van 30 juli 1963
houdende taalregeling in het onderwijs, zoals gewijzigd bij de
wet van 26 juli 1971 ».
Sprekers: de heren J. Peetermans, Vandezande, Humblet, de
heer Tromont, minister van Onderwijs, de heer Coens,
minister van Onderwijs, blz. 1282.
Interpellatie van de heer Hismans tot de heer Tromont, minister
van Onderwijs, over « de recente circulaires betreffende het
stakingsrecht in het onderwijs ».
Sprekers: de heer Hismans, de heer Tromont, minister van
Onderwijs, blz. 1287.
Interpellatie van de heer Hismans tot de heer Tromont, minister
van Onderwijs, over « de toepassing van de richtlijnen van de
Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende d
schoolopleiding van de kinderen van gastarbeiders ».
Sprekers: de heer Hismans, de heer Tromont, minister van
Onderwijs, blz. 1288.
Interpellatie van de heer Mouton tot de heer Tromont, minister
van Onderwijs, over « het beleid inzake decentralisatie en
permanente opleiding van het onderwijzend personeel ».
Sprekers: de heer Mouton, de heer Tromont, minister van
Onderwijs, blz. 1290.
Interpellatie van de heer Deworme tot de heer Tromont, minister
van Onderwijs, over « de afschaffing van 400 posten van opdrachtgelastigden bij het departement van Onderwijs ».
Sprekers: de heer Deworme, de heer Tromont, minister van
Onderwijs, blz. 1292.
Interpellatie van de heer Humblet tot de heer Tromont, minister
van Onderwijs, over « het instellen van een net van pluralistische scholen ».
Sprekers: de heren Humblet, Luyten, de heer Tromont,
minister van Onderwijs, blz. 1293.
VOORSTELLEN VAN WET (Indiening)
Bladzijde 1295.
De heer Van Der Niepen. Voorstel van wet betreffende de
leeftijd voor de oppensioenstelling van leden van het onderwijzend en opvoedend hulppersoneel in functie op 31 december 1960.
De heer Bascour. Voorstel van wet tot erkenning van het
recht van de parlementsleden om inzage te nemen van over-
-
-
heidsdocumenten.
Mevrouw Petry en de heer Lallemand. Voorstel van wet houdende opheffing van de artikelen 372bis en 377, § 3, van het
Gerechtelijk Wetboek.
De heer Rutten. Voorstel van wet houdende wijziging van arwijziging van het
tikel 6 van de wet van 27 maart121973 tot1936
waarbij eenkoninklijk besluit nr. 254 van maart
heid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der ween het
staatspersoneel
duwen en wezen van het burgelijk
daarmee gelijkgesteld personeel alsmede van het koninklijk
besluit nr. 255 van 12 maart 1936 tot eenmaking van het
pensioenregime voor weduwen en wezen der leden van het
leger en van de rijkswacht.
-
-
PRESIDENCE DE M. LEEMANS, PRESIDENT
VOORZITTERSCHAP VAN DE HEER LEEMANS, VOORZITTER
M. Férir, secrétaire, prend place au bureau.
De heer Férir, secretaris, neemt plaats aan het bureau.
Le procès-verbal de la dernière séance est déposé sur le bureau.
De notulen van de jongste vergadering worden ter tafel gelegd.
La séance est ouverte à 14 h 15 m.
De vergadering wordt geopend te 14 u. 15 m.
:
- - Parlementaire Handelingen
Sénat
1250
Senaat
CONGES
- VERLOF
Annales parlementaires
Lepaffe,
MM. Declety, pour des raisons familiales; LahayeP.etPeeters
et
pour d'autres devoirs; Matthys, pour raison de santé;d'excuser
leur
Mme Van Puymbroeck, à l'étranger, demandent
absence à la réunion de ce jour.
Afwezig met bericht van verhindering: de heren Decléty, wegens
familiale redenen; Lahaye en Lepaffe, wegens andere plichten; Matthys, om gezondheidsredenen; P. Peeters en mevrouw Van Puym-
broeck, in het buitenland.
pour information.
--VoorPriskennisgeving.
-
COMMUNICATION MEDEDELING
M. le Président. Par lettre du 23 juin 1982, le Premier ministre
a transmis au Sénat, en exécution de l'article 3, § 3, de la loi du 2
février 1982 attribuant certains pouvoirs spéciaux au Roi, une copie
de l'arrêté royal nº 48 du 22 juin 1982.
Bij schrijven van 23 juni 1982 zendt de Eerste minister aan de
Senaat, ter uitvoering van artikel 3, § 3, van de wet van 2 februari
1982 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning, een afschrift van het koninklijk besluit nr. 48 d.d. 22 juni
-
1982.
au greffe.
-TerDépôt
inzage in de griffie.
PROPOSITION DE LOI INTRODUISANT LA DATION EN PAIEMENT DE CERTAINS BIENS COMME MODE DE PAIEMENT
DES DROITS DE SUCCESSION
Renvoi en commission
VOORSTEL VAN WET TOT INVOERING VAN HET IN BETALING GEVEN VAN BEPAALDE GOEDEREN TER VOLDOENING VAN SUCCESSIERECHTEN
Terugzending naar de commissie
introduisant la-dation en paiement de certains biens comme
loi
mode
des
succession.
M. le Président. Nous abordons l'examen de la proposition de
droits de
de paiement
Wij vatten de beraadslaging aan over het voorstel van wet tot invoering van het in betaling geven van bepaalde goederen ter voldoening van successierechten.
La discussion générale est ouverte.
De algemene beraadslaging is geopend.
La parole est à M. Jacques Wathelet.
-
M. J. Wathelet. Monsieur le Président, M. Gijs n'est pas présent pour le moment, mais j'avais suggéré, et nous étions virtuellement d'accord, que la proposition fût renvoyée en commission. Il
subsiste, en effet, certains points qui sembleraient ne pas avoir été
totalement éclaircis.
Si le rapporteur n'y voit pas d'inconvénient, l'assemblée pourrait
peut-être marquer son accord sur cette suggestion.
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Lagae.
De heer Lagae. Mijnheer de Voorzitter, zonder het debat ten
gronde te willen openen, vernam ik graag van de heer Wathelet de
reden van zijn verzoek tot terugzending naar de commissie.
M. le Président. La parole est à M. Jacques Wathelet.
M. J. Wathelet. Monsieur le Président, si, pour certains elle
lègues, la proposition de loi paraît intéressante quant au fond,colne leur semble guère acceptable dans sa formulation actuelle. C'est
pourquoi ils souhaitent un examen complémentaire en commission.
De heer Lagac. Akkoord, mijnheer de Voorzitter.
M. Paque. Monsieur le Président, la demande de M. Wathelet
m'étonne car cette proposition de loi qu'il semble remettre en question, émane du PRL, mais j'accède volontiers à son vœu.
-
-
-
-
Jevous remercie.
M. le Président. Le Sénat est-il d'accord sur le renvoi com-
M. J. Wathelet.
mission.
-
en
Is de Senaat het dus eens om de zaak terug te zenden naar de
commissie? (Instemming.)
Il en est ainsi décidé.
Dan is aldus beslist.
ONTWERP VAN WET HOUDENDE AANPASSING VAN DE BEGROTING VAN HET MINISTERIE VAN VERKEERSWEZEN
VOOR HET BEGROTINGSJAAR 1981
Algemene beraadslaging en stemming over de artikelen
PROJET DE LOI AJUSTANT LE BUDGET DU MINISTERE DES
COMMUNICATIONS DE L'ANNEE BUDGETAIRE 1981
Discussion générale et vote des articles
De Voorzitter.
- Aan de orde is de bespreking van het ontwerp
van wet houdende aanpassing van de begroting van het ministerie
van Verkeerswezen voor 1981.
Nous abordons l'examen du projet de loi ajustant le budget du
ministère des Communications pour 1981.
De algemene beraadslaging is geopend.
La discussion générale est ouverte.
De rapporteur is de heer Vanderborght die me gisteren heeft mee-
gedeeld dat hij zou verwijzen naar zijn verslag.
Het woord is aan de heer Robert Maes.
De heer R. Maes. Mijnheer de Voorzitter, heren ministers, geachte collega's, vermits we hier, einde juni 1982 dan nog, tenslotte
slechts de aanpassing van de begroting voor 1981 bespreken, zal ik
het niet hebben over de fundamentele aspecten van het beleid inzake
verkeerswezen maar mij, vrij beknopt, beperken tot enkele minder
belangrijke maar daarom niet onbelangrijke problemen.
Ten eerste, door artikel 3 van dit ontwerp wordt in niet minder
dan 40 gevallen beslist de wedde van sommige personen, waarvan
de benoeming door de Raad van State werd vernietigd, gedurende
periodes gaande van enkele maanden tot verschillende jaren, op basis van deze benoemingen te blijven betalen. In enkele van deze gevallen gaat het zelfs om twee benoemingen van één en dezelfde
persoon.
Nu kan ik aannemen dat men bij een benoeming soms een of ander beletsel uit het oog verliest. Ik kan zelfs aannemen dat men in
een of ander geval wetens en willens over dit beletsel heenstapt en
bewust het risico van een vernietiging trotseert.
Maar veertig dergelijke gevallen, alleen binnen het raam van de
Regie der Luchtwegen, is toch te veel. En zijn buiten de geciteerde
gevallen ook nog recentere topbenoemingen bij dezelfde Regie, op
zijn zachtst uitgedrukt, niet zeer aanvechtbaar en zullen zij niet worden aangevochten
Ten tweede, bij artikel 81.02 wordt een terugvorderbaar voorschot aan de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen toegekend van twee miljard. Moeten wij echter achter het woord « terugvorderbaar »>, geen groot vraagteken zetten, een groot vraagteken
dat, gezien de recente berichten over het staken van de betalingen
door de NMBS, nog groter is geworden, en zou het niet beter zijn
hier gewoonweg van een bijkomende dotatie te spreken ?
Ten derde, een paar kredietwijzigingen inzake de maatschappij
voor stedelijk intercommunaal vervoer, hebben ertoe geleid dat in
het korte maar degelijk verslag van de heer Vanderborght, een overzicht werd opgenomen wat de investeringskredieten betreft die sedert 1969 tot en met 1981 voor de bevordering van het stedelijk
vervoer worden aangewend. Wie de moeite gedaan heeft deze bedragen eens samen te tellen zal al tot zeer belangrijke totalen geko-
-
men zijn.
Deze kredieten betekenen echter slechts een deel van de totale
sommen die aan de bevordering van het stedelijk vervoer in dezelfde
periode werden besteed, want buiten de investeringsbedragen zijn er
ook nog de bijpassingen van het exploitatieverlies, de tegemoetkomingen inzake intresten enzovoort.
Ik herinner het mij niet meer met zekerheid uit mijn studententijd,
maar was het niet Cato die elke uiteenzetting in de Romeinse Se-
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
naat, over welk onderwerp ook, besloot met te zeggen dat Carthago
moest worden vernietigd.
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Delenda est Carthago.
-
-
De heer R. Maes. Welnu, zolang bepaalde collega's hier altijd
opnieuw komen zagen en klagen over de kredieten voor Zeebrugge
en de achterstelling van het Gewest Brussel inzake bepaalde financiele tegemoetkomingen lijkt het mij gepast ook telkens opnieuw
enkele bedragen te citeren in verband met voormelde toelagen voor
de bevordering van het stedelijk vervoer.
Daarom nog maar eens aangehaald dat van 1969 af tot en met
1981 Brussel daarbij niet minder dan 88 miljard werd toebedeeld,
dit
wil zeggen meer dan aan de havens Zeebrugge en Antwerpen samen in dezelfde periode. Luik en Charleroi kregen elk zowat 12
miljard. Antwerpen kreeg 23 miljard en Gent iets meer dan 3 milard. Dit wil zeggen: van het totaal van 139 miljard, kreeg Brussel
bijna 63,5 pct ., Luik en Charleroi elk zowat 8,5 pct ., Antwerpen
16,5 pct. en Gent 2,5 pct. Men denke daar maar even over na.
Ten vierde, deze begrotingsaanpassing voorziet onder artikel
44.03 in een bijkomende staatstoelage in de werkingskosten van de
Burgerlijke Luchtvaartschool te Grimbergen.
Dit geeft mij de gelegenheid aan te stippen dat er sedert jaren een
belangrijk onevenwicht bestaat tussen het aantal Franstalige en Nederlandstalige leerlingen van deze school.
De cijfers waren: begin 1975: 15 Nederlandstaligen en 32 Franstaligen; begin 1978: 4 Nederlandstaligen en 12 Franstaligen; begin
1979: 10 Nederlandstaligen en 18 Franstaligen.
Dit was absoluut abnormaal, te meer daar het vliegend personeel
van Sabena reeds jaren overwegend uit Franstaligen en zelfs vreemdelingen bestaat. Deze wantoestand zou door recrutering uit de
luchtvaartschool moeten worden rechtgezet.
Er is, zoals uit de cijfers blijkt, weliswaar een verbetering voor het
jaar 1980 en opnieuw een verslechtering voor het jaar 1981, maar
toch was er betreffende deze school duidelijk iets dat niet klopte,
hetzij in de aanwervingspolitiek, de publiciteit of wat dan ook. Er
moet dringend het nodige worden gedaan om deze verkeerde situatie recht te zetten.
Ten vijfde, dit brengt mij ertoe ook nog iets te zeggen over Sabena. Gezien belangrijke onderhandelingen ter zake aan de gang zijn,
wil ik niet vooruitlopen op het resultaat daarvan, maar een zaak
staat als een paal boven water vast: zo men tijdig, dit wil zeggen
vele jaren geleden met de toen ook al zichtbaar noodzakelijke saneringsmaatregelen bij Sabena was begonnen, zou men nu niet voor
een echte catastrofe staan en zou de huidige ingreep minder pijnlijk
kunnen zijn. Het heeft, heel de tijd door, aan waarschuwingen niet
ontbroken, maar men heeft er, zoals dit hier nog wel meer gebeurt,
gewoonweg geen rekening mee willen houden.
Een andere zaak is de kwestie van de taalverhoudingen bij
Sabena.
Ook wat dat betreft, moet er eindelijk klare wijn worden geschonken. Bij het nationaal compromis van Hertoginnedal in 1963
werd reeds beloofd de taalverhoudingen bij Sabena recht te zetten.
Gedurende 15 jaar gebeurde er zo goed als niets. In oktober 1978
werd dan een koninklijk besluit uitgevaardigd, waarbij opdracht
werd gegeven deze zaak recht te zetten.
Er werd, nadat men dus zoals gezegd reeds 15 jaar had laten voorbijgaan, nog eens in een overgangsperiode van 5 jaar voorzien. Van deze 5 jaar zijn er dus al 4 praktisch voorbij, maar van
een echte rechtzetting is, voor zover ik weet, nog altijd geen sprake.
Op parlementaire vragen ter zake in oktober 1979 en in augustus
1981 kon ik geen ernstig en door cijfers gestaafd antwoord krijgen.
Intussen vernam ik dat nog zeer onlangs personen bevorderd werden die totaal Nederlandsonkundig zijn en derhalve met hun
Vlaamse ondergeschikten gewoonweg niet kunnen praten.
Dit zijn toch zaken die nu, in 1982, onmogelijk zouden moeten
zijn.
Nu er bij Sabena in elk geval saneringsmaatregelen moeten worden getroffen waarbij het onmogelijk is altijd met zogezegde verworven rechten enzovoort rekening te houden, kan men best meteen
een aantal, in feite overbodige, chefs van diverse graden verplaatsen
of pensioneren. Het heeft nu meer dan lang genoeg geduurd.
Rekening houdend met dit alles, hoeft het wel niet meer gezegd
dat onze fractie deze begrotingsaanpassing niet zal goedkeuren. (Applaus op de banken van de Volksunie.)
De Voorzitter. Het woord is aan de heer De Rouck.
-
-
-
1251
De heer De Rouck. - Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de minister, geachte collega's, op zondag 23 mei trad de nieuwe dienstregeling voor het openbaar vervoer in werking. Deze nieuwe dienstregeling werd ingegeven door bezuinigingsoverwegingen zodat de maatregelen vooral het inkrimpen van onderbezette en verlieslatende lijnen omvatten. Ook in de laatavondverbinding en de weekenddiensten werd gesnoeid.
We moeten, mijnheer de minister, ernstig bezwaar maken, zoals
trouwens de actiegroep Openbaar Vervoer dat heeft gedaan, tegen
deze maatregelen en menen dat u juist met deze maatregelen de ver-
keerde weg opgaat. Inderdaad, in tijden van economische crisis zou
het openbaar vervoer in de eerste plaats moeten worden uitgebreid
en verbeterd om juist een verhoogd rendement te behalen, zoals
men dat trouwens in Zwitserland heeft opgevat, waar men het aantal treinkilometers heeft verhoogd om te bezuinigen. De extra-kosten eraan verbonden zo redeneert men althans in Zwitserland
zullen worden vergoed door een toename van het aantal reizigers.
Ook in Nederland rekent men op een toename van het aantal reizigers bij een toekomstig beleid dat ernaar streeft uitbreiding en verbetering van de dienstverlening te bezorgen.
In België gaat men juist omgekeerd te werk, maar mijnheer de minister, hoe zwaar komt dit aan in een streek die reeds één van de
meest achteruitgestelde is in Vlaanderen, een streek die u trouwens
goed kent, namelijk de Vlaamse Ardennen en Zuid-Vlaanderen in
het algemeen. Onze streek is meer dan ooit een probleemgebied gekenmerkt onder andere door pendel en door een demografische
neergang.
Tengevolge van de slechte verbindingen die er waren en het groot
aantal verbindingen die er nu niet meer zullen zijn, gingen en gaan
er heel wat pendelaars zich vestigen dichtbij hun werkplaats of, zeer
vaak, dichtbij een goed station. Dit is één van de verklaringen voor
de slechte bevolkingsevolutie van Ronse en Geraardsbergen en het
arrondissement in het algemeen. Trouwens, ons aantal volksvertegenwoordigers is daardoor gezakt van 3 op 2.
Deze demografische situatie heeft een relatie met de economische
toestand van onze streek.
Een goede en gemakkelijke bereikbaarheid van een bepaalde
streek kan een stimulans betekenen voor de aantrekking van allerhande bedrijven. Een goed openbaar vervoer zal het de pendelaars
mogelijk maken in de Vlaamse Ardennen te blijven wonen en verder
werk te bezorgen aan de tertiaire sector waaronder middenstand,
vrije beroepen, onderwijs en andere diensten.
Ook u, mijnheer de minister, streeft ernaar, de Vlaamse Ardennen
erkend te krijgen als ontwikkelingszone binnen de Europese Gemeenschap. Daarin staan we trouwens niet alleen. Ook de Vlaamse
Executieve heeft onze vraag naar erkenning gesteund. Ontwikkelingszone zijn we wel, maar willen we beslist niet blijven. Daar
denkt u, mijnheer de minister, precies geheel anders over. U zorgt er
namelijk voor om met uw treinbezuinigingen Ronse nog onbereikbaarder te maken dan voorheen. Enkele voorbeelden mogen hier
volstaan: Ronse is vanuit Gent met de trein niet meer te bereiken
na 18 u. 44, vanuit Oudenaarde niet meer na 19 u. 25. Voor
23 mei was dit respectievelijk 20 u. 41 en 21 u. 22. Met de bus kan
-
-
het wel nog vanuit Gent om 19 u. 40.
Ik moet geloven dat u gisteren, mijnheer de minister, met deze
laatste trein van 19 uur bent vertrokken, want u was niet meer bereikbaar in het Parlement na 19 uur om punt 8 van onze agenda af
te handelen.
Op zondag is de toestand nog dramatischer. Op bepaalde lijnen
nog één bus, en dan zelfs bijvoorbeeld van Oudenaarde naar
rijdt
Ronse niet eerder dan om 11 u. 23, aankomst te Ronse 11 u. 53.
De lijn 481 via Nukerke is op zondag vrijwel opgedoekt, enkel nog
's namiddags rijden een paar bussen.
De lijn 86 Leuze-Oudenaarde is nu op zaterdag ook afgeschaft,
geheel
weekend
zal gesloten zijn.
het
We moeten nu niet zeggen, mijnheer de minister, dat u hier een
zware slag toebrengt vooraal aan de pendelaars en aan het toerisme
in de Vlaamse Ardennen. U herinnert zich trouwens nog, hoop ik,
het onderhoud dat we samen hadden met de werkgroep over het te
voeren actieplan voor een beter openbaar vervoer in de Vlaamse Ardennen. Als u het mij vraagt, wenst u het tegenovergestelde te bewerkstelligen. Naast een paar verbeteringen, wat de aansluiting betreft twee zijn er mij bekend schaft u verbindingen af of zorgt
u ervoor dat er geen aansluiting meer is. De economische heropstanding van de streek rond Ronse is er dringend nodig. Zoals hierboven reeds geschetst, is de noodzakelijke voorwaarde een goed uitgebouwde wegeninfrastructuur en een goede bereikbaarheid met het
openbaar vervoer. Ronse heeft gezien zijn ligging een belangrijke
zodat het station gedurende
-
-,
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1252
troef op het gebied van het toerisme. Ons kind toerisme dat de
schuchtere passen van het lopen begon gewoon te worden, wordt
nu door u, mijnheer de minister, van een been geamputeerd.
Mijnheer de minister, we hebben jarenlang samengewerkt met
vertegenwoordigers van alle partijen en dus ook van uw partij in de
werkgroep Openbaar Vervoer Vlaamse Ardennen. We bezorgden u
nog voor enkele weken een memorandum van deze werkgroep. We
willen toch even een paar zaken herhalen toen we nog in de euforie
leefden dat eindelijk voor onze streek een beter openbaar vervoer
zou tot stand komen.
De werkgroep « Openbaar Vervoer Vlaamse Ardennen »> stelde het
volgende voor:
1. September 1982: nieuwe dienstregeling op lijn Eeklo-GentRonse, met behoud van de huidige infrastructuur.
2. Mei 1983 : hervorming van de piekuurdienst op lijn 89 (Brussel-Oudenaarde-Kortrijk).
In plaats van het huidige mengelmoes van
semi-directe treinen die volzitten tot Denderleeuw of Zottegem, daar
gedeeltelijk leeglopen, afwisselend in sommige stations stoppen,
maar zeer weinig mensen vlug bedienen, stellen we voor het piekuur
de volgende opsplitsing voor:
a) Een afzonderlijke reeks piekuurtreinen Brussel-(non-stop)-Oudenaarde-Kortrijk-Westhoek; voor de bediende stations steekt hierin
een tijdwinst van 15 tot 20 minuten;
b) « Voorlopers » Brussel-Denderleeuw-Zottegem;
c) Elektrische stoptreinen Denderleeuw-Zottegem;
d) Stoptreinen Zottegem-Oudenaarde
3. De Waalse Ontwikkelingsmaatschappij wil van de streek Ronse-Leuze een experimenteergebied maken voor vernieuwd streekvervoer. Mogen we de heer minister vragen, maatregelen die Ronse beter kunnen laten aansluiten op de lijn Doornik-Brussel te steunen?
4. September 1983 (uiterlijk mei 1984): modernisering van de
seinposten Gavere-Zingem-Etikhove, waardoor een vluggere treindienst en een personeelsbesparing mogelijk wordt.
5. Tussen 1983 en 1986: organisatie van de werken voor de
ophoging van het station te Oudenaarde zo regelen dat het treinverkeer op de lijn Ronse-Gent niet hoeft onderbroken te worden.
6. Uiterlijk 1986-1988: volledige modernisering van de lijn
Eeklo-Gent-Ronse.
Na jaren streven met vertegenwoordigers van alle partijen in de
werkgroep Wova (werkgroep Openbaar Vervoer Vlaamse Ardennen) menen we een recht te hebben op antwoord in verband met
het actieplan voor een beter openbaar vervoer dat u voor enkele weken werd overhandigd.
Binnen uw partij hebben de PVV-Jongeren trouwens ook een actie gevoerd begin mei onder de slogan « Eindelijk beter openbaar
vervoer in Ronse » en ze hoopten daarvan een succes te kunnen maken door hun rondvraag aan de duizenden pendelaars van de streek.
Ik citeer dan het slot van een artikel over deze actie: «De actie
van maandag is echter pas een eerste stap. De PVV-Jongeren zullen
in de nabije toekomst bij andere politici en instanties de nodige
stappen ondernemen om de uiteindelijke ontsluiting van Ronse te
bekomen. Zij beseffen zeer goed dat dit een werk van lange adem
wordt. Zij rekenen echter ook op de steun van de treinreizigers om
hun eerste aktie te doen slagen. »
Ik geloof, mijnheer de minister, dat het grievenboek dat uw PVVJongeren van Ronse aan het verzamelen zijn nog een stukje langer
zal worden en dat de mensen uit de Vlaamse Ardennen nog een
stukje bitterder zullen worden over hun stiefmoederlijke behandeling inzake openbaar vervoer. U negeert niet enkel de wensen van
de PVV-Jongeren uit uw streek, u negeert de wensen niet enkel van
de Wova-werkgroep die jarenlang gestreefd heeft naar een beter
openbaar vervoer, u negeert de wensen en verlangens van duizenden
mensen, pendelaars om den brode uit de Vlaamse Ardennen. Ik geloof met dit voorbeeld te kunnen aantonen dat niet enkel onze
streek, die dan toch door de Vlaamse Executieve als Europees ontwikkelingsgebied wordt verdedigd, door deze bezuinigingsmaatregelen hard zal worden getroffen maar dat het openbaar vervoer in het
algemeen in België een zware klap werd toegebracht, daar waar andere landen zoals Zwitserland en Nederland juist de omgekeerde
weg opgaan om het openbaar vervoer beter te laten renderen en aan
de treinreizigers een betere service te verlenen, vooral in deze periode van steeds stijgende benzineprijzen, steeds duurdere energie en
steeds meer moeilijkheden met het vervoer langs de weg. (Applaus
op de banken van de Volksunie.)
De Voorzitter.
- Het woord is aan minister De Croo.
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, TeleMijnheer de Voorzitter, dames en heren, in
de eerste plaats wilde ik graag iets preciseren. Ik was gisteravond
degelijk
wel
ter beschikking van de Senaat, maar de Voorzitter had
mij laten weten dat het debat zou worden beëindigd. Verontschuldig
voor mijn afwezigheid. Het is niet mijn gewoonte als ik in de
mij
Senaat moet aanwezig zijn, verstek te laten gaan.
Ter gelegenheid van de bespreking van de aanpassing van de begroting van ons departement voor 1981 zullen wij geen lange discussie aanvatten. Ik weet dat de heer De Rouck een antwoord nodig
heeft voor de oktober-gebeurtenissen. Ik zal daarop zeer in het kort
ingaan.
Maar eerst heeft de heer Maes een aantal vragen gesteld en voor
één vraag althans, is een ruim antwoord aanwezig in het verslag. De
vraag betreft de kredieten voor sommige benoemingen die in de betaling worden hernomen. Het verslag geeft op bladzijde 3 naar aanleiding van dezelfde vraag gesteld in de commissie het gepaste antwoord. De vraag van de heer Maes ging iets verder. Collega's van
Kamer en Senaat hebben in dezelfde zin opmerkingen gemaakt, in
geschreven vorm. Zij vragen zich af of er geen hernieuwing zal komen van dergelijke toestanden bij de Regie van de Luchtwegen. Het
Rekenhof zou de betaling van sommige benoemingen onderzoeken.
Dit ligt buiten mijn verantwoordelijkheid. De benoemingen zouden
ook aangevochten worden door de Raad van State. De discrepantie
tussen het kader en het taalkader zou een van de oorzaken van deze
verhalen blijken te zijn. Ik ben ervan overtuigd dat in de komende
weken, hoogstens maanden, hieraan een gepaste oplossing zal worden gegeven. U mag dus allen zeer gerust zijn.
-
De heer Vandezande.
minister ?
- Mag ik ueven onderbreken, mijnheer de
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie. U bent toch al bezig!
De heer Vandezande. Waarom valoriseert men de rechtshandelingen niet die door deze personen werden gesteld? Ze hadden
niet de bevoegdheid om die handelingen te verrichten. Ik kan het
antwoord zelf geven. Artikel 2 is totaal overbodig. Het verheugt mij
dat we nu weten wat er in het verleden is gebeurd. De personen
wier benoeming werd vernietigd door de Raad van State genieten
van wat men in de rechtsleer noemt « le bénéfice du préalable ». Dus
was dit artikel totaal overbodig, zowel wat betreft de wedden als
wat betreft de rechtshandelingen. Nochtans danken wij u omdat wij
nu weten wat er gebeurd is tijdens uw voorganger.
- -
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Mijnheer Vandezande, ik heb u indertijd
reeds bedankt voor de grote ervaring die u hebt opgedaan als adviseur van Premier Eyskens. Ik weet dat u ter zake veel wijsheid hebt
vergaard. Ik dank u voor uw antwoord dat uw vraag heeft vervolledigd. Reeds toen ik minister van Nationale Opvoeding was, had ik
het genoegen kennis te kunnen nemen van enkele van uw pertinente
vragen en antwoorden.
Ik wens thans te antwoorden op de tweede vraag van de heer
Maes
-
De heer Vandezande. - Minister Eyskens heeft een woord vooraf
geschreven voor mijn boek.
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie. U is toch niet beschaamd omdat ik even iets
uit uw verleden aanhaal, hoop ik, mijnheer Vandezande, toen u adviseur van Premier Eyskens was?
De tweede vraag van de heer Maes betrof de 2 miljard die hier
zijn vermeld. Hij vroeg of ze niet ik zal de Franse uitdrukking
gebruiken à pertes et profits moesten worden ingeschreven. Ik za
de nodige toelichting geven wanneer ik de volgende week het wetsontwerp die de leningscapaciteiten van de NMBS moet mogelijk
maken in de Senaat zal verdedigen. Het gaat hier om een bedrag
van 5,590 miljard. Ik hoop dat u ter zake is gerustgesteld.
U heeft ook een optelling gemaakt van een aantal kredieten bestemd voor de PTU, Promotion du transport urbain. Van deze kredieten werd inderdaad een groter deel benut voor Brussel-Hoofdstad. De oorzaak hiervan is ingewikkelder dan de optelling doet vermoeden. Er is geen regel ter zake, maar indien men andere proporties had toegepast voor Antwerpen, dan had deze stad rebus sic
stantibus, dit niet kunnen verwerken, omdat Antwerpen dan volledig moest worden omgewoeld. U weet dat ook Gent heeft afgezien
van operaties waarop door sommigen sterk werd aangedrongen. Dit
-
-
-
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
heeft tot gevolg dat de nu overblijvende gelden in ruimere mate
kunnen worden besteed aan steden als Antwerpen, Charleroi en
Luik, omdat hun absorbtiemogelijkheden als ik het zo mag zeggen niet dezelfde waren als deze van Brussel-Hoofdstad.
U zal vaststellen dat in de eerstvolgende jaren het percentage van
Brussel, dat nu 63 bedraagt, zal dalen tot minder dan 50 pct. en dat
het percentage zal stijgen voor Antwerpen en Charleroi, naarmate
de verwerkingsmogelijkheden van deze twee belangrijke steden evo-
-
-
lueren.
U heeft ook vragen gesteld over de luchtvaartschool. Ik ken de
cijfers die u heeft geciteerd. U weet dat de burgerlijke luchtvaartschool voor de recrutering een algemene oproep doet, dat van de
200 à 250 potentiële kandidaten er 40 à 45 mogen beginnen en dat
er uiteindelijk 20 à 25 een brevet halen.
Misschien is u van oordeel dat meer propaganda moet worden
gevoerd, maar, eigenaardig genoeg, wij stellen vast dat er meer
Franstalige kandidaten zijn dan Nederlandstalige
Hetzelfde doet zich voor bij de kapiteins der lange omvaart ik
zie dat de heer de Bruyne mij gelijk geeft terwijl Wallonië niet
gemaritimiseerd is. Ik kan dat ook niet verhelpen. Misschien kan u
uw invloed, indien deze nog groot is, aanwenden om de Vlaamse
jeugd meer in de lucht te krijgen dan nu het geval is.
U heeft ook gesproken over de taalverhouding bij Sabena. U weet
dat daar de problemen niet eenvoudig zijn en dat ze verschillen
naargelang van de categorie van personeel. Wij trachten naar best
vermogen de nodige aanpassingen te doen. Ik heb zeer vrij en vrank
geantwoord op de vragen die in dit verband werden gesteld in de
commissie waar u ook aanwezig was. Ik veroorloof mij dit debat nu
niet te heropenen.
Senator De Rouck heeft het lijstje afgelezen dat ik natuurlijk zeer
goed ken van het openbaar vervoer in de Vlaamse Ardennen. Indien
ik van de streek van Tienen was geweest, dan had wellicht een senator
uit die streek mij hetzelfde gezegd. Was ik van Antwerpen of
Turnhout, dan had een senator uit die streek soortgelijke vragen gesteld. Ik begrijp de situatie zeer goed. Het maakt deel uit van de
« oktoberfeesten » van
dit jaar.
Vanochtend heeft een syndicale delegatie van het gemeenschappelijk front op mijn kantoor mij nog gezegd « Mijnheer de minister,
hier zijn de cijfers voor uw provincie en voor uw arrondissement. »
Ik heb daarop het volgende geantwoord :
Ten eerste, een minister moet zich bekommeren om de belangen
van gans het land. Indien hij zich bij het nemen van beslissingen alleen laat beïnvloeden door zijn regio is hij zijn functie niet waardig.
Ten tweede, het zou ongeloofwaardig overkomen mocht men een
andere borstel gebruiken om voor zijn eigen deur te vegen dan die
waarmee men voor andermans deur veegt.
Ten derde, binnen de perken van het mogelijke ik zal nu niet
uitwijden over de rampzalige financiële toestand van de Belgische
spoorwegen hebben wij getracht enkele verbeteringen tot stand te
brengen in de verbindingen in de streek waarover u heeft gesproken.
Mijnheer De Rouck, ik zal mij eens zeer rustig en vriendschappelijk met u over deze aangelegenheden onderhouden. In 1968 bestond mijn eerste parlementaire daad van piepjong Kamerlid erin samen met Senator Cuvelier te ijveren voor de vrijmaking van de
spoorwegverbinding Ronse-Oudenaarde die gedurende ettelijke
maanden onbruikbaar was door het instorten van een tunnel onder
de gemeente Louise-Marie. Wanneer u aandringt op grote verbindingen, mag ik u dan eraan herinneren dat uw partij onder meer de
autoweg A9 heeft helpen kelderen. Hoe het ook zij, ik zal naar best
vermogen daar een aantal aanpassingen doen uitvoeren.
U zegt dat het openbaar vervoer klanten zou moeten winnen,
maar dit is, helaas, een illusie. De Belgische Spoorwegen hebben de
jongste tien jaar het aantal aangeboden treinen met 30 pct. verhoogd, maar het aantal reizigers, vóór De Croo en voor de prijsverhoging, is met 40 pct. gedaald.
Ik heb reeds tot vervelens toe herhaald dat wanneer er zich een
prijsstijging voordoet, men nog meer aan Carpool of Taxistop gaat
doen. Dezelfde openbare media, die zo sterk het openbaar vervoer
aanmoedigen, zijn de eersten geweest om het openbaar vervoer
klanten te ontnemen door Carpool en Taxistop aan te moedigen.
Op haast elke brug bij de oprit van een autosnelweg staan tientallen
wagens van mensen die van daaruit samen naar het werk gaan. De
uurroosters, de werkpatronen enz. laten het treinverkeer niet toe alle mensen op te vangen met het treinverkeer, dat essentieel pendelverkeer is in ons land. Een ander programma is daar noodzakelijk.
-
-
:
-
-
--
Ann. parl. Sénat Session ordinaire 1981-1982
Parlem. Hand. Senaat Gewone zitting 1981-1982
1253
Vanochtend werd onderzocht hoe wij de Belgische Spoorwegen,
naast hun belangrijke taak als goederenvervoerder die men wel eens
uit het oog verliest, met snelle verplaatsingen intercitytreinen
daarop geprojecteerde interregionale treinen kunnen aanpassen,
niet door structuurwijzigingen of door statutaire veranderingen,
maar concreet door gemakkelijke verbindingen met de buurtspoorwegen en met het gemeenschappelijk vervoer in steden en gemeenten.
De heer De Rouck heeft gezegd dat een aantal gebeurtenissen
plaatsgrijpen met het oog op de oktoberfeesten.
Was het niet op 22 mei jongstleden dat voor het eerst een elektrisch stel reed over het traject Denderleeuw-Zottegem?
Was het niet vorige zondag dat de minister zelf in dit gewest van
Zwalm, Wortegem en Petegem persconferenties met de autoriteiten
organiseerde in verband met het doortrekken van de elektrificatie
Zottegem-Oudenaarde-Kortrijk ?
Het is al te gemakkelijk te beweren dat in voorbereiding van de
oktoberfeesten de minister van de streek niet doet wat dient te worden gedaan. Ik zal mij in deze al te gemakkelijke val niet laten
vangen.
Tenslotte behandelen wij de aanpassing van een begroting die on-
--
der de verantwoordelijkheid, niet de jure maar de facto, van mijn
geachte voorganger werd opgemaakt. Ik hoop dat de Senaat deze
zal goedkeuren. (Applaus op de banken van de meerderheid.)
-
M. le Président. Plus personne ne demandant la parole dans la
discussion générale, je la déclare close et nous passons à l'examen
des articles.
Daar niemand meer het woord vraagt, is de algemene behandeling gesloten en gaan wij over tot het onderzoek van de artikelen.
Personne ne demandant la parole dans la discussion des articles
du tableau, je les mets aux voix.
Daar niemand het woord vraagt in de behandeling van de artikelen van de tabel, breng ik deze in stemming.
Ces articles sont successivement mis aux voix et adoptés.
(Voir document nº 6-XIV-1, session 1981-1982, du Sénat.)
Deze artikelen worden achtereenvolgens in stemming gebracht en
aangenomen. (Zie stuk nr. 6-XIV-1, zitting 1981-1982, van de
Senaat.)
-
M. le Président.
- Les articles du projet de loi sont ainsi
rédigés
:
I. Ajustements des crédits
Article 1er. Les crédits prévus au titre I - Dépenses courantes et
au titre II - Dépenses de capital, du budget
du ministère des Com-
munications de l'année budgétaire 1981, sont ajustés suivant les
données détaillées du tableau annexé à la présente loi, et à concurrence de (en millions de francs)
Crédits dissociés
Crédits
Crédits
Crédits
non
AJUSTEMENTS
d'engage- d'ordonnancement
ment
dissociés
:
TITRE
I
-
Dépenses courantes
Crédits supplémentaires de
220,4
l'année courante
1 962,9
Réductions
Crédits supplémentaires pour
220,0
années antérieures
-
II
TITRE
Dépenses de capital
Crédits supplémentaires de
3 734,7
l'année courante
735,0
Réductions
Crédits supplémentaires pour
8,8
années antérieures
47,0
47,0
-
991,9
-
167
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1254
I. Kredietaanpassingen
Artikel 1. De kredieten ingeschreven onder de titel I - Lopende
uitgaven en onder de titel II - Kapitaaluitgaven, van de begroting
van het ministerie van Verkeerswezen voor het begrotingsjaar 1981,
worden aangepast volgens de omstandige vermeldingen in de bij deze wet gevoegde tabel en ten belope van (in miljoenen franken) :
Gesplitste kredieten
NietOrdonnanVastAANPASSINGEN
gesplitste leggingsceringskredieten kredieten kredieten
I
-
...
220,4
TITEL
Lopende uitgaven
Bijkredieten voor het lopend
jaar
-
-
TITEL II
..
-
Le traitement de M. M.R. dont la nomination au grade de
communicateur ADP principal à la Régie des Voies aériennes a été
annulée par arrêt nº 18483 du 12 octobre 1977 du Conseil d'Etat
est maintenu pour la période du 1er octobre 1974 au 31 octobre
Adopté.
-Aangenomen.
1977
220,0
...
Kapitaaluitgaven
Bijkredieten voor het lopend
jaar
3 734,7
735,0
Verminderingen
Bijkredieten voor vroegere jaren
8,8
47,0
47,0
-
- Le traitement de M. P.S. dont la nomination au grade de communicateur ADP principal à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt nº 18483 du 12 octobre 1977 du Conseil d'Etat est
maintenu pour la période du 1er octobre 1974 au 31 octobre 1977.
Le traitement de M. Y.C. dont la nomination au grade de secrétaire d'administration à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt nº 18524 du 4 novembre 1977 du Conseil d'Etat est
maintenu pour la période du 1er février 1973 au 31 décembre 1973.
Le traitement de M. Y.C. dont la nomination au grade de secrétaire d'administration-directeur adjoint à la Régie des Voies aé
riennes a été annulee par arrêt nº 18524 du 4 novembre 1977 du
Conseil d'Etat est maintenu pour la période du 1er janvier 1974 au
30 novembre 1977.
- Le traitement de M. A.M. dont la nomination au grade de
secrétaire d'administration à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt nº 18524 du 4 novembre 1977 du Conseil d'Etat est
maintenu pour la période du 1er février 1973 au 31 décembre 1973.
Le traitement de M. A.M. dont la nomination au grade de
secrétaire d'administration-directeur adjoint à la Régie des Voies aé
riennes a ete annulee par arret nº 18524 du 4 novembre 1977 du
Conseil d'Etat est maintenu pour la période du 1er janvier 1974 au
30 septembre 1977.
- Le traitement de M. W.D. dont la nomination au grade de
conseiller adjoint-chef de service à la Régie des Voies aériennes a été
annulée par arrêt nº 18546 du 9 novembre 1977 du Conseil d'Etat
est maintenu pour la periode du 1er février 1973 au 31 décembre
1977.
Le traitement de M. A.V. dont la nomination au grade de
sous-chef d'aérodrome principal à la Régie des Voies aériennes a été
annulée par arrêt nº 18577 du 23 novembre 1977 du Conseil d'Etat
est maintenu pour la période du 1er juillet 1970 au 31 décembre
-
991,9
II. Dispositions diverses
Art. 2. Le ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones est dispensé du recouvrement à charge de M.
R.V.B. d'Ostende de la somme de 1 552 992 francs dont celui-ci
reste redevable du chef du crédit maritime alloué le 18 décembre
1973 à M. et Mme R.V.B.
II. Diverse bepalingen
Art. 2. De minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie
en Telefonie wordt ontslagen ten laste van de heer R.V.B. te Oostende, de som van 1 552 992 frank terug te vorderen, welke deze
verschuldigd is uit hoofde van het aan de heer en Mevr. R.V.B. op
18
december 1973 toegestane scheepskrediet.
- Adopté.
Aangenomen.
Art. 3. - Le traitement de M. R.W. dont la nomination au grade
de météorologiste de 2e classe à la Régie des Voies aériennes a été
annulée par arrêt nº 18250 du 28 avril 1977 du Conseil d'Etat est
maintenu pour la période du 1er avril 1977 au 31 mai 1977.
-
Le traitement de Mme V.D. dont la nomination au grade de
chef administratif à la Régie des Voies aériennes a été annulée par
arrêt nº 18360 du 29 juin 1977 du Conseil d'Etat est maintenu
pour la période du 1er février 1973 au 31 juillet 1977.
- Le traitement de M. A.V. dont la nomination au grade de
commandant adjoint d'aérodrome de 1re classe à la Régie des Voies
aériennes a été annulée par arrêt nº 18427 du 14 septembre 1977
du Conseil d'Etat est maintenu pour la période du 1er janvier 1972
au 30 septembre 1977.
Le traitement de M. J.V. dont la nomination au grade de directeur d'administration à la Régie des Voies aériennes a été annulée
par arrêt nº 18479 du 12 octobre 1977 du Conseil d'Etat est maintenu pour la période du 1er septembre 1975 au 31 octobre 1977.
Le traitement de M. H.C. dont la nomination au grade de secrétaire d'administration à la Régie des Voies aériennes a été annulee par arrêt nº 18482 du 12 octobre 1977 du Conseil d'Etat est
maintenu pour la période du 1er novembre 1971 au 31 décembre
1973.
-
-
-
1977.
. . 1 962,9
Verminderingen
Bijkredieten voor vroegere jaren
-
Le traitement de M. L.C. dont la nomination au grade de secrétaire d'administration à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt nº 18482 du 12 octobre 1977 du Conseil d'Etat est
maintenu pour la période du 1er novembre 1971 au 31 décembre
1973.
- Le traitement de M. L.C. dont la nomination au grade de secrétaire d'administration-directeur adjoint à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt nº 18482 du 12 octobre 1977 du
Conseil d'Etat est maintenu pour la période du 1er janvier 1974 au
31 octobre 1977.
Le traitement de M. J.V. dont la nomination au grade de
communicateur ADP principal à la Régie des Voies aériennes a été
annulée par arrêt nº 18483 du1 12 octobre 1977 du Conseil d'Etat
est maintenu pour la période du 1er octobre 1974 au 31 octobre
Le traitement de M. H.C. dont la nomination au grade de secrétaire d'administration-directeur adjoint à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt nº 18482 du 12 octobre 1977 du
Conseil d'Etat est maintenu pour la période du 1er janvier 1974 au
31 octobre 1977.
-
-
-
1971.
-
M.
Le traitement de P.P. dont la nomination au grade de
sous-chef d'aérodrome principal à la Régie des Voies aériennes a été
annulée par arrêt nº 18577 du23 novembre 1977 du Conseil d'Etat
est maintenu pour la période du 1er juillet 1970 au 31 décembre
1977.
Le traitement de M. H.V. dont la nomination au grade de
sous-chef d'aerodrome principal à la Regie des Voies aériennes a ete
annulée par arrêt nº 18577 du 23 novembre 1977 du Conseil d'Etat
est maintenu pour la période du 1er juillet 1970 au 31 décembre
-
1977.
-
M.
Le traitement de T.R. dont la nomination au grade de
sous-chef d'aérodrome principal à la Régie des Voies aériennes a été
annulée par arrêt nº 18577 du 23 novembre 1977 du Conseil d'Etat
est maintenu pour la période du 1er juillet 1970 au 31 décembre
1977.
Le traitement de M. W.W. dont la nomination au grade de
bibliothécaire à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt
nº 18697 du 18 janvier 1978 du Conseil d'Etat est maintenu pour
la période du 1er septembre 1974 au 28 février 1978.
-
Le traitement de M. L.D. dont la nomination au grade de
annulée
18700 18 janvier 1978 du Conseil d'Etat
sous-chef d'aérodrome principal à la Régie des Voies aériennes a été
par arrêt nº
du
est maintenu pour la période du 1er avril 1972 au 28 février 1978.
-
Le traitement de M. J.C. dont la nomination au grade de brigadier-électricien à la Régie des Voies aériennes a été annulée par
arrêt nº 18711 du 25 janvier 1978 du Conseil d'Etat est maintenu
pour la période du 1er octobre 1975 au 31 octobre 1976.
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
-
Le traitement de M. R.L. dont la nomination au grade de premier conseiller à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt
nº 18732 du 1er février 1978 du Conseil d'Etat est maintenu pour la
période du 1er août 1972 au 28 février 1978.
Le traitement de M. M.D. dont la nomination au grade de directeur à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt nº
18733 du 1er février 1978 du Conseil d'Etat est maintenu pour la
période du 1er février 1973 au 28 février 1978.
-
1255
arrest nr. 18360 van 29 juni 1977 van de Raad van State, wordt
bij
behouden voor de periode van 1 februari 1973 tot 31 juli 1977.
van de heer A.V. waarvan de benoeming tot de
- Devanwedde
graad
adjunct-luchthavenmeester 1ste klasse bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18427 van 14 september
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 januari 1972 tot 30 september 1977.
De wedde van de heer J.V. waarvan de benoeming tot de
graad van bestuursdirecteur bij de Regie der Luchtwegen werd ver-
- Le traitement de M. L.F. dont la nomination au grade de nietigd
bij arrest nr. 18479 van 12 oktober 1977 van de Raad van
sous-chef d'aérodrome de 1re classe à la Régie des Voies aériennes a
été annulée par arrêt nº 19454 du 16 février 1979 du Conseil d'Etat
est maintenu pour la période du 1er août 1977 au 31 mars 1979.
-
Le traitement de M. T.V. dont la nomination au grade de
communicateur ADP à la Régie des Voies aériennes a été annulée
par arrêt nº 20053 du 16 janvier 1980 du Conseil d'Etat est maintenu pour la période du 1er mars 1976 au 31 janvier 1980.
Le traitement de M. J.C. dont la nomination au grade de
communicateur ADP à la Régie des Voies aériennes a été annulée
par arrêt nº 20053 du 16 janvier 1980 du Conseil d'Etat est maintenu pour la période du 1er mars 1976 au 31 janvier 1980.
Le traitement de M. H.R. dont la nomination au grade de
communicateur ADP à la Régie des Voies aériennes a été annulée
par arrêt nº 20150 du 5 mars 1980 du Conseil d'Etat est maintenu
pour la période du 1er novembre 1976 au 31 mars 1980.
Le traitement de M. H.P. dont la nomination au grade de
communicateur ADP à la Régie des Voies aériennes a été annulée
arrêt
par
nº 20150 du 5 mars 1980 du Conseil d'Etat est maintenu
pour la période du 1er novembre 1976 au 31 mars 1980.
-
-
- Le traitement de M. L.M. dont la nomination au grade de
communicateur ADP à la Régie des Voies aériennes a été annulée
par arrêt nº 20150 du 5 mars 1980 du Conseil d'Etat est maintenu
pour la période du 1er novembre 1976 au 31 mars 1980.
-
Le traitement de M. R.D. dont la nomination au grade de
communicateur ADP à la Régie des Voies aériennes a été annulée
par arrêt nº 20150 du 5 mars 1980 du Conseil d'Etat est maintenu
pour la période du 1er novembre 1976 au 31 mars 1980.
Le traitement de M. J.A. dont la nomination au grade de
communicateur ADP à la Régie des Voies aériennes a été annulée
par arrêt nº 20150 du 5 mars 1980 du Conseil d'Etat est maintenu
pour la période du 1er novembre 1976 au 31 mars 1980.
Le traitement de M. A.L. dont la nomination au grade de
communicateur ADP à la Régie des Voies aériennes a été annulée
par arrêt nº 20150 du 5 mars 1980 du Conseil d'Etat est maintenu
pour la période du 1er novembre 1976 au 31 mars 1980.
Le traitement de M. L.V. dont la nomination au grade de contrôleur adjoint de travaux à la Régie des Voies aériennes a été annulee par arrêt nº 20151 du 5 mars 1980 du Conseil d'Etat est maintenu pour la période du 1er novembre 1976 au 31 mars 1980.
Le traitement de M. M.V. dont la nomination au grade de directeur d'aéroport à la Régie des Voies aériennes a été annulée par
arrêt nº 20445 du 24 juin 1980 du Conseil d'Etat est maintenu
pour la période du 1er avril 1977 au 31 juillet 1980.
-
-
- Le traitement de Mlle R.M. dont la nomination au grade de
correspondant à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt
nº 20774 du 4 décembre 1980 du Conseil d'Etat est maintenu pour
la période du 1er mars 1979 au 31 octobre 1979.
- Le traitement de Mme M.H. dont la nomination augradede
correspondant à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt
nº 20775 du 4 décembre 1980 du Conseil d'Etat est maintenu pour
la période du 15 janvier 1979 au 31 août 1979.
Le traitement de Mlle J.C. dont la nomination au grade de
correspondant à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt
nº 20776 du 4 décembre 1980 du Conseil d'Etat est maintenu pour
la période du 28 mars 1979 au 31 mars 1980.
Le traitement de Mlle B.B. dont la nomination au grade de
correspondant à la Régie des Voies aériennes a été annulée par arrêt
nº 20778 du 4 décembre 1980 du Conseil d'Etat est maintenu pour
la période du 26 février 1979 au 31 août 1979.
Ces dispositions restent sans effet sur l'avancement de grade et de
traitement des intéressés.
Art. 3. De wedde van de heer R.W. waarvan de benoeming tot
de graad van meteoroloog 2e klasse bij de Regie der Luchtwegen
werd vernietigd bij arrest nr. 18250 van 28 april 1977 van de Raad
van State, wordt behouden voor de periode van 1 april 1977 tot 31
-
-
-
mei 1977.
De wedde van mevrouw V.D. waarvan de benoeming tot de
graad van bestuurschef bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd
-
State, wordt behouden voor de periode van 1 september 1975 tot
31 oktober 1977.
De wedde van de heer H.C. waarvan de benoeming tot de
graad van bestuurssecretaris bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18482 van 12 oktober 1977 van de Raad van
State, wordt behouden voor de periode van 1 november 1971 tot
31 december 1973.
De wedde van de heer H.C. waarvan de benoeming tot de
graad van bestuurssecretaris-adjunct-directeur bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18482 van 12 oktober
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 januari 1974 tot 31 oktober 1977.
De wedde van de heer L.C. waarvan de benoeming tot de
graad van bestuurssecretaris bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18482 van 12 oktober 1977 van de Raad van
State, wordt behouden voor de periode van 1 november 1971 tot
31 december 1973.
De wedde van de heer L.C. waarvan de benoeming tot de
graad van bestuurssecretaris-adjunct-directeur bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18482 van 12 oktober
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 januari 1974 tot 31 oktober 1977.
- De wedde van de heer J.V. waarvan de benoeming tot de
graad van eerstaanwezend communicator ADP bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18483 van 12 oktober
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 oktober 1974 tot 31 oktober 1977.
- De wedde van de heer M.R. waarvan de benoeming tot de
graad van eerstaanwezend communicator ADP bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18483 van 12 oktober
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 oktober 1974 tot 31 oktober 1977.
- De wedde van de heer P.S. waarvan de benoeming tot de
graad van eerstaanwezend communicator ADP bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18483 van 12 oktober
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 oktober 1974 tot 31 oktober 1977.
De wedde van de heer Y.C. waarvan de benoeming tot de
graad van bestuurssecretaris bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18524 van 4 november 1977 van de Raad van
State, wordt behouden voor de periode van 1 februari 1973 tot 31
december 1973.
De wedde van de heer Y.C. waarvan de benoeming tot de
graad van bestuurssecretaris-adjunct-directeur bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18524 van 4 november
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 januari 1974 tot 30 november 1977.
De wedde van de heer A.M. waarvan de benoeming tot de
graad van bestuurssecretaris bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18524 van 4 november 1977 van de Raad van
State, wordt behouden voor de periode van 1 februari 1973 tot 31
december 1973.
De wedde van de heer A.M. waarvan de benoeming tot de
graad van bestuurssecretaris-adjunct-directeur bij de Regie
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18524 van 4 november
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 januari 1974 tot 30 september 1977.
- De wedde van de heer W.D. waarvan de benoeming tot de
graad van adjunct-adviseur-hoofd van dienst bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18546 van 9 november 1977
van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van 1 februari 1973 tot 31 december 1977
De wedde van de heer A.V. waarvan de benoeming tot de
graad van eerstaanwezend onderluchthavenmeester bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18577 van 23 november
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 juli 1970 tot 31 december 1971.
-
-
-
-
-
1256
-
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
De wedde van de heer P.P. waarvan de benoeming tot de
graad van eerstaanwezend onderluchthavenmeester bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18577 van 23 november
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 juli 1970 tot 31 december 1977.
De wedde van de heer H.V. waarvan de benoeming tot de
graad van eerstaanwezend onderluchthavenmeester bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18577 van 23 november
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 juli 1970 tot 31 december 1977
De wedde van de heer T.R. waarvan de benoeming tot de
graad van eerstaanwezend onderluchthavenmeester bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18577 van 23 november
1977 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 juli 1970 tot 31 december 1977.
De wedde van de heer W.W. waarvan de benoeming tot de
graad van bibliothecaris bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18697 van 18 januari 1978 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van 1 september 1974 tot 28
februari 1978.
De wedde van de heer L.D. waarvan de benoeming tot de
graad van eerstaanwezend onderluchthavenmeester bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18700 van 18 januari
1978 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
1 april 1972 tot 28 februari 1978.
De wedde van de heer J.C. waarvan de benoeming tot de
graad van brigadier-elektricien bij de Regie der Luchtwegen werd
vernietigd bij arrest nr. 18711 van 25 januari 1978 van de Raad
van State, wordt behouden voor de periode van 1 oktober 1975 tot
31 oktober 1976.
De wedde van de heer R.L. waarvan de benoeming tot de
graad van eerste adviseur bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 18732 van 1 februari 1978 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van 1 augustus 1972 tot 28
februari 1978.
De wedde van de heer M.D. waarvan de benoeming tot de
graad van directeur bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij
arrest nr. 18733 van 1 februari 1978 van de Raad van State, wordt
behouden voor de periode van 1 februari 1973 tot 28 februari
-
Raad van State, wordt behouden voor de periode van 1 november
1976 tot 31 maart 1980.
De wedde van de heer A.L. waarvan de benoeming tot de
graad van communicator ADP bij de Regie der Luchtwegen werd
vernietigd bij arrest nr. 20150 van 5 maart 1980 van de Raad van
State, wordt behouden voor de periode van 1 november 1976 tot
31 maart 1980.
De wedde van de heer L.V. waarvan de benoeming tot de
graad van adjunct-controleur van werken bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 20151 van 5 maart 1980 van de
Raad van State, wordt behouden voor de periode van 1 november
1976 tot 31 maart 1980.
De wedde van de heer M .. V. waarvan de benoeming tot de
graad van luchthavendirecteur bij de Regie der Luchtwegen werd
vernietigd bij arrest nr. 20445 van 24 juni 1980 van de Raad van
State,wordt behouden voor de periode van 1 april 1977 tot 31 juli
-
1979.
-
-
-
-
1978.
- De wedde van de heer L.P. waarvan de benoeming tot de
graad van onderluchthavenmeester 1ste klasse bij de Regie der
Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 19454 van 16 februari
1979 van de Raad van State, wordt behouden voor de periode van
augustus 1977 tot 31 maart 1979.
De wedde van de heer T.V. waarvan de benoeming tot de
graad van communicator ADP bij de Regie der Luchtwegen werd
vernietigd bij arrest nr. 20053 van 16 januari 1980 van de Raad
van State, wordt behouden voor de periode van 1 maart 1976 tot
-
31 januari 1980.
- De wedde van de heer J.C. waarvan de benoeming tot de
graad van communicator ADP bij de Regie der Luchtwegen werd
vernietigd bij arrest nr. 20053 van 16 januari 1980 van de Raad
van State, wordt behouden voor de periode van 1 maart 1976 tot
31 januari 1980.
De wedde van de heer H.R. waarvan de benoeming tot de
graad van communicator ADP bij de Regie der Luchtwegen werd
vernietigd bij arrest nr. 20150 van 5 maart 1980 van de Raad van
State, wordt behouden voor de periode van 1 november 1976 tot
31 maart 1980.
De wedde van de heer H.P. waarvan de benoeming tot de
graad van communicator ADP bij de Regie der Luchtwegen werd
vernietigd bij arrest nr. 20150 van 5 maart 1980 van de Raad van
State, wordt behouden voor de periode van 1 november 1976 tot
31 maart 1980.
De wedde van de heer L.M. waarvan de benoeming tot de
graad van communicator ADP bij de Regie der Luchtwegen werd
vernietigd bij arrest nr. 20150 van 5 maart 1980 van de Raad van
State, wordt behouden voor de periode van 1 november 1976 tot
31 maart 1980.
De wedde van de heer R.D. waarvan de benoeming tot de
graad van communicator ADP bij de Regie der Luchtwegen werd
vernietigd bij arrest nr. 20150 van 5 maart 1980 van de Raad van
State, wordt behouden voor de periode van 1 november 1976 tot
31 maart 1980.
De wedde van de heer J.A. waarvan de benoeming tot de
graad van communicator ADP bij de Regie der Luchtwegen
werd vernietigd bij arrest nr. 20150 van 5 maart 1980 van de
-
-
-
-
-
-
-
1980.
De wedde van Mej. R.M. waarvan de benoeming tot de graad
van correspondent bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij
arrest nr. 20774 van 4 december 1980 van de Raad van State,
wordt behouden voor de periode van 1 maart 1979 tot 31 oktober
-
- De wedde van mevrouw M.H. waarvan de benoeming tot de
graad van correspondent bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij arrest nr. 20775 van 4 december 1980 van de Raad van
State, wordt behouden voor de periode van 15 januari 1979 tot 31
augustus 1979.
De wedde van Mej. J.C. waarvan de benoeming tot de graad
van correspondent bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij
arrest nr. 20776 van 4 december 1980 van de Raad van State,
wordt behouden voor de periode van 28 maart 1979 tot 31 maart
1980.
De wedde van Mej. B.B. waarvan de benoeming tot de graad
van correspondent bij de Regie der Luchtwegen werd vernietigd bij
arrest nr. 20778 van 4 december 1980 van de Raad van State,
wordt behouden voor de periode van 26 februari 1979 tot 31
augustus 1979.
Deze bepalingen hebben geen uitwerking op de graad- en weddebevordering van de betrokkenen.
Adopté.
-
-
-
Aangenomen.
Art. 4. Le ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones est dispensé de procéder au recouvrement à
charge de la SPRL Armement RG à Antwerpen de la somme de
100 000 francs qui lui avait été accordée sous forme d'avances de
crise.
Art. 4. De minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie
en Telefonie wordt gemachtigd te verzaken aan de terugvordering
van de som van 100 000 frank ten laste van de PVBA Armement
RG te Antwerpen, welke deze verschuldigd is uit hoofde van de ver-
leende crisisvoorschotten.
Adopté
-Aangenomen.
Art. 5. Le ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones est autorisé à imputer à la charge de l'article
81.48 de la section 31 du titre II partie du présent budget, des
dépenses de même objet et afférentes à des contrats conclus par la
Société nationale des chemins de fer belges sur son propre programme d'investissements au cours d'années antérieures à 1981.
Art. 5. De minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie
en Telefonie wordt gemachtigd ten laste van het artikel 81.48 van
deel van deze begroting, uitgaven aan te
sectie 31 van titel
rekenen betreffende contracten afgesloten door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ten laste van haar eigen investeringsprogramma tijdens de jaren voorafgaand aan 1981 en die betrekking hebben op hetzelfde voorwerp.
Adopté.
-
II -
I
I
-Aangenomen.
Art. 6. Les crédits accordés par la présente loi seront couverts par
les ressources générales du Trésor.
Art. 6. De bij de wet toegestane kredieten zullen door de algeme-
ne middelen der Schatkist gedekt worden.
-
Adopté.
Aangenomen.
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
Art. 7. Cette loi entre en application le jour de sa publication au
Moniteur belge.
Art. 7. Deze wet treedt in werking de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Adopté.
Aangenomen.
De Voorzitter.
- Wij zullen straks stemmen over het ontwerp
van wet in zijn geheel.
loi.Il
sera procédé tout à l'heure au vote sur l'ensemble du projet de
ONTWERP VAN WET HOUDENDE AANPASSING VAN DE BEGROTING VAN HET MINISTERIE VAN TEWERKSTELLING
EN ARBEID VOOR HET BEGROTINGSJAAR 1981
Algemene beraadslaging en stemming over de artikelen
PROJET DE LOI AJUSTANT LE BUDGET DU MINISTERE DE
L'EMPLOI ET DU TRAVAIL DE L'ANNEE BUDGETAIRE
1981
Discussion générale et vote des articles
--
De Voorzitter. Aan de orde is de bespreking van het ontwerp
van wet houdende aanpassing van de begroting van het ministerie
van Tewerkstelling en Arbeid voor het begrotingsjaar 1981.
Nous abordons l'examen du projet de loi ajustant le budget du
ministère de l'Emploi et du Travail de l'année budgétaire 1981.
De algemene beraadslaging is geopend.
La discussion générale est ouverte.
Het woord is aan de heer Walter Peeters.
-
De heer W. Peeters. Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de
minister, geachte collega's, ik zou naar aanleiding van voorliggend
ontwerp van wet houdende aanpassing van de begroting van het
ministerie van Tewerkstelling en Arbeid voor het begrotingsjaar
1981 aan de minister enkele vragen willen stellen.
Mijnheer de minister, op de begroting 1982 van uw departement,
die oploopt tot niet minder dan 126 miljard frank, vertegenwoordigt de rijksbijdrage in de uitgaven van de RVA het leeuweaandeel
met 71,1 miljard.
Dat is 4,5 miljard frank minder dan in 1981, waar de oorspronkelijk op de begroting voorziene rijkstoelage voor de werkloosheid
van 44,1416 miljard, middels 5,1864 miljard reeds vroeger goedgekeurde bijkredieten en middels de thans via voorliggend wetsontwerp nog goed te keuren bijkredieten van 26,858 miljard frank, uiteindelijk tot 76,186 miljard is opgelopen.
Mijn vraag is dan ook of de thans gevraagde bijkredieten wel
uitsluitend kunnen worden verantwoord door de stijging van het
aantal werklozen.
Is de omvang van deze bijkredieten niet ook, voor een groot deel,
te wijten aan het feit dat de vorige minister van Tewerkstelling en
Arbeid de uitgaven voor de werkloosheid schromelijk had onderschat, zodat de toegestane kredieten uiteindelijk zelfs met meer dan
de helft worden overschreden?
Wij vragen ons dan ook af ofu, mijnheer de minister, als huidige
minister van Tewerkstelling en Arbeid, niet dezelfde fout begaat
wanneer u voor 1982 de rijksbijdrage in de uitgaven van de RVA
4,5 miljard lager schat dan in 1981.
Zult ook u niet eerstdaags andermaal voor tientallen miljarden
bijkredieten moeten vragen om rond te komen, zoals via het thans
voorliggend wetsontwerp ?
Een tweede vraag, mijnheer de minister.
Via de media vernamen wij onlangs dat u een tiental maatregelen
ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid hebt aangekondigd. Op
een ogenblik dat er in dit land vandaag meer dan 140 000 volledig
werklozen van jonger dan 25 jaar rondlopen en dat de jeugdwerkloosheid van 4 pct. in 1973 thans tot meer dan 20 pct. is opgelopen, begrijpen wij uw grote bekommernis om dit onthutsend sociaal
probleem, intense bekommernis die ook de onze is.
Nog steeds volgens de nieuwsmedia zoudt u opteren voor een
combinatie van maatregelen op gebied van tewerkstelling en opleiding van jonge werklozen en zoudt u een samenhangend pakket
klaar hebben van tien maatregelen, die ofwel voor overleg aan de
1257
sociale partners, ofwel ter bespreking in de regering zullen worden
voorgelegd.
Buiten de vage omschrijving in de pers dat het zou gaan om een
tiental voorstellen over niet-gerechtvaardigde overuren, zwartwerk,
tijdelijke onderbreking van de loopbaan, deeltijdse arbeid, verdeling
van de arbeidstijd, kredieturen, industriële beroepsopleiding, coöperatieven van jonge werklozen, uitbreiding van het BTK-stelsel tot de
KMO en steunmaatregelen ten gunste van de tewerkstelling van
marginale jongeren, zijn aan de parlementsleden, zelfs niet aan de
betrokken en geïnteresseerde commissieleden, echter geen nadere
bijzonderheden betreffende deze door u voorgenomen maatregelen
tegen de jeugdwerkloosheid bekend.
Wij vinden deze handelwijze de zoveelste aftakeling van ons par-
lementair regime.
Meer en meer immers gaan ministers en leden van de regering
hun beleid toelichten op persconferenties en colloquia, met een
groeiende, aan misprijzen grenzende, miskenning van het Parlement.
Wij zullen niet ophouden hiertegen te protesteren en vragen u,
mijnheer de minister, in verband met deze door u voorgenomen
maatregelen, dan ook enige verdere precisering. (Applaus op de
banken van de Volksunie.)
-
M. le Président. La parole est à M. Hansenne, ministre.
M. Hansenne, ministre de l'Emploi et du Travail. Monsieur le
Président, mesdames, messieurs, M. Peeters vient de me poser deux
questions, dont la première est relative à l'augmentation de crédits
que nous avons dû prévoir pour le budget de 1981. M. Peeters
désire savoir si mon prédécesseur a été amené, à l'époque, à faire
une sous-estimation ou si le nombre des chômeurs a augmenté.
Vous comprendrez que lorsqu'il faut établir un budget un an à
l'avance, il est extrêmement difficile d'avancer des prévisions. J'en
sais quelque chose pour l'instant. Il ne m'est donc pas possible de
vous dire si mon prédécesseur, M. De Wulf, pouvait prévoir, au
moment d'établir son budget, il y a quasiment deux ans d'ici, quelle
serait la situation du chômage durant l'année 1981. En fait, il faut
bien constater que, en 1981, la situation en cette matière a été une
des plus graves de l'après-guerre, dans la mesure où nous n'avons
même pas pu assister, cette année-là, à la moindre diminution saisonnière du chômage. Au contraire, l'augmentation a été telle
qu'elle n'a pas connu de précédent en ampleur, sauf peut-être en
1975. Bref, on peut dire que le nombre des chômeurs était difficilement prévisible. Quant à savoir si mon collègue avait exactement
prévu ce qui allait se passer, je puis difficilement répondre à sa
place et c'est à lui qu'il faudrait poser la question.
En ce qui concerne le budget 1982, qui est pour l'instant même
en discussion à la commission de la Chambre, conviendrait
d'ajouter aux chiffres que vous avez évoqués ceux qui résulteront de
la cotisation de solidarité outre l'aide de l'Etat à l'Onem. Nous nous
sommes efforcés d'établir une prévision aussi exacte que possible.
Le budget de 1982 est établi sur la base de 520 000 chômeurs
budgétaires Nous avons procédé récemment à un budget
control. Dans l'état actuel des choses, la conclusion de l'inspecteur
des Finances est qu'il existe des risques d'augmentation du budget,
mais que rien ne permet d'envisager la nécessité de crédits supplémentaires. On ne peut pas prévoir, dès maintenant, ce qui se passera à l'automne. Mais rien ne permet de dire que les chiffres élaborés pour le budget de 1982 devront être complétés par des crédits
-
il
«
..
supplémentaires d'une importance significative.
A cet égard, j'espère avoir rassuré l'honorable membre.
Dans sa seconde question, M. Peeters fait état du fait que j'ai
évoqué dix mesures qui sont en discussion à l'heure actuelle. Je n'ai
dans la
fait que les énumérer, c'est exact. Vous n'aurez trouve
presse aucune indication concernant leur contenu. Comme je l'ai
indiqué, et vous l'avez rappelé vous-même, ces mesures doivent être
soumises à la discussion des interlocuteurs sociaux dans le cadre de
la discussion du Pacte pour l'emploi. Je rappelle que celui-ci n'a pas
été signé dans sa totalité et que des entretiens ont lieu entre les
ministres concernés et les interlocuteurs sociaux.
Parmi ces mesures, six sont actuellement soumises ou le seront
dès demain à l'examen des interlocuteurs sociaux; deux autres font
déjà l'objet d'un examen du gouvernement; s'agit d'un avant-prod'heures.
jet sur l'apprentissage industriel et un autre sur les crédits
La neuvième mesure est relative au temps partiel; j'espère que le
gouvernement pourra décider sur ce point dans les tout prochains
jours. Enfin, un dixième dossier relatif au problème des jeunes en
voie de marginalisation est en préparation; son examen impliquera
la concertation avec les Communautés.
il
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1258
Je n'ai pas cru utile d'avertir la presse en ces matières avant
d'avoir suivi la procédure normale, notamment d'avoir discuté avec
les interlocuteurs sociaux, examiné les dossiers au niveau du gouvernement pour soumettre enfin les projets au Parlement. Je n'ai donc
en aucune manière, court-circuité les membres du Parlement dans ce
débat. (Applaudissements sur les bancs de la majorité.)
M. le Président. Plus personne ne demandant la parole dans la
discussion générale, je la déclare close et nous passons à l'examen
des articles du projet de loi.
Vraagt niemand meer het woord in de algemene beraadslaging?
Zo neen, dan verklaar ik ze voor gesloten en gaan wij over tot de
behandeling van de artikelen van het ontwerp van wet.
Personne ne demandant la parole dans la discussion des articles
du tableau, je les mets aux voix.
Daar niemand het woord vraagt in de behandeling van de artikelen van de tabel, breng ik deze in stemming
Ces articles sont successivement mis aux voix et adoptés.
(Voir document nº 5-XVII-1, session 1981-1982, de la Chambre des
-
-
représentants.)
Deze artikelen worden achtereenvolgens in stemming gebracht en
aangenomen. (Zie stuk nr. 5-XVII-1, zitting 1981-1982, van de Kamer van volksvertegenwoordigers.)
M. le Président. Les articles du projet de loi sont ainsi rédigés
Article 1er. § 1er. Les crédits non dissociés inscrits au budget du
ministère de l'Emploi et du Travail de l'année budgétaire 1981 sous
le titre
Dépenses courantes, sont majorés de vingt-huit milliards
treize millions cent mille francs (28 013 100 000 francs).
§ 2. Au tableau annexé à la loi du 17 juillet 1981 contenant le
budget du ministère de l'Emploi et du Travail de l'année budgétaire
1981, le crédit non dissocié inscrit sous le titre I, section 31, article
42.01, est majoré d'un montant de vingt-six milliards huit cent cinquante-huit millions de francs (26 858 000 000 de francs).
§ 3. Au tableau annexe à la loi du 17 juillet 1981 contenant le
budget du ministère de l'Emploi et du Travail de l'année budgétaire
1981, le crédit non dissocié inscrit sous le titre section 31, article
01.01, est majoré d'un montant d'un milliard I,cent cinquante-cinq
millions cent mille francs (1 155 100 000 francs).
Artikel 1. § 1. De niet-gesplitste kredieten ingeschreven in de begroting van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid voor het
begrotingsjaar 1981 onder titel
Lopende uitgaven, worden verhoogd met achtentwintig miljard dertien miljoen honderdduizend
frank (28 013 100 000 frank).
§ 2. In de bij de wet van 17 juli 1981 houdende de begroting van
het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid voor het begrotingsjaar
1981 gevoegde tabel wordt het niet-gesplitst krediet ingeschreven
onder titel I, sectie 31, artikel 42.01, verhoogd met een bedrag van
zesentwintig miljard achthonderdachtenvijftig miljoen frank
(26 858 000 000 frank).
§ 3. In de bij de wet van 17 juli 1981 houdende de begroting van
het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid voor het begrotingsjaar
1981 gevoegde tabel wordt het niet-gesplitst krediet ingeschreven
onder titel I, sectie 31, artikel 01.01, verhoogd met een bedrag van
een miljard honderdvijfenvijftig miljoen honderdduizend frank
(1 155 100 000 frank).
:
-
I-
I-
Adopté
-Aangenomen.
Art. 2. Les crédits ouverts par la presente loi sont couverts par les
ressources générales du Trésor.
Art. 2. De deze wet toegestane kredieten zullen door de algemene middelen der Schatkist gedekt worden.
bij
Adopté.
-Aangenomen.
Art. 3. La presente loi entre en vigueur le jour de sa publication
au Moniteur belge
Art. 3. Deze wet treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Adopté.
Aangenomen.
M. le Président. sera procédé tout à l'heure au vote sur l'ensemble du projet de loi.
Wij stemmen straks over het ontwerp van wet in zijn geheel.
-
- Il
PRESENTATION DE TROIS CANDIDATS A UNE PLACE DE
CONSEILLER D'ETAT
VOORDRACHT VAN DRIE KANDIDATEN VOOR EEN AMBT
VAN STAATSRAAD
Il place de conseiller d'Etat, créée par la
-deuxième
la
loi du 6 mai 1982.
M. le Président.
des candidats à
va être procédé au vote pour la présentation
Aan de orde is nu de geheime stemming over de voordracht van
kandidaten voor het tweede ambt van staatsraad, opgericht bij de
wet van 6 mei 1982.
Les candidats qui sollicitent les suffrages du Sénat sont: Mme Denise De Jaeger, M. William Lambrechts et M. Leo Verschooten.
De kandidaten die de Senaat verzoeken voor hen te stemmen zijn:
mevrouw Denise De Jaeger, de heer William Lambrechts en de heer
Leo Verschooten.
Le sort designe MM. Lowis et Paque pour remplir, avec MM. les
secrétaires, les fonctions de scrutateur.
Het lot duidt de heren Lowis en Paque aan om, samen met de
heren secretarissen, de functie van stemopnemer te vervullen.
Il sera procédé par trois scrutins séparés au vote pour les présentation du premier, du deuxième et du troisième candidat.
Pour éviter toute erreur, je vous engage à ne déposer votre bulletin dans l'urne qu'au moment même de l'appel de votre nom.
De voordracht van de eerste, van de tweede en van de derde kandidaat geschiedt bij drie afzonderlijke stemmingen.
Om elke vergissing te vermijden, verzoek ik u uw stembriefje
slechts in de bus te steken op het ogenblik dat uw naam afgeroepen
wordt.
Nous allons procéder à la nomination du premier candidat.
Nu gaan wij stemmen over de voordracht van de eerste kandidaat.
Le vote commence par le nom de M. Lowis.
De stemming begint met de naam van de heer Lowis.
Il est procédé au scrutin.
Er wordt overgegaan tot de geheime stemming.
M. le Président. - Le scrutin est clos.
-
De stemming is gesloten.
conviendra sans doute au Sénat de poursuivre l'examen de son
ordre du jour pendant que les scrutateurs dépouilleront les bulletins.
De Senaat zal waarschijnlijk zijn agenda willen voortzetten terwijl
de stemopnemers de stembiljetten nazien. (Instemming.)
Il en sera donc ainsi.
Hiertoe is besloten.
Il
PROJET DE LOI MODIFIANT LA LOI DU 8 JUILLET 1976
ORGANIQUE DES CENTRES PUBLICS D'AIDE SOCIALE
PROPOSITION DE LOI MODIFIANT LES ARTICLES 6 ET 27
DE LA LOI DU 8 JUILLET 1976 ORGANIQUE DES CENTRES
PUBLICS D'AIDE SOCIALE
PROPOSITION DE LOI MODIFIANT L'ARTICLE 30, ALINEA
1er, DE LA LOI DU 8 JUILLET 1976 ORGANIQUE DES
CENTRES PUBLICS D'AIDE SOCIALE
Renvoi en commission
ONTWERP VAN WET TOT WIJZIGING VAN DE ORGANIEKE
WET VAN 8 JULI 1976 BETREFFENDE DE OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN
VOORSTEL VAN WET TOT WIJZIGING VAN DE ARTIKELEN
EN 27 VAN DE ORGANIEKE WET VAN 8 JULI 1976 BE6TREFFENDE
DE OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN
VOORSTEL VAN WET TOT WIJZIGING VAN ARTIKEL 30,
LID 1, VAN DE ORGANIEKE WET VAN 8 JULI 1976 BETREFFENDE DE OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN
Terugzending naar de commissie
Séance du mercredi 23 juin 1982
1259
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
de heren André en Wyninckx, geloof ik
M. le President. - Nous devons proceder maintenant au vote sur van onze geachte collega's,
er wijs zouden aan doen, het geheel uit te stellen, tenminste
loi dat wijterugkeer
du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale.
van de heer staatssecretaris. Op die
tot de zouden uit Luxemburg
ook vermijden dat de leider van één van de
wij
Wij moeten thans stemmen over de aangehouden amendementen manier
meerderheidsfracties moet afspreken met een lid van de regering.
en artikelen van het ontwerp van wet tot wijziging van de organieke
Je suis en
1976 betreffende de openbare centra
wet
les amendements et articles réservés du projet de loi modifiant la
van 8 juli
voor maatschappelijk welzijn.
Nous avons a nous prononcer en premier lieu sur l'amendement
déposé par Mme Hanquet à l'article 2 de ce projet de loi.
Wij moeten ons eerst uitspreken over het amendement van mevrouw Hanquet bij artikel 2 van dit ontwerp van wet.
La parole est à M. Andre pour une jutification de vote.
M. André. Monsieur le Président, chers collègues, ainsi que j'ai
eu l'occasion de le signaler hier au cours de la discussion des articles
du projet de loi sur lequel nous sommes amenés maintenant à nous
prononcer, mon groupe approuvera le présent amendement proposé
par Mme Hanquet ainsi que tous ceux dont elle demandera le vote.
Je ne reprendrai pas l'argumentation que je me suis efforce de
faire prévaloir au cours de notre précédente séance. Elle se résume
comme suit: Ce projet de loi n'est ni bon ni mauvais; est insuffisant; règle bien ou mal certains aspects secondaires du problème
que pose le fonctionnement des centres publics d'aide sociale, alors
qu'il conviendrait que le Parlement s'attache par priorité à en régler
les aspects fondamentaux.
Je tiens cependant à ajouter que, dans notre esprit, le ou les votes
que nous avons à émettre ne constituent en aucune manière une
manifestation de méfiance, ni à l'égard du gouvernement en général,
ni à l'égard du secrétaire d'Etat à la Santé publique enauparticulier.
Mais nous semble que, dans la plus stricte fidélité gouvernement et à la majorité gouvernementale, ce qui est notre cas, doit
être permis au Parlement et aux parlementaires de se prononcer en
toute conviction à propos de textes qui n'engagent pas et ne peuvent pas engager la politique gouvernementale dans son ensemble.
Par ailleurs, le secrétaire d'Etat, M. Aerts, membre de notre
assemblée, se trouve actuellement à Luxembourg où participe à
une réunion ministérielle européenne. J'ai accepté dès lors de pairer
avec lui. Tel est le sens du vote d'abstention que j'émettrai, tout en
partageant sur le fond l'opinion de mes amis. (Applaudissements sur
certains bancs à droite.)
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Wyninckx.
-
il
il
il
il
il
-
-
De heer Wyninckx. Mijnheer de Voorzitter, heren ministers,
dames en heren, bij deze verantwoording vóór de stemming, wil ik
herinneren aan het debat van zes jaar geleden en aan de wijze waarop wij dit debat hadden voorbereid. Dit heeft plaatsgehad en nu
richt ik mij tot de rapporteur met zeer veel openheid, in een grote sereniteit, met veel ernst en gedurende lange weken. Kort nadat
de wetgeving op de OCMW van kracht werd, gingen al stemmen op
om deze te wijzigen.
De staatssecretaris, de heer Aerts, heeft vanaf de eerste dag dat hij
zijn bevoegdheid kreeg, erop gewezen dat een hervorming op het gebied van de OCMW nodig was en dat hij zich daarvoor zou inzetten. Nadien heeft hij trouwens verklaard dat de huidige voorgestelde hervorming slechts het begin is van een grote hervorming die in
het vooruitzicht wordt gesteld.
Mijn fractie heeft uit het debat van gisteren geleerd dat er klaarblijkelijk in deze vergadering geen volledige eensgezindheid bestaat,
misschien door een gebrek aan voorbereiding van de huidige bespreking en stemming. Misschien zou het nuttig zijn zo wij in de commissie de staatssecretaris de gelegenheid gaven zijn ideeën te preciseren.
Nu spreek ik als fractieleider. Wij hadden het voornemen bepaalde elementen van de hervorming goed te keuren en dit ontwerp in
zijn geheel goed te keuren. Na het debat van gisteren zijn wij tot
andere inzichten gekomen, omdat wij geloven dat over deze materie
opnieuw moet kunnen worden overlegd en dat zij met meer behoedzaamheid moet worden onderzocht dan nu het geval is geweest. Dat
is de reden waarom wij er bij de Senaat op aandringen om opnieuw
een overleg aan de gang te brengen tussen de regering, de staatssecretaris en de commissie. Daarom wordt door ons de Senaat uitgenodigd het ontwerp opnieuw naar de commissie te verwijzen wat
verder onderzoek en overleg met de regering mogelijk maakt. (Ap-
-
-
plaus op de socialistische banken.)
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Vanderpoorten.
-
-
De heer Vanderpoorten. Mijnheer de Voorzitter, na het debat
van gisteren, de bespreking van de amendementen en de verklaring
train d'écrire mes mémoires. (Rires.)
Ceci en constituera le début. (Rires.)
-
M. André. Vous ouvrez un nouveau chapitre.
-
De Voorzitter. Nadat gisteren heel de discussie heeft plaatsgehad en wij alleen maar de stemming tot vandaag hebben uitgesteld,
vind ik het moeilijk, zeker in afwezigheid van de staatssecretaris die
herhaalde malen op de stemming heeft aangedrongen en op al de
vragen heeft geantwoord, dit ontwerp eenvoudig naar de commissie
terug te zenden.
De heer Van In. - Er waren slechts zeventien senatoren aanwezig.
-
De Voorzitter. Dat doet niets ter zake, mijnheer Van In.
De heer Pede. Ik dacht dat er nog een tweede deel moest volgen. Zouden wij dat niet beter samennemen ?
De heer Vanderpoorten. Als er dan toch een stemming moet
plaatshebben, vraag ik de stemming over mijn voorstel om de hele
kwestie terug naar de commissie te sturen.
Het heeft nog veel minder zin hier een stemming te houden waar-
-
bij een gedeelte van de meerderheid tegen dit ontwerp stemt.
M. le Président. La parole est à M. Delmotte.
M. Delmotte. Monsieur le Président, nous estimons avoir été
suffisamment informes. En effet, tout a été dit hier à ce propos. Je
demande dès lors le respect de
l'ordre du jour.
De Voorzitter. - Er is een vraag van de heer Vanderpoorten om
te stemmen over de
terugzending van dit ontwerp en deze voorstel-
len naar de commissie.
Het woord is aan de heer Gijs.
De heer Gijs. Mijnheer de Voorzitter, in verband met het voorstel van de heer Vanderpoorten tot terugzending naar de commissie
meen ik dat wij onmiddellijk tot de stemming kunnen overgaan.
Ik ben het trouwens eens met het voorstel van de heer Vander-
-
poorten.
De Voorzitter.
- Wij gaan over tot de stemming over het voor-
stel van de heer Vanderpoorten tot terugzending naar de commissie.
- Il est procede au vote nominatif sur la proposition de renvoi
en commission.
Er wordt tot naamstemming overgegaan over het voorstel tot terugzending naar de commissie.
136 membres sont présents.
136 leden zijn aanwezig.
75 votent oui.
75 stemmen ja
46 votent non.
46 stemmen neen.
15 s'abstiennent.
15 onthouden zich.
En conséquence, la proposition de renvoi est adoptée.
Derhalve is het voorstel tot terugzending aangenomen.
Ont voté oui
:
Hebben ja gestemd
Bens, Bock, Bossicart, Califice,
MM. Akkermans, André, Bascour,
Claeys, Clerdent, Coen, Conrotte, Cooreman, Cuvelier, Daems, Dalem, Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Bondt, C. De Clercq, R.
Declercq, de Clippele, Deconinck, De Cooman, Decoster, le chevalier de Donnéa, De Kerpel, Mme Delruelle-Ghobert, MM. De Seranno, Doumont, le comte du Monceau de Bergendal, Ferir, Gerits,
Gijs, J. Gillet, Mmes L. Gillet, Godinache-Lambert, M. Gramme,
Mme Hanquet, M. Hatry, Mmes Herman-Michielsens, Julliams,
Knuts, Lagae, Lagneau, Lavens, Noerens, Nutkewitz, Op
MM.
Eynde, Pede, Edg. Peetermans, Poma, Poullet, Smeers, Mme Smitt,
't
- - Parlementaire Handelingen
Sénat
1260
Senaat
Annales parlementaires
M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM. Tilquin, M. Toussaint, Van
Daele, Vandenabeele, Van den Broeck, Vandenhaute, Vanderborght,
Vandermeulen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck, Van Herreweghe, Van houtte, Van Rompaey,
Vermeiren, J. Wathelet, Weckx et Windels.
Ont voté non :
Hebben neen gestemd :
Mme Coorens, MM. Debusseré, Degroeve,
MM. Basecq, Capoen,
Delcroix, Delmotte, De Rouck, Désir, Deworme, Donnay, Draulans,
Eicher, Grosjean, Hiernaux, Hismans, Humblet, Jandrain, Kuylen,
J. Leclercq, R. Leclercq, Lowis, Mme N. Maes, MM. R. Maes,
Mouton, Mme Panneels-Van Baelen, MM. Paque, Pecriaux, J. Peetermans, W. Peeters, Mme Petry, M. Poulain, Mme Remy-Oger,
Trussart, Vandekerckhove,
MM. Royen, Rutten, Spitaels, Thys,
Vandezande, Van In, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Ooteghem, Van Roye et Verbist.
Se sont abstenus
Hebben zich onthouden :
MM. Boel, Canipel, De Baere, Demuyter, Mme De Pauw-Deveen,
Seeuws, Van der
MM. De Smeyter, Egelmeers, Hancké, Houben,
Elst, Van Der Niepen, Waltniel, Wyninckx et Leemans.
-
M. le Président. Les membres qui se sont abstenus sont priés
de faire connaître les motifs de leur abstention.
Ik verzoek de leden die zich hebben onthouden, de reden van hun
onthouding mede te delen.
De heer Vandezande. - Ik heb mij moeten onthouden omdat ik
afgesproken was met de staatssecretaris, mevrouw D'Hondt.
De heer Wyninckx. - Ik heb mij onthouden om de redenen die
ik heb duidelijk gemaakt
in mijn uiteenzetting. Ik was voorstander
van een nieuw onderzoek.
le Président, j'aurais dû m'abstenir
M. André. - Monsieur
y a un instant, M. Aerts étant absent.
comme je l'ai annoncé
il
De heer Van der Elst.
- Ik ben afgesproken met de heer Geens.
De heer Van Ooteghem. - Mogen wij de redenen kennen van de
onthouding van de Voorzitter?
De Voorzitter.
- Ik heb mij onthouden omdat ik niet wilde deel-
nemen aan dit debat.
VOORSTEL VAN WET TOT OPHEFFING VAN ARTIKEL 147bis
VAN HET KIESWETBOEK BETREFFENDE DE STEMMING
BIJ VOLMACHT
ONTWERP VAN WET TOT WIJZIGING VAN DE ARTIKELEN
1, 14, 115 bis, 147 bis EN 226 VAN HET KIESWETBOEK
Stemming over de aangehouden amendementen
en over de aangehouden artikelen
PROPOSITION DE LOI ABROGEANT L'ARTICLE 147bis DU
CODE ELECTORAL CONCERNANT LE VOTE PAR PROCURATION
PROJET DE LOI MODIFIANT LES ARTICLES 1er, 14, 115 bis,
147 bis ET 226 DU CODE ELECTORAL
Vote sur les amendements et articles réservés
-
De Voorzitter. Wij moeten thans stemmen over de aangehouwerp van wet tot wijziging van de artikelen 1, 14, 115bis, 147 bis en
226 van het Kieswetboek.
den amendementen en over de aangehouden artikelen van het ont-
Nous devons maintenant procéder au vote sur les amendements et
articles réservés du projet de loi modifiant les articles 1er, 14,
115 bis, 147 bis et 226 du Code électoral.
Wij moeten ons eerst uitspreken over het amendement van de regering op artikel 2.
Nous avons à nous prononcer, en premier lieu, sur l'amendement
présenté par le gouvernement à l'article 2, et qui tend à remplacer
cet article par un nouveau texte.
Il est procédé au vote nominatif.
-Er wordt
tot naamstemming overgegaan.
137 membres sont présents.
137 leden zijn aanwezig.
84 votent oui
84 stemmen ja.
51 votent non.
51 stemmen neen.
2 s'abstiennent.
2 onthouden zich.
En conséquence, l'amendement du gouvernement est adopté.
Derhalve is het amendement van de regering aangenomen.
Ont voté oui :
Hebben ja gestemd:
MM. Akkermans, Andre, Bascour, Bens, Bock, Bossicart, Califice,
Chabert, Claeys, Clerdent, Coen, Conrotte, Cooreman, Cuvelier,
Daems, Dalem, Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Bondt, C. De
Clercq, R. Declercq, de Clippele, De Cooman, Decoster, le chevalier
de Donnea, De Kerpel, Mme Delruelle-Ghobert, MM. Demuyter,
De Seranno, Désir, Doumont, le comte du Monceau de Bergendal,
Gerits, Gijs, J. Gillet, Mme Godinache-Lambert, Gramme,
Mmes Hanquet, Herman-Michielsens, MM. Kuylen, Lagae,
Lagneau, Lavens, Noerens, Nutkewitz, Mme Paneels-Van Baelen,
MM. Pede, Edg. Peetermans, J. Peetermans, Poma, Poullet, Royen,
Rutten, Smeers, Mme Smitt, M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM.
Tilquin, M. Toussaint, Trussart, Van Daele, Vandenabeele, Van den
Broeck, Vandenhaute, Vanderborght, Vandermarliere, Vandermeulen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vangeel, Vanhaverbeke, Van
Herck, Van Herreweghe, Van houtte, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Rompaey, Van Roye, Verbist, Vermeiren, Waltniel, J.
Wathelet, Weckx, Windels et Leemans.
Ont voté non :
Hebben neen gestemd :
Coorens, MM. De
MM. Basecq, Boel, Canipel, Capoen, Mme
Baere, de Bruyne, Debusseré, Deconinck, Degroeve, Delcroix, Delmotte, Mme De Pauw-Deveen, MM. De Rouck, De Smeyter,
Deworme, Donnay, Draulans, Egelmeers, Eicher, Férir, Grosjean,
Hancké, Hiernaux, Hismans, Houben, Humblet, Jandrain, Mme
Julliams, MM. Knuts, J. Leclercq, R. Leclercq, Lowis, Mme N.
Maes, MM. R. Maes, Mouton, Op Eynde, Paque, Pecriaux, W.
Peeters, Mme Petry, M. Poulain, Mme Remy-Oger, MM. Seeuws,
Spitaels, Thys, Vandekerckhove, Van Der Niepen, Van In, Van
M.
't
Ooteghem et Wyninckx.
Se sont abstenus :
Hebben zich onthouden :
MM. Van der Elst et Vandezande.
M. le President. - Il nous reste à nous prononcer
sur l'amendement de M. Humblet
tendant à insérer un article 3 bis nouveau.
thans stemmen over het amendement van de heer
Wij moeten
een nieuw artikel 3bis
lassen.
dat ertoe
Humblet,
strekt
au vote nominatif.
- Il est procédé
naamstemming overgegaan.
in te
Er wordt tot
137 membres sont présents.
137 leden zijn aanwezig.
109 votent non.
109 stemmen neen.
26 votent oui.
26 stemmen ja.
2 s'abstiennent.
2 onthouden zich.
En conséquence, l'amendement n'est pas adopté.
Derhalve is het amendement niet aangenomen.
Ont voté non:
Hebben neen gestemd:
Bascour, Bens, Boel, Bossicart,
MM. Akkermans, Andre, Aubecq,Claeys,
Califice, Canipel, Capoen, Chabert,
Clerdent, Coen, Conrotte, Cooreman, Cuvelier, Daems, Dalem, Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Baere, De Bondt, Debusseré, C. De Clercq, R. De-
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
clercq, de Clippele, Deconinck, De Cooman, Decoster, le chevalier
de Donnéa, De Kerpel, Mme Delruelle-Ghobert, M. Demuyter,
Mme De Pauw-Deveen, MM. De Rouck, De Seranno, De Smeyter,
Doumont, Draulans, le comte du Monceau de Bergendal, Egelmeers,
Férir, Gerits, Gijs, J. Gillet, Mmes Godinache-Lambert, Goor-Eyben, MM. Gramme, Hancké, Mmes Hanquet, Herman-Michielsens,
Knuts, Kuylen, Lagae, Lagneau, Lavens, Lowis,
MM. Houben,
Mme N. Maes, MM. R. Maes, Mainil, Noerens, Nutkewitz, Op
Eynde, Mme Panneels-Van Baelen, MM. Pede, Edg. Peetermans, W.
Peeters, Poma, Poullet, Roven, Rutten, Seeuws, Smeers, Mme Smitt,
M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM. Thys, Tilquin, M. Toussaint, Trussart, Van Daele, Vandekerkhove, Vandenabeele, Van den
Broeck, Vandenhaute, Vanderborght, Vandermarliere, Vandermeulen, Van Der Niepen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vangeel,
Vanhaverbeke, Van Herck, Van Herreweghe, Van houtte, Van In,
Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Rompaey, Van Roye, Verbist,
Waltniel, J. Wathelet, Weckx, Windels, Wyninckx et Leemans.
Ont voté oui :
'
1261
-
De heer W. Peeters. Mijnheer de Voorzitter, heren ministers,
dames en heren, mag ik erop wijzen dat de minister gisteren op
geen enkele wijze mijn opmerkingen heeft beantwoord?
Ik zie mij dan ook genoodzaakt zeer kort, met de argumentatie
die ik hier gisteren uitvoerig voor luttele collega's naar voor heb gebracht, samen te vatten.
Dit wetsontwerp bevat enerzijds een onaanvaardbare, principiële
discriminatie en anderzijds een grove sociale onrechtvaardigheid.
Ten eerste, de principiële discriminatie behelst dat de kandidaten
worden uitgesloten van de
in de geneeskundige wetenschappen
gunstmaatregel, terwijl kandidaten met om het even welke andere
wetenschappelijke titel er wel van profiteren.
De economische motivering van de minister komt erop neer dat
een bepaalde sociale groep, de jonge geneesheren, moet opdraaien
voor budgettaire overwegingen.
Mag ik er nogmaals op wijzen dat wij straks 27 miljard bijkredieten voor de werklozen ter goedkeuring zullen krijgen tegenover de
130 miljoen per jaar die deze discriminatie zouden moeten verantwoorden ?
Dit wetsontwerp is ten tweede een sociale onrechtvaardigheid.
Het beoogt inderdaad tegemoet te komen aan reële sociale proble-
Hebben ja gestemd :
Bruyne, Degroeve, Delcroix,
M. Basecq, Mme Coorens, MM. de Eicher,
Grosjean, Hiernaux,
Delmotte, Désir, Deworme, Donnay,
Hismans, Humblet, Jandrain, Mme Julliams, MM. J. Leclercq, R. matiek.
Leclercq, Mouton, Paque, Pecriaux, J. Peetermans, Mme Pétry, M.
Juist in verband hiermee wijs ik erop dat jonge geneesheren binPoulain, Mme Remy-Oger et M. Spitaels.
nen de beoogde sociale probleemgroep allerminst als een geprivilegieerde sociale groep kunnen worden beschouwd. Ik dacht dat gisteSe sont abstenus :
ren ten overvloede te hebben aangetoond.
Hebben zich onthouden :
Het zich beroepen op budgettaire overwegingen vanwege de
MM. Van der Elst et Vandezande.
minister kan ik dan ook alleen betitelen als politieke chantage.
Ik reken erop dat de Senaat, door het goedkeuren van ons amenM. le President. - Le rejet de cet amendement de M. Humblet dement
vooralsnog deze discriminatie en sociale onrechtvaardigheid
modification
sa
proposition
implique le rejet de
de
de l'intitulé. uit dit wetsontwerp zal weren. (Applaus op de banken van de
(Assentiment.)
Volksunie.)
:
Le gouvernement propose un nouvel intitulé ainsi rédigé
« Projet de loi modifiant les articles 1er, 14, 115bis, 147 bis et 226
du Code électoral. »
De regering stelt een nieuw opschrift voor dat luidt:
« Ontwerp van wet tot wijziging van de artikelen 1, 14, 115bis,
147 bis en 226 van het Kieswetboek. »
Ce texte rencontre-t-il l'accord de l'assemblée ?
Is de Senaat het met die tekst eens ? (Instemming.)
Le nouvel intitulé est approuvé.
Het nieuw opschrift is goedgekeurd
sera procédé tout à l'heure au vote sur l'ensemble du projet de
loi.Il
Er zal straks gestemd worden over het ontwerp van wet in zijn
geheel.
ONTWERP VAN WET TOT AANVULLING VAN ARTIKEL 12,
§ 1, 5ºbis, VAN DE OP 30 APRIL 1962 GECOORDINEERDE
DIENSTPLICHTWETTEN
Stemming over het aangehouden amendement en over het aangehouden artikel
PROJET DE LOI COMPLETANT L'ARTICLE 12, § 1er, 5ºbis,
DES LOIS SUR LA MILICE, COORDONNEES LE 30 AVRIL
1962
Vote sur l'amendement et sur l'article réservés
De Voorzitter.
het aangehou- Wij moeten thans stemmenbijover
artikel een van het
den amendement van de heer Walter Peeters
ontwerp van wet tot aanvulling van de gecoördineerde dienstplichtwetten.
Nous devons proceder maintenant au vote sur l'amendement de
M. Walter Peeters à l'article premier du projet de loi complétant les
lois sur la milice.
Het woord is aan de heer Walter Peeters.
--
Ann. parl. Sénat Session ordinaire 1981-1982
Parlem. Hand. Senaat Gewone zitting 1981-1982
au vote sur l'amendement de
M. le President. - Nous passons
l'article 1er
M. Walter Peeters sur
Wij gaan over tot de stemming over het amendement van de heer
Walter Peeters, bij artikel 1.
- Il est procédé au vote nominatif.
Er wordt tot naamstemming overgegaan.
137 membres sont présents.
137 leden zijn aanwezig.
78 votent non.
78 stemmen neen.
58 votent oui.
58 stemmen ja.
1 s'abstient.
1 onthoudt zich.
En conséquence, l'amendement n'est pas adopté.
Derhalve is het amendement niet aangenomen.
Ont voté non
Hebben neen gestemd :
MM. Akkermans, Andre, Bascour, Bens, Bock, Bossicart, Califice,
Chabert, Claeys, Clerdent, Coen, Conrotte, Cooreman, Daems, Dalem, Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Bondt, C. De Clercq, R.
Declercq, De Cooman, Decoster, le chevalier de Donnéa, De Kerpel,
Mme Delruelle-Ghobert, MM. Demuyter, De Seranno, Doumont, le
comte du Monceau de Bergendal, Gerits, Gijs, J. Gillet, Mmes Godinache-Lambert, Goor-Fyben, M. Gramme, Mme Hanquet, MM.
Kuylen, Lagae, Lagneau, Lavens, Mainil, Noerens, Nutkewitz, Mme
Panneels-Van Baelen, MM. Pede, Edg. Peetermans, Poma, Poullet,
Rutten, Smeers, Mme Smitt, M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM.
Tilquin, M. Toussaint, Van Daele, Vandenabeele, Van den Broeck,
Vandenhaute, Vanderborght, Vandermarliere, Vandermeulen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck,
Van Herreweghe, Van houtte, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van
Rompaye, Verbist, Vermeiren, Waltniel, J. Wathelet, Weckx, Windels et Leemans.
Ont voté oui
:
:
Hebben ja gestemd:
MM. Basecq, Boel, Canipel, Capoen, Mme Coorens, MM. De
Baere, de Bruyne, Debussere, de Clippele, Deconinck, Degroeve,
168
Annales parlementaires
--Parlementaire Handelingen
Senat
1262
Senaat
Deicroix, Delmotte, Mme De Pauw-Deveen, MM. De Rouck, Désir,
De Smeyter, Deworme, Donnay, Draulans, Egelmeers, Eicher, Férir,
Grosjean, Hancke, Hiernaux, Hismans, Houben, HumR. Gillet,
blet, Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, J. Leclercq, R. Leclercq,
Lowis, Mme N. Maes, MM. R. Maes, Mouton, Op Eynde, Paque, Pecriaux, J. Peetermans, W. Peeters, Mme Petry, M. Poulain,
Mme Remy-Oger, MM. Royen, Seeuws, Spitaels, Thys, Trussart,
Vandekerckhove, Van Der Niepen, Van In, Van Ooteghem, Van
Roye et Wyninckx.
't
:
S'est abstenu
Heeft zich onthouden :
M. Van der Elst.
-
De Voorzitter. Ik breng artikel 1 in stemming.
-
Aangenomen.
Adopté.
De Voorzitter.
zijn geheel.
loi.Il
- Wij stemmen later over het ontwerp van wet in
sera procédé tout à l'heure au vote sur l'ensemble du projet de
PROJET DE LOI MODIFIANT L'ARTICLE 70 DE LA LOI COM-
MUNALE
Vote sur l'amendement et sur l'article réservés
Renvoi en commission
ONTWERP VAN WET TOT WIJZIGING VAN ARTIKEL 70
VAN DE GEMEENTEWET
Stemming over het aangehouden amendement en over het aangehouden artikel
Terugzending naar de commissie
Van Daele, Vandekerckhove, Vandenabeele, Van den Broeck, Vandenhaute, Vanderborght, Van der Elst, Vandermarliere, Vandermeulen, Van Der Niepen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vandezande
Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck, Van Herreweghe, Van houtte,
Van In, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Ooteghem, Van Rompaey, Van Roye, Verbist, Vermeiren, Waltniel, J. Wathelet, Weckx,
Windels, Wyninckx et Leemans.
-Aangenomen.
Adopté.
-
-
M. le Président. La commission propose un nouvel intitulé
ainsi rédigé
« Projet de loi modifiant les articles 70 et 139 bis de la loi commu-
:
nale. »
De commissie stelt een nieuw opschrift voor dat luidt
:
wet tot wijziging van de artikelen 70 en 139bis
« Ontwerp van
van de gemeentewet. »
Ce texte rencontre-t-il l'accord de l'assemblée ?
Is de Senaat het met die tekst eens? (Instemming.)
Le nouvel intitulé est approuvé.
Het nieuw opschrift is goedgekeurd.
Il va être procédé au vote sur l'ensemble du projet de loi.
Het woord is aan de heer Wyninckx.
-
De heer Wyninckx. Mijnheer de Voorzitter, aangezien een
amendement werd aangenomen, verzoek ik u het wetsontwerp te
verwijzen naar de commissie.
-
De Voorzitter. Het ontwerp van wet tot wijziging van artikel
70 van de gemeentewet wordt voor een tweede lezing verwezen
naar de commissie.
-
M. le Président. Nous devons procéder maintenant au vote sur
l'amendement et sur l'article réservés du projet de loi modifiant l'article 70 de la loi communale, à savoir l'article 2 et l'amendement de
M. Gramme audit article.
Wij moeten thans stemmen over het aangehouden amendement en
over het aangehouden artikel van het ontwerp van wet tot wijziging
van artikel 70 van de gemeentewet, namelijk artikel 2 en het amendement van de heer Gramme op dit artikel.
Je mets d'abord aux voix l'amendement de M. Gramme.
Il est procédé au vote nominatif.
Er wordt tot naamstemming overgegaan.
138 membres sont présents.
138 leden zijn aanwezig.
Tous votent oui.
Allen stemmen ja.
En conséquence, l'amendement est adopté.
Derhalve is het amendement aangenomen.
Ont pris part au vote:
Hebben aan de stemming deelgenomen :
MM. Akkermans, André, Bascour, Basecq, Bens, Bock, Boel, Bossicart, Califice, Canipel, Capoen, Chabert, Claeys, Clerdent, Coen,
Conrotte, Cooreman, Mme Coorens, MM. Cuvelier, Daems, Dalem,
Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Baere, De Bondt, de Bruyne,
Debusseré, C. De Clercq, R. Declercq, de Clippele, Deconinck, De
Cooman, Decoster, le chevalier de Donnéa, Degroeve, De
Delcroix, Delmotte, Mme Delruelle-Ghobert, M. Demuyter,Kerpel,
Mme
De Pauw-Deveen, MM. De Rouck, De Seranno, Desir, De Smeyter,
Deworme, Donnay, Doumont, Draulans, le comte du Monceau de
Bergendal, Egelmeers, Eicher, Férir, Gerits, Gijs, J. Gillet, R. Gillet,
Mmes Godinache-Lambert, Goor-Eyben, MM. Gramme, Grosjean,
Hancke, Mme Hanquet, MM. Hiernaux, Hismans, Houben, Humblet, Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, Kuylen, Lagae, Lagneau,
Lavens, J. Leclercq, R. Leclercq, Lowis, R. Maes, Mainil, Mouton,
Noerens, Nutkewitz, Op 't Eynde, Mme Panneels-Van Baelen, MM.
Paque, Pecriaux, Pede, Edg. Peetermans, J. Peetermans, W. Peeters,
Mme Petry, MM. Poma, Poulain, Poullet, Mme Remy-Oger, MM.
Royen, Rutten, Seeuws, Smeers, Mme Smitt, MM. Sondag, Spitaels,
Mme Staels-Dompas, MM. Thys, Tilquin, M. Toussaint, Trussart,
-
M. le Président. Je mets aux voix l'article 2 ainsi amendé.
Ik breng het geamendeerd artikel 2 ter stemming.
MEDEDELING VAN DE VOORZITTER
COMMUNICATION DE M. LE PRESIDENT
-
De Voorzitter. Dames en heren, hier volgt de uitslag van de
geheime stemming ter aanwijzing van de eerste kandidaat voor het
openstaande ambt van staatsraad.
:
Voici le résultat du scrutin pour la désignation du premier candidat à une place vacante de conseiller d'Etat
Nombre de votants 137.
Aantal stemmenden: 137.
Bulletins blancs ou nuls : 0.
Blanco- of ongeldige stembriefjes : 0.
Votes valables 137.
Geldige stemmen: 137.
:
:
:
Majorité absolue 69.
Volstrekte meerderheid: 69
M. Verschooten obtient 81 suffrages.
De heer Verschooten bekomt 81 stemmen.
M. Lambrechts obtient 38 suffrages.
De heer Lambrechts bekomt 38 stemmen,
Mme De Jaeger obtient 18 suffrages.
Mevrouw De Jaeger bekomt 18 stemmen.
Bijgevolg wordt de heer Verschooten die de volstrekte meerderheid der stemmen heeft, tot eerste kandidaat uitgeroepen.
En conséquence, M. Verschooten ayant obtenu la majorité absolue des suffrages, est proclamé premier candidat.
Wij gaan nu over tot de aanwijzing van de tweede kandidaat.
Nous allons procéder maintenant à la désignation du deuxième
candidat.
Er wordt overgegaan tot de geheime stemming.
Il est procédé au scrutin.
-
-
M. le Président. Le scrutin est clos.
De stemming is gesloten.
conviendra sans doute au Sénat de poursuivre l'examen de son
ordre du jour pendant que les scrutateurs dépouilleront les bulletins.
Il
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
De Senaat zal waarschijnlijk zijn agenda willen voortzetten, terwijl de stemopnemers de stembiljetten nazien. (Instemming.)
Il en sera donc ainsi.
Aldus zal geschieden.
PROPOSITION DE LOI COMPLETANT L'ARTICLE 5, § 1er, DES
LOIS COORDONNEES SUR LA COLLATION DES GRADES
ACADEMIQUES ET LE PROGRAMME DES EXAMENS EN
VUE DE L'ADMISSION AUX DIFFERENTS EXAMENS DES
CANDIDATS
Vote
VOORSTEL VAN WET TOT AANVULLING VAN ARTIKEL 5,
§ 1, VAN DE GECOORDINEERDE WETTEN OP HET TOEKENNEN VAN DE ACADEMISCHE GRADEN EN HET PROGRAMMA VAN DE EXAMENS MET HET OOG OP DE TOEGANG TOT DE VERSCHILLENDE KANDIDAATSEXAMENS
Stemming
1263
Poulain, Mme Remy-Oger, MM. Spitaels, Van Der Niepen et
Wyninckx.
-
M. le Président. Les membres qui se sont abstenus sont priés
de faire connaître les motifs de leur abstention.
Ik verzoek de leden die zich hebben onthouden, de reden van hun
onthouding mede te delen.
-
M. Humblet. Monsieur le Président, le groupe des socialistes et
apparentés s'est abstenu parce qu'est ici traité un petit morceau
d'un problème beaucoup plus vaste qui n'est pas particulièrement
urgent et que nous n'aimons pas ce genre de « saucissonnage ».
-
M. Wyninckx.
-
- me suis abstenu pour les mêmes raisons.
Je
PROJET DE LOI RELATIF AUX ALIMENTS MEDICAMENTEUX POUR ANIMAUX
Vote
M. le Président. - Nous passons au vote de l'ensemble de la proà la collation des grades académiques.
position de loi relative
stemming over het geheel van het voorstel
Wij gaan over tot detoekennen
ONTWERP VAN WET BETREFFENDE GEMEDICINEERDE
DIERVOEDERS
Stemming
- Il
Wij gaan over tot de stemming over het geheel van het ontwerp
van wet betreffende gemedicineerde diervoeders.
La parole est à M. Roland Gillet pour une justification de vote.
M. R. Gillet. Monsieur le Président, je désire justifier mon vote
et celui de mes amis.
Nous regrettons de ne pouvoir voter un projet qui est incomplet,
incertain, et qui entérine le principe scandaleux de l'élevage en batterie.
Pareil projet a des aspects positifs parce que son but essentiel est
protection des consommateurs, mais il est incomplet parce qu'il
la
ne prévoit pas expressément l'interdiction des hormones destinées à
augmenter le poids des animaux. Il est incertain parce que son article 4 laisse à l'exécutif, et au seul exécutif, le soin de déterminer les
principes actifs
donc aucune garantie pour la population sur la nonIl n'y aurad'hormones.
utilisation
De plus, on laisse la réglementation relative
aux antibiotiques, dont on connaît l'usage abusif et les résultats
qu'il entraîne, à la seule discrétion de l'exécutif.
Enfin, nous ne voterons pas ce projet de loi parce qu'il est néfaste
à la santé humaine non seulement par l'abus des procédés médicamenteux, mais aussi par le stress dont sont victimes les animaux élevés en batterie, animaux qui - le fait est prouvé - sont nuisibles
consommateurs. Le gouvernement lui-même l'a d'ailleurs
aux consommateurs.
van de academische graden.
van wet betreffende het
Le vote commence.
De stemming begint.
est procédé au vote nominatif sur l'ensemble de la proposition de loi.
Er wordt tot naamstemming overgegaan over het voorstel van
wet in zijn geheel.
136 membres sont présents.
136 leden zijn aanwezig.
98 votent oui.
98 stemmen ja.
38 s'abstiennent.
38 onthouden zich.
En conséquence, le projet de loi est adopté.
Derhalve is het ontwerp van wet aangenomen.
Il sera transmis à la Chambre des représentants.
Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Ont voté oui :
Hebben ja gestemd:
Califice,
MM. Akkermans, André, Bascour, Bens, Bock, Bossicart,
Capoen, Chabert, Claeys, Clerdent, Coen, Conrotte, Cooreman,
Daems, Dalem, Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Bondt, de
Bruyne, Debusseré, C. De Clercq, R. Declercq, de Clippele, De Cooman, Decoster, le chevalier de Donnéa, De Kerpel, Mme DelruelleGhobert, MM. Demuyter, De Rouck, De Seranno, Doumont, Draulans, le comte du Monceau de Bergendal, Gerits, Gijs, J. Gillet, R.
Gillet, Mmes Godinache-Lambert, Goor-Eyben, M. Gramme, Mmes
Hanquet, Herman-Michielsens, MM. Kuylen, Lagae, Lagneau,
Lavens, Lowis, Mme N. Maes, MM. R. Maes, Mainil, Noerens,
Nutkewitz, Mme Panneels-Van Baelen, MM. Pede, Edg. Peetermans, J. Peetermans, W. Peeters, Poma, Royen, Smeers, Mme Smitt,
M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM. Thys, Tilquin, M. Toussaint, Trussart, Van Daele, Vandekerckhove, Vandenabeele, Van
den Broeck, Vandenhaute, Vanderborght, Van der Elst, Vandermarliere, Vandermeulen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vandezande, Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck, Van Herreweghe, Van
houtte, Van In, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Ooteghem, Van
Rompaey, Van Roye, Verbist, Vermeiren, Waltniel, J. Wathelet,
Weckx, Windels et Leemans.
Se sont abstenus
Hebben zich onthouden
:
MM. Basecq, Boel, Canipel, Mme Coorens, MM. De Baere,
Deconinck, Degroeve, Delcroix, Delmotte, Mme De Pauw-Deveen,
MM. De Smeyter, Deworme, Donnay, Egelmeers, Eicher, Ferir,
Grosjean, Hancké, Hiernaux, Hismans, Houben, Humblet, Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, Lallemand, J. Leclercq, R.
Leclercq, Mouton, Op Eynde, Paque, Pecriaux, Mme Petry, M.
't
-
M. le Président. Nous passons au vote de l'ensemble du projet
de loi relatif aux aliments médicamenteux pour animaux.
-
reconnu dans l'exposé des motifs.
Mesdames, messieurs, je tiens à attirer votre attention sur le danger que présente, pour la santé humaine, le vote d'un projet deà loi
qui laisse subsister autant de risques et autant d'ouvertures la
fraude et à la tricherie. (Applaudissements sur divers bancs.)
-
M. le Président. Le vote commence.
De stemming begint.
est procédé au vote nominatif sur l'ensemble du projet de
loi.
Er wordt tot naamstemming overgegaan over het ontwerp van
wet in zijn geheel.
- Il
137 membres sont présents.
137 leden zijn aanwezig.
125 votent oui.
125 stemmen ja.
10 votent non.
10 stemmen neen.
2 s'abstiennent.
2 onthouden zich.
En conséquence, le projet de loi est adopté.
Derhalve is het ontwerp van wet aangenomen.
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1264
Il sera transmis à la Chambre des représentants.
Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden over-
gezonden.
Ont voté oui :
Hebben ja gestemd:
Akkermans, Andre, Bascour, Basecq, Bens, Bock, Bossicart,
MM.
Califice, Canipel, Chabert, Claeys, Clerdent, Coen, Conrotte, Cooreman, Mme Coorens, MM. Deems, Dalem, Mme De Backer-Van
Ocken, MM. De Baere, De Bondt, de Bruyne, Debussere, C. De
Clercq, R. Declercq, de Clippele, Deconinck, De Cooman, Decoster,
le chevalier de Donnéa, Degroeve, De Kerpel, Delcroix, Delmotte,
Mme Delruelle-Ghobert, MM. Demuyter, De Rouck, De Seranno,
De Smeyter, Deworme, Donnay, Doumont, Draulans, le comte du
Monceau de Bergendal, Egelmeers, Eicher, Férir, Gerits, Gijs, J. Gillet, Mmes Godinache-Lambert, Goor-Eyben, MM. Gramme, Grosjean, Hancké, Mmes Hanquet, Herman-Michielsens, MM. Hiernaux, Houben, Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, Kuylen,
Lagae, Lagneau, Lallemand, Lavens, J. Leclercq, R. Leclercq, Lowis,
Mme N. Maes, MM. R. Maes, Mainil, Mouton, Noerens, Nutkewitz, Op Eynde, Mme Panneels-Van Baelen, MM. Paque,
Pecriaux, Pede, Edg. Peetermans, W. Peeters, Mme Petry, MM.
Poma, Poulain, Mme Remy-Oger, M. Smeers, Mme Smitt, M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM. Thys, Tilquin, M. Toussaint, Van
Daele, Vandekerckhove, Vandenabeele, Van den Broeck, Vandenhaute, Vanderborght, Van der Elst, Vandermarliere, Vandermeulen,
Van Der Niepen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vandezande, Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck, Van Herreweghe, Van houtte, Van
In, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Ooteghem, Van Rompaey,
Verbist, Vermeiren, Waltniel, J. Wathelet, Weckx, Windels,
Wyninckx et Leemans.
Ont voté non
Hebben neen gestemd:
M. Boel, Mme De Pauw-Deveen, MM. Desir, R. Gillet, Hismans,
J. Peetermans, Royen, Seeuws, Trussart et Van Roye.
't
:
:
Hebben zich onthouden :
Se sont abstenus
MM. Humblet et Spitaels.
M. Spitaels. - Monsieur le Président, je voulais émettre un vote
positif.
M. le Président.
- Il vous en est donné acte.
PROJET DE LOI MODIFIANT LES ARTICLES 1er, 14, 115 bis,
147 bis ET 226 DU CODE ELECTORAL
Il sera soumis à la sanction royale.
Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Ont voté oui:
Hebben ja gestemd :
MM. Akkermans, André, Bascour, Basecq, Bens, Bock, Boel, Bossicart, Califice, Canipel, Chabert, Claeys, Clerdent, Coen, Conrotte,
Cooreman, Mme Coorens, MM. Daems, Dalem, Mme De BackerVan Ocken, MM. De Baere, De Bondt, C. De Clercq, R. Declercq,
de Clippele, Deconinck, De Cooman, le chevalier de Donnea,
Degroeve, Kerpel, Delcroix, Delmotte, Mme Delruelle-Ghobert,
De
M. Demuyter, Mme De Pauw-Deveen, MM. De Seranno, Désir, De
Smeyter, Deworme, Donnay, Doumont, le comte du Monceau de
Bergendal, Egelmeers, Eicher, Férir, Gerits, Gijs, J. Gillet, R. Gillet,
Mmes Godinache-Lambert, Goor-Eyben, MM. Gramme, Grosjean,
Hancke, Mme Hanquet, MM. Hiernaux, Hismans, Houben,
Hoyaux, Humblet, Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, Kuylen,
Lagae, Lagneau, Lallemand, Lavens, J. Leclercq, R. Leclercq, MaiMouton, Noerens, Nutkewitz, Op 't Eynde, Mme Panneels-Van
nil,
Baelen, MM. Paque, Pecriaux, Pede, Edg. Peetermans, J. Peetermans, Mme Petry, MM. Poma, Poulain, Mme Remy-Oger, MM.
Royen, Rutten, Seeuws, Smeers, Mme Smitt, MM. Sondag, Spitaels,
Mme Staels-Dompas, MM. Tilquin, M. Toussaint, Trussart, Van
Daele, Vandenabeele, Van den Broeck, Vandenhaute, Vanderborght,
Vandermarliere, Vandermeulen, Van Der Niepen, Vanderpoorten,
Vandersmissen, Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck, Van Herreweghe, Van houtte, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Rompaey,
Van Roye, Verbist, Vermeiren, Waltniel, J. Wathelet, Weckx, Windels, Wyninckx et Leemans.
Ont voté non
Hebben neen gestemd :
MM. Capoen, de Bruyne, Debussere, De Rouck, Draulans, Lowis,
Mme N. Maes, MM. R. Maes, W. Peeters, Thys, Vandekerckhove,
Van In et Van Ooteghem.
:
Se sont abstenus
:
Hebben zich onthouden :
MM. Decoster, Van der Elst et Vandezande.
-
M. le Président. A la suite de ce vote, la proposition de loi
abrogeant l'article 147bis du Code électoral concernant le vote par
procuration vient à tomber.
PROJET DE LOI COMPLETANT LES ARTICLES 3 ET 4 DE LA
LOI COMMUNALE
Vote
Vote
ONTWERP VAN WET TOT WIJZIGING VAN DE ARTIKELEN
1, 14, 115 bis, 147 bis EN 226 VAN HET KIESWETBOEK
Stemming
M. le Président. Nous passons au vote de l'ensemble du projet
de loi relatif à divers articles du Code électoral.
Wij gaan over tot de stemming over het geheel van het ontwerp
van wet betreffende artikelen van het Kieswetboek.
Le vote commence.
est procede au vote nominatif sur l'ensemble du projet de
-
loi.- Il
Er wordt tot naamstemming overgegaan over het ontwerp van
wet in zijn geheel.
139 membres sont présents.
139 leden zijn aanwezig.
123 votent oui.
123 stemmen ja.
13 votent non.
13 stemmen neen.
3 s'abstiennent.
3 onthouden zich.
En conséquence, le projet de loi est adopté.
Derhalve is het ontwerp van wet aangenomen.
ONTWERP VAN WET TOT AANVULLING VAN DE ARTIKELEN 3 EN 4 VAN DE GEMEENTEWET
Stemming
-
M. le Président. Nous passons au vote de l'ensemble du projet
de loi complétant les articles 3 et 4 de la loi communale.
Wij gaan over tot de stemming over het geheel van het ontwerp
van wet tot aanvulling van de artikelen 3 en 4 van de gemeentewet.
Le vote commence.
De stemming begint.
Il est procédé au vote nominatif.
Er wordt tot naamstemming overgegaan.
140 membres sont présents.
140 leden zijn aanwezig.
-
87 votent non.
87 stemmen neen.
50 votent oui.
50 stemmen ja.
3 s'abstiennent.
3 onthouden zich.
En conséquence, le projet de loi n'est pas adopté.
Derhalve is het ontwerp van wet niet aangenomen.
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
:
Ont voté non
Hebben neen gestemd:
MM. Bascour, Basecq, Bock, Boel, Bossicart, Canipel, Capoen,
Clerdent, Coen, Mme Coorens, MM. Daems, De Baere, Debusseré,
R. Declercq, de Clippele, Decoster, le chevalier de Donnéa,
Degroeve, Delcroix, Delmotte, Mmes Delruelle-Ghobert, De PauwDeveen, MM. De Rouck, Desir, De Smeyter, Deworme, Donnay,
Doumont, Draulans, Egelmeers, Eicher, Ferir, J. Gillet, R. Gillet,
Mme Godinache-Lambert, MM. Grosjean, Hancké, Mme HermanMichielsens, MM. Hiernaux, Hismans, Houben, Hoyaux, Humblet,
Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, Lagneau, Lallemand,
Leclercq, R. Leclercq, Lowis, Mme N. Maes, MM. R. Maes, Mouton, Noerens, Op Eynde, Paque, Pecriaux, Pede, Edg. Peetermans,
J. Peetermans, W. Peeters, Mme Petry, MM. Poma, Poulain, Mme
Remy-Oger, MM. Royen, Seeuws, Spitaels, Thys, M. Toussaint,
Trussart, Van Daele, Van den Broeck, Vandenhaute, Vandermarliere, Vandermeulen, Van Der Niepen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Van Herck, Van houtte, Van Ooteghem et Van Roye.
Ont voté oui :
't
Hebben ja gestemd
:
Califice, Chabert, Claeys,
MM. Akkermans, André, Bens,
Conrotte, Cooreman, Dalem,
De
De Backer-Van Ocken,
Mme
MM.
Bondt, de Bruyne, C. De Clercq, Deconinck, De Cooman, De Kerpel, Demuyter, De Seranno, le comte du Monceau de Bergendal,
Gerits, Gijs, Mme Goor-Eyben, M. Gramme, Mme Hanquet, MM.
Kuylen, Lagae, Lavens, Mainil, Mme Panneels-Van Baelen, MM.
Rutten, Smeers, Mme Smitt, M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM.
Tilquin, Vandekerckhove, Vandenabeele, Vanderborght, Vangeel,
Vanhaverbeke, Van Herreweghe, Van In, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Rompaey, Verbist, Waltniel, Weckx, Windels et
Leemans.
Se sont abstenus :
Hebben zich onthouden
:
MM. Nutkewitz, Van der Elst et Vandezande.
M. le Président. Les membres qui se sont abstenus sont priés
de faire connaître les motifs de leur abstention.
Ik verzoek de leden die zich hebben onthouden, de reden van hun
onthouding mede te delen.
De heer Nutkewitz. Mijnheer de Voorzitter, dames en heren,
ik heb mij onthouden om de houding van mijn fractie te verduidelijken.
Wij vinden, gelet op de benarde financiële toestand waarvan sommigen zich nog niet helemaal rekenschap schijnen te geven, dat het
niet nodig is het aantal schepenen overal op te voeren. Wij menen
zullen
-
-
dat de schepenen, met de bevoegdheid die ze hebben, in staat
zijn om hun zaken voldoende te kunnen beredderen.
Wij menen ook dat de ingezetenen, de huidige en de toekomstige,
van mijn stad, Antwerpen, het niet zouden nemen dat door het toevoegen van een nieuwe schepen en de daarmee gepaard gaande onkosten kabinet, medewerkers, auto nieuwe belastingen moeten
worden opgelegd, waartegen wij uiteraard ten zeerste gekant zijn.
De heer Wyninckx. Mijnheer de Voorzitter, wij hebben om de-
-
-
-
zelfde redenen tegen gestemd.
PROJET DE LOI COMPLETANT L'ARTICLE 12, § 1er, 5ºbis,
DES LOIS SUR LA MILICE, COORDONNEES LE 30 AVRIL
1962
Vote
ONTWERP VAN WET TOT AANVULLING VAN ARTIKEL 12,
§ 1, 5ºbis, VAN DE OP 30 APRIL 1962 GECOORDINEERDE
DIENSTPLICHTWETTEN
-
Stemming
M. le Président. Nous passons au vote de l'ensemble du projet
loi relatif à l'article 12, § 1er, 5ºbis, des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962.
Wij gaan over tot de stemming over het geheel van het ontwerp
van
de
wet betreffende artikel 12, § 1, 5ºbis, van de op 30 april 1962
gecoördineerde dienstplichtwetten.
La parole est à M. Roland Gillet pour une justification de vote.
1265
-
M. R. Gillet. Monsieur le Président, je désire justifier mon vote
et celui de mes amis. Nous voterons ce projet de loi parce qu'il est
copie exacte d'une proposition de loi que j'ai eu l'honneur de
la
déposer, avec un certain nombre de collègues, mais qui fut rejetée
en commission pour des raisons qui me restent obscures, puisque le
projet de loi est passé sans la moindre difficulté. Cela me paraît
bizarre.
Je voterai donc ce projet de loi qui, à une exception près, est la
copie de ma proposition. Je fais allusion à l'incroyable discrimination dont vont être victimes les futurs médecins.
Je trouve scandaleux d'exonérer du service militaire tous les pères
de famille à l'exception des futurs médecins. C'est absolument inadmissible.
De heer Van In. U moest ons amendement steunen.
-
-
M. R. Gillet. J'ai voté l'amendement de M. Peeters.
M. le Président. - Le vote commence.
De stemming begint.
est procédé au vote nominatif sur l'ensemble du projet de
loi.- Il
Er wordt tot naamstemming overgegaan over het ontwerp van
wet in zijn geheel.
136 membres sont présents.
136 leden zijn aanwezig.
130 votent oui.
130 stemmen ja.
2 votent non.
2 stemmen neen.
4 s'abstiennent.
4 onthouden zich.
En conséquence, le projet de loi est adopté.
Derhalve is het ontwerp van wet aangenomen.
sera soumis à la sanction royale
Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Il
:
Ont voté oui
Hebben ja gestemd
MM. Akkermans, Andre, Bascour, Basecq, Bens, Bock, Boel, Bossicart, Califice, Canipel, Capoen, Chabert, Claeys, Clerdent, Coen,
Conrotte, Cooreman, Mme Coorens, MM. Daems, Dalem, Mme De
Backer-Van Ocken, MM. De Baere, De Bondt, de Bruyne, Debusseré, C. De Clercq, R. Declercq, de Clippele, Deconinck, De Cooman,
Decoster, le chevalier de Donnéa, Degroeve, De Kerpel, Delcroix,
Delmotte, Mme Delruelle-Ghobert, M. Demuyter, Mme De PauwDeveen, MM. De Rouck, De Seranno, Désir, Deworme, Donnay,
Doumont, Draulans, le comte du Monceau de Bergendal, Eicher,
Férir, Gerits, Gijs, J. Gillet, R. Gillet, Mmes Godinache-Lambert,
Goor-Eyben, MM. Gramme, Grosjean, Hancke, Mmes Hanquet,
Herman-Michielsens, MM. Hiernaux, Hismans, Houben, Hoyaux,
Humblet, Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, Kuylen, Lagae,
Lagneau, Lallemand, Lavens, J. Leclercq, R. Leclercq, Lowis, Mme
Maes, Mainil, Mouton, Noerens, Nutkewitz, Op
N. Maes, MM. R.
Eynde, Mme Panneels-Van Baelen, MM. Paque, Pecriaux, Pede
'tEdg.
Peetermans, J. Peetermans, Mme Pétry, MM. Poma, Poulain,
Mme Remy-Oger, MM. Rutten, Smeers, Mme Smitt, MM. Sondag,
Spitaels, Mme Staels-Dompas, MM. Thys, Tilquin, M. Toussaint,
Van Daele, Vandenabeele, Van den Broeck, Vandenhaute, Vanderborght, Van der Elst, Vandermarliere, Vandermeulen, Van Der NieVandersmissen, Vangeel, Vanhaverbeke, Van
pen, Vanderpoorten,
Herck, Van Herreweghe, Van houtte, Van In, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Ooteghem, Van Rompaey, Verbist, Vermeiren,
Waltniel, J. Wathelet, Weckx, Windels et Leemans.
Ont voté non
:
Hebben neen gestemd :
MM. W. Peeters et Vandekerckhove.
Se sont abstenus :
Hebben zich onthouden
MM. Royen, Trussart, Vandezande et Van Roye.
:
M. le Président. - Les membres qui se sont abstenus sont priés
de faire connaître les motifs de leur abstention.
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1266
Ik verzoek de leden die zich hebben onthouden, de reden van hun
onthouding mede te delen.
-
M. Van Roye. Monsieur le Président, nous désirons justifier
notre abstention.
En réalité, nous ne sommes pas opposés à l'idée qu'on puisse dispenser des pères de famille de leur service militaire. Au contraire,
nous trouvons que c'est la une excellente chose.
Cependant, nous ne voyons pas pourquoi, seule la catégorie des
pères de famille mariés peut bénéficier de la dispense. En effet, certains célibataires ont des charges de famille, par exemple ceux qui
ont adopté des enfants et qui s'en occupent. Nous estimons qu'ils
devraient être sur pied d'égalité avec les pères de famille mariés.
PROJET DE LOI MODIFIANT L'ARTICLE 83 DE LA LOI DU 5
AOUT 1978 DE REFORMES ECONOMIQUES ET BUDGETAIRES
Vote
ONTWERP VAN WET TOT WIJZIGING VAN ARTIKEL 83
VAN DE WET VAN 5 AUGUSTUS 1978 HOUDENDE ECONOMISCHE EN BUDGETTAIRE HERVORMINGEN
Stemming
passons au vote de l'ensemble du projet
M. le Président. - Nous
83 de la loi du 5 août 1978 de réformes écode loi relatif à l'article
nomiques et budgétaires.
Wij gaan over tot de stemming over het geheel van het ontwerp
van 5 augustus 1978
van
betreffende
83 van de
wet
artikel
wet
houdende economische en budgettaire hervormingen.
Le vote commence.
De stemming begint.
est procédé au vote nominatif sur l'ensemble du projet de
-
loi. Il
Er wordt tot naamstemming overgegaan over het ontwerp van
wet in zijn geheel.
138 membres sont présents.
138 leden zijn aanwezig.
92 votent oui.
92 stemmen ja.
45 votent non.
45 stemmen neen.
1 s'abstient.
1 onthoudt zich.
En conséquence, le projet de loi est adopté.
Derhalve is het ontwerp van wet aangenomen.
Il sera soumis à la sanction royale
Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Ont vote oui:
Hebben ja gestemd
MM. Akkermans, Andre, Bascour, Bens, Bock; Bossicart, Califice,
Capoen, Chabert, Claeys, Clerdent, Coen, Conrotte, Cooreman,
Daems, Dalem, Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Bondt, de
Bruyne, Debusseré, C. De Clercq, R. Declercq, de Clippele, De Cooman, Decoster, le chevalier de Donnéa, De Kerpel, Mme DelruelleGhobert, MM. De Rouck, De Seranno, Doumont, Draulans, le
comte du Monceau de Bergendal, Gerits, Gijs, J. Gillet, Mme Godinache-Lambert, M. Gramme, Mmes Hanquet, Herman-Michielsens,
MM. Kuylen, Lagae, Lagneau, Lavens, Lowis, Mme N. Maes, MM.
R. Maes, Noerens, Nutkewitz, Mme Panneels-Van Baelen, MM. Pede, Edg. Peetermans, W. Peeters, Poma, Poullet, Rutten, Smeers,
Mme Smitt, M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM. Thys, Tilquin,
Toussaint, Trussart, Van Daele, Vandekerckhove, Vandenabeele,
M.
Van den Broeck, Vandenhaute, Vanderborght, Van der Elst, Vandermarliere, Vandermeulen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck, Van Herreweghe, Van houtte, Van
Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Ooteghem, Van Rompaey,
In,
Verbist, Vermeiren, Waltniel, J. Wathelet, Weckx, Windels et
Leemans.
:
Ont voté non :
Hebben neen gestemd
MM. Basecq, Boel, Canipel, Mme Coorens, MM. De Baere, Deconinck, Degroeve, Delcroix, Delmotte, Mme De Pauw-Deveen,
MM. Desir, De Smeyter, Deworme, Donnay, Egelmeers, Eicher, FéR. Gillet, Grosjean, Hancke, Hiernaux, Hismans, Houben,
rir,
Hoyaux, Humblet, Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, Lallemand, J. Leclercq, R. Leclercq, Mouton, Op Eynde, Paque, Pecriaux, J. Peetermans, Mme Petry, M. Poulain, Mme Remy-Oger,
Royen, Seeuws, Spitaels, Van Der Niepen, Van Roye
MM.
Wyninckx.
't
S'est abstenu
:
ct
Heeft zich onthouden:
M. Vandezande.
PROJET DE LOI PORTANT RATIFICATION DE L'ARRETE
ROYAL DU 26 MARS 1982 REGLANT CERTAINES MODALITES ET CONSEQUENCES DE LA FUSION DES COMMUNES
D'ANVERS, BERCHEM, BORGERHOUT, DEURNE, EKEREN,
HOBOKEN, MERKSEM ET WILRIJK EN UNE NOUVELLE
COMMUNE D'ANVERS
Vote
ONTWERP VAN WET HOUDENDE BEKRACHTIGING VAN
HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 26 MAART 1982 HOUDENDE REGELING VAN ZEKERE MODALITEITEN EN GEVOLGEN VAN DE SAMENVOEGING VAN DE GEMEENTEN
ANTWERPEN, BERCHEM, BORGERHOUT, DEURNE, EKEREN, HOBOKEN, MERKSEM EN WILRIJK TOT EEN NIEUWE GEMEENTE ANTWERPEN
Stemming
-
M. le Président. Nous passons au vote de l'ensemble du projet
de loi relatif à la ratification de l'arrêté royal du 26 mars 1982
réglant certaines modalités et conséquences de la fusion des communes d'Anvers, Berchem, Borgerhout, Deurne, Ekeren, Hoboken,
Merksem et Wilrijk en une nouvelle commune d'Anvers.
Wij gaan over tot de stemming over het geheel van het ontwerp
van wet betreffende bekrachtiging van het koninklijk besluit van 26
maart 1982 houdende regeling van zekere modaliteiten en gevolgen
van de samenvoeging van de gemeenten Antwerpen, Berchem, Borgerhout, Deurne, Ekeren, Hoboken, Merksem en Wilrijk tot een
nieuwe gemeente Antwerpen.
Het woord is aan de heer Wyninckx.
-
De heer Wyninckx. Mijnheer de Voorzitter, wij zullen tegen
dit ontwerp stemmen zoals wij zes jaar geleden ook tegen de fusie
van Groot-Antwerpen hebben gestemd.
M. le Président. - Le vote commence.
De stemming begint.
est procédé au vote nominatif sur l'ensemble du projet de
portant ratification de l'arrêté royal du 26 mars 1982 réglant
loi
certaines modalités de la fusion des communes d'Anvers, Berchem,
Borgerhout, Deurne, Ekeren, Hoboken, Merksem et Wilrijk.
Er wordt tot naamstemming overgegaan over het ontwerp van
wet in zijn geheel.
136 membres sont présents.
136 leden zijn aanwezig.
- Il
74 votent oui.
74 stemmen ja.
59 votent non.
59 stemmen neen.
3 s'abstiennent.
3 onthouden zich.
En conséquence, le projet de loi est adopté.
Derhalve is het ontwerp van wet aangenomen.
Il sera soumis à la sanction royale.
Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
Ont voté oui :
Hebben ja gestemd
MM.
:
Akkermans, Andre, Bascour, Bens, Bock, Boel, Bossicart,
Califice, Chabert, Claeys, Coen, Conrotte, Cooreman, Daems, Dalem, Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Bondt, de Bruyne, C.
De Clercq, R. Declercq, De Cooman, Decoster, le chevalier de Donnea, De Kerpel, Mme Delruelle-Ghobert, MM. De Seranno, Doumont, le comte du Monceau de Bergendal, Gerits, Gijs, Mme GoorEyben, M. Gramme, Mmes Hanquet, Herman-Michielsens, MM.
Kuylen, Lagae, Lavens, Mainil, Noerens, Nutkewitz, Mme PahneelsVan Baelen, MM. Pede, Edg. Peetermans, Poma, Poullet, Rutten,
Smeers, Mme Smitt, M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM. TilVandenhaute,
quin, Van Daele, Vandenabeele, Van den Broeck,Vanderpoorten,
Vanderborght, Vandermarliere, Vandermeulen,
Vandersmissen, Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck, Van Herreweghe, Van houtte, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Rompaey,
Verbist, Vermeiren, Waltniel, Weckx, Windels et Leemans.
Ont voté non
Hebben neen gestemd
MM. Basecq, Canipel, Capoen, Mme Coorens, MM. De Baere,
Debusseré, de Clippele, Deconinck, Degroeve, Delcroix, Delmotte,
Mme De Pauw-Deveen, MM. De Rouck, Desir, De Smeyter, Deworme, Donnay, Draulans, Egelmeers, Eicher, Ferir, J. Gillet, R.
Gillet, Grosjean, Hancke, Hiernaux, Hismans, Houben, Hoyaux,
Humblet, Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, Lallemand, J. Leclercq, R. Leclercq, Lowis, Mme N. Maes, MM. R. Maes, Mouton,
Op 't Eynde, Paque, Pecriaux, J. Peetermans, W. Peeters, Mme Pétry, M. Poulain, Mme Remy-Oger, MM. Royen, Seeuws, Spitaels,
Thys, Trussart, Vandekerckhove, Van Der Niepen, Van In, Van Ooteghem, Van Roye Wyninckx.
et
Se sont abstenus
Hebben zich onthouden
:
MM. M. Toussaint, Van der Elst et Vandezande.
Les membres qui se sont abstenus sont priés
M. le Président. - motifs
de faire connaître les
de leur abstention.
Ik verzoek de leden die zich hebben onthouden, de reden van hun
onthouding mede te delen.
La parole est à M. Michel Toussaint.
M. M. Toussaint. - J'ai paire avec M. Dehousse, monsieur le
President.
PROJET DE LOI RECTIFIANT LA LIMITE ENTRE LES COMMUNES D'EKEREN ET DE KAPELLEN
Vote
ONTWERP VAN WET TER VERWEZENLIJKING VAN EEN
GRENSCORRECTIE TUSSEN DE GEMEENTE EKEREN EN
DE GEMEENTE KAPELLEN
Stemming
M. le Président. - Nous passons au vote de l'ensemble du projet
de loi rectifiant la limite entre les communes d'Ekeren et de
Kapellen.
Wij gaan over tot de stemming over het geheel van het ontwerp
van wet ter verwezenlijking van een grenscorrectie tussen de gemeente Ekeren en de gemeente Kapellen.
Le vote commence.
De stemming begint.
est procédé au vote nominatif sur l'ensemble du projet de
loi rectifiant la limite entre les communes d'Ekeren et de Kapellen.
Er wordt tot naamstemming overgegaan over het ontwerp van
wet ter verwezenlijking van een grenscorrectie tussen de gemeente
Ekeren en de gemeente Kapellen, in zijn geheel.
138 membres sont présents.
138 leden zijn aanwezig.
- Il
130 votent oui.
130 stemmen ja
8 s'abstiennent.
8 onthouden zich.
1267
En conséquence, le projet de loi est adopté.
Derhalve is het ontwerp van wet aangenomen.
à la sanction royale
Il sera soumis
Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Ont voté oui
:
Hebben ja gestemd
MM. Akkermans, André, Bascour, Basecq, Bens, Bock, Boel, Bossicart, Califice, Canipel, Capoen, Chabert, Claeys, Clerdent, Coen,
Conrotte, Cooreman, Mme Coorens, MM. Daems, Dalem, Mme De
Backer-Van Ocken, MM. De Baere, De Bondt, de Bruyne, Debusseré, C. De Clercq, R. Declercq, de Clippele, Deconinck, De Cooman,
Decoster, le chevalier de Donnea, Degroeve, De Kerpel, Delcroix,
Delmotte, Mme Delruelle-Ghobert, M. Demuyter, Mme De PauwDeveen, MM. De Rouck, De Seranno, De Smeyter, Donnay, Doumont, Draulans, le comte du Monceau de Bergendal, Egelmeers, Eicher, Ferir, Gerits, Gijs, J. Gillet, Mme Godinache-Lambert, MM.
Gramme, Grosjean, Hancke, Mmes Hanquet, Herman-Michielsens,
MM. Hiernaux, Hismans, Houben, Hoyaux, Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, Kuylen, Lagae, Lagneau, Lallemand, Lavens, J
Leclercq, R. Leclercq, Lowis, Mme N. Maes, MM. R. Maes, Mouton, Noerens, Nutkewitz, Op Eynde, Mme Panneels-Van Baelen,
MM. Paque, Pecriaux, Pede, Edg. Peetermans, W. Peeters, Mme Pétry, MM. Poma, Poulain, Poullet, Mme Remy-Oger, MM. Rutten,
Seeuws, Smeers, Mme Smitt, MM. Sondag, Spitaels, Mme StaelsDompas, MM. Thys, Tilquin, Van Daele, Vandekerckhove, Vandenabeele, Van den Broeck, Vandenhaute, Vanderborght, Van der Elst,
Vandermarliere, Vandermeulen, Van Der Niepen, Vanderpoorten,
Vandersmissen, Vandezande, Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck,
Van Herreweghe, Van houtte, Van In, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Ooteghem, Van Rompaey, Verbist, Vermeiren, Waltniel,
J. Wathelet, Weckx, Windels, Wyninckx et Leemans.
't
Se sont abstenus
:
Hebben zich onthouden:
MM. Désir, R. Gillet, Humblet, J. Peetermans, Royen, M. Toussaint, Trussart et Van Roye.
M. le Président. Les membres qui se sont abstenus sont pries
de faire connaître les motifs de leur abstention.
Ik verzoek de leden die zich hebben onthouden, de reden van hun
-
onthouding mede te delen.
M. Van Roye. - Nous nous sommes abstenus parce que ce pro-
jet concerne essentiellement les habitants de la région intéressée et
doit dépendre de leur seule décision. Nous sommes par ailleurs
opposés à la création de grandes entités. C'est pourquoi c'est un
problème dont nous ne voulons pas avoir connaissance.
M. le Président. - La parole est à M. Roland Gillet.
M. R. Gillet. - Je me suis abstenu parce que nous ne connaissons pas bien les limites de ces communes qui appartiennent à une
autre région.
PROJET DE LOI AJUSTANT LE BUDGET DU MINISTERE DES
COMMUNICATIONS DE L'ANNEE BUDGETAIRE 1981
PROJET DE LOI AJUSTANT LE BUDGET DU MINISTERE DE
L'EMPLOI ET DU TRAVAIL DE L'ANNEE BUDGETAIRE
1981
Vote
ONTWERP VAN WET HOUDENDE AANPASSING VAN DE BEGROTING VAN HET MINISTERIE VAN VERKEERSWEZEN
VOOR HET BEGROTINGSJAAR 1981
ONTWERP VAN WET HOUDENDE AANPASSING VAN DE BEGROTING VAN HET MINISTERIE VAN TEWERKSTELLING
EN ARBEID VOOR HET BEGROTINGSJAAR 1981
-
Stemming
M. le Président. Je propose au Sénat de se prononcer par un
seul vote sur l'ensemble de ces projets de loi.
Ik stel de Senaat voor één enkele stemming te houden over deze
ontwerpen van wet. (Instemming.)
-- Parlementaire Handelingen
Sénat
1268
Senaat
Annales parlementaires
Nous passons au vote.
De stemming begint.
est procédé au vote nominatif sur l'ensemble des projets de
loi.- Il
Er wordt tot naamstemming overgegaan over de ontwerpen van
wet in hun geheel.
141 membres sont présents.
141 leden zijn aanwezig.
79 votent oui.
79 stemmen ja.
20 votent non.
20 stemmen neen.
42 s'abstiennent
42 onthouden zich.
En conséquence, les projets de loi sont adoptés.
Derhalve zijn de ontwerpen van wet aangenomen.
Le premier sera transmis à la Chambre des représentants.
Het eerste zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden
overgezonden.
Le second sera soumis à la sanction royale
Het tweede zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
Ont voté oui
Hebben ja gestemd :
MM. Akkermans, André, Bascour, Bens, Bock, Bossicart, Califice,
Chabert, Claeys, Clerdent, Coen, Conrotte, Cooreman, Daems, Dalem, Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Bondt, C. De Clercq, R.
Declercq, De Cooman, Decoster, le chevalier de Donnéa, De Kerpel,
Mme Delruelle-Ghobert, MM. Demuyter, De Seranno, Doumont, le
comte du Monceau de Bergendal, Gerits, Gijs, J. Gillet, Mmes Godinache-Lambert, Goor-Eyben, M. Gramme, Mmes Hanquet, Herman-Michielsens, MM. Kuylen, Lagae, Lagneau, Lavens, Mainil,
Noerens, Nutkewitz, Mme Panneels-Van Baelen, MM. Pede, Edg.
Peetermans, Poma, Poullet, Rutten, Smeers, Mme Smitt, M. Sondag,
Mme Staels-Dompas, MM. Tilquin, M. Toussaint, Van Daele, Vandenabeele, Van den Broeck, Vandenhaute, Vanderborght, Vandermarliere, Vandermeulen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vangeel,
Vanhaverbeke, Van Herck, Van Herreweghe, Van houtte, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van Rompaey, Verbist, Vermeiren, Waltniel,
J. Wathelet, Weckx, Windels et Leemans.
:
Ont voté non
Hebben neen gestemd:
MM. Capoen, de Bruyne, Debusseré, de Clippele, De Rouck, Désir, Draulans, R. Gillet, Lowis, Mme N. Maes, MM. R. Maes, J.
Peetermans, W. Peeters, Royen, Thys, Trussart, Vandekerckhove,
Van In, Van Ooteghem et Van Roye.
Se sont abstenus
:
:
Hebben zich onthouden
MM. Basecq, Boel, Canipel, Mme Coorens, MM. De Baere, Deconinck, Degroeve, Delcroix, Delmotte, Mme De Pauw-Deveen,
MM. De Smeyter, Deworme, Donnay, Egelmeers, Eicher, Férir,
Grosjean, Hancké, Hiernaux, Hismans, Houben, Hoyaux, Humblet,
Jandrain, Mme Julliams, MM. Knuts, Lallemand, J. Leclercq, R.
Leclercq, Mouton, Op Eynde, Paque, Pecriaux, Mme Petry, M.
Poulain, Mme Remy-Oger, MM. Seeuws, Spitaels, Van der Elst,
Van Der Niepen, Vandezande et Wyninckx.
't
VOORSTEL VAN DE VOORZITTER
PROPOSITION DE M. LE PRESIDENT
-
De Voorzitter. Wij moeten nu stemmen over de moties ingediend tot besluit van de interpellatie van de heer Hancké tot de mi-
nister van Sociale Zaken en Institutionele Hervormingen. De indieners van beide ingediende moties hebben mij verzocht de stemming
hierover uit te stellen tot de openbare vergadering die over veertien
dagen zal plaatsvinden, omdat zij nog verder overleg wensen te plegen. Mag ik aannemen dat de Senaat het hiermede eens is? (Instemming.)
Dan is hiertoe besloten.
Il en sera donc ainsi.
INTERPELLATIE VAN DE HEER DESIR TOT DE EERSTE MINISTER OVER HET ONTWERP VAN EUROPEES HANDVEST VOOR DE PLAATSELIJKE AUTONOMIE AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE VOOR DE STRUCTUREN EN
DE FINANCIEN VAN DE CONFERENTIE VAN DE PLAATSELIJKE EN REGIONALE BESTUREN VOOR DE RAAD VAN
EUROPA EN DE AFWEZIGHEID VAN VERTEGENWOORDIGERS VAN HET BRUSSELSE GEWEST IN HET AMBTENARENCOMITE VOOR DE EUROPESE CONFERENTIE VAN DE
MINISTERS VAN DE RUIMTELIJKE ORDENING »
Stemming over de eenvoudige motie
.
INTERPELLATION DE M. DESIR AU PREMIER MINISTRE SUR
« LE PROJET DE CHARTE EUROPEENNE DE L'AUTONOMIE LOCALE ADOPTEE PAR LA COMMISSION DES STRUCTURES ET DES FINANCES DE LA CONFERENCE DES POUVOIRS LOCAUX ET REGIONAUX DU CONSEIL DE L'EUROPE ET L'ABSENCE DE REPRESENTANTS DE LA REGION
BRUXELLOISE AU SEIN DU COMITE DES HAUTS FONCTIONNAIRES DE LA CONFERENCE EUROPEENNE DES
MINISTRES RESPONSABLES DE L'AMENAGEMENT DU
TERRITOIRE »
Vote sur l'ordre du jour pur et simple
-
De Voorzitter. Dames en heren, tot besluit van de interpellatie
van de heer Désir tot de Eerste minister over « het ontwerp van Europees Handvest voor de plaatselijke autonomie en de afwezigheid
van vertegenwoordigers van het Brusselse Gewest in het Ambtenarencomité voor de Europese Conferentie van de ministers van de
Ruimtelijke Ordening >> werden twee moties ingediend.
Mesdames, messieurs, deux ordres du jour ont été déposés en
conclusion de l'interpellation de M. Désir au Premier ministre sur
« le projet de Charte européenne de l'autonomie locale et l'absence
de représentants de la Région bruxelloise au sein du comité des
hauts fonctionnaires de la Conférence européenne des ministres responsables de l'Aménagement du Territoire ».
De ene, de eenvoudige motie, door de heer Van Herreweghe,
luidt:
«
De Senaat,
Gehoord de interpellatie van de heer Desir en het antwoord van
de minister,
Gaat over tot de orde van de dag. »
« Le Sénat,
Ayant entendu l'interpellation de M. Désir et la réponse du
ministre,
Passe à l'ordre du jour. »
De andere, door de heer R. Gillet, luidt
« De Senaat,
Gehoord de interpellatie van de heer Désir en het antwoord van
de Vice-Eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en
Openbaar Ambt,
Eist dat kennis gegeven wordt van het advies dat' de vertegenwoordigers van de Belgische regering op de Conferentie van Lugano
aan hun Europese partners zullen verstrekken, ten einde het Handvest van de plaatselijke en gewestelijke autonomie zonder beperking
te kunnen aannemen. »
« Le Sénat,
Ayant entendu l'interpellation de M. Désir et la réponse du VicePremier ministre et ministre de l'Intérieur et de la Fonction
:
publique,
Exige de connaître l'avis que les représentants du gouvernement
belge à la Conférence de Lugano donneront à leurs partenaires
européens de manière que nous puissions adopter sans restriction la
Charte de l'autonomie locale et regionale. >>
La parole est à M. Désir.
-
M. Desir. Monsieur le President, d'abord comme l'a fait tout à
l'heure notre collègue, M. Peeters, je deplore d'avoir du développer
mon interpellation, y a quinze jours, devant un hémicycle clair-
il
semé.
Je voudrais ensuite, pour que nul n'en ignore, non pas reprendre
l'essentiel de cette interpellation mais insister sur l'importance du
vote que nous allons émettre. En effet, s'agit de la Charte euro-
il
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
péenne des pouvoirs locaux et régionaux. Nous voudrions connaître
de la façon la plus claire les intentions du gouvernement en ce qui
concerne la Conférence de Lugano, en octobre prochain, où nous
allons devoir adhérer, c'est-à-dire suivre tous les avis exprimés jusqu'ici par nos représentants au Conseil de l'Europe.
Je rappelle qu'une commission fonctionne depuis des années, où
tous les intervenants, quelle que soit leur appartenance politique,
ont toujours donné leur adhésion à cette commission, sans aucune
hésitation. Ces positions nous ont été rappelées dernièrement par
notre ancien collègue, M. Lucien Harmegnies.
C'est dans ce sens que je demande un vote positif à propos d'un
point essentiel pour notre pays intégré à l'Europe, c'est-à-dire une
certaine conception de l'autonomie locale et régionale.
-
M. le Président. Monsieur Désir, je dois vous rappeler que
notre règlement est très clair nous devons nous prononcer sur l'ordre du jour pur et simple qui bénéficie de la priorité.
Nous passons au vote.
Wij gaan over tot de stemming.
est procédé au vote nominatif sur l'ordre du jour pur et
simple.
Er wordt tot naamstemming overgegaan over de eenvoudige
motie.
139 membres sont présents.
139 leden zijn aanwezig.
:
- Il
79 votent oui.
79 stemmen ja.
58 votent non.
58 stemmen neen.
2 s'abstiennent.
2 onthouden zich.
En conséquence, l'ordre du jour pur et simple est adopté.
Derhalve is de eenvoudige motie aangenomen.
Ont voté oui
:
Hebben ja gestemd:
MM. Akkermans, André, Bascour, Bens, Bock, Bossicart, Califice,
Chabert, Claeys, Clerdent, Coen, Conrotte, Cooreman, Daems,
Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Bondt, C. De Clercq, R.
Declercq, de Clippele, De Cooman, Decoster, le chevalier de Donnea, De Kerpel, Mme Delruelle-Ghobert, MM. Demuyter, De
Seranno, Doumont, le comte du Monceau de Bergendal, Gerits,
Gijs, J. Gillet, Mmes Godinache-Lambert, Goor-Eyben, M.
Gramme, Mmes Hanquet, Herman-Michielsens, MM. Kuylen,
Lagae, Lagneau, Lavens, Mainil, Noerens, Nutkewitz, Mme Panneels-Van Baelen, MM. Pede, Edg. Peetermans, Poma, Poullet, Rutten, Smeers, Mme Smitt, M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM.
Tilquin, M. Toussaint, Van Daele, Vandenabeele, Van den Broeck,
Vandenhaute, Vanderborght, Vandermarliere, Vandermeulen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck,
Van Herreweghe, Van houtte, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van
Rompaey, Verbist, Vermeiren, Waltniel, J. Wathelet, Weckx, Windels et Leemans.
:
Ont voté non
Hebben neen gestemd :
MM. Basecq, Boel, Canipel, Capoen, Mme Coorens, MM. De
Baere, de Bruyne, Debusseré, Deconinck, Degroeve, Delcroix, Delmotte, Mme De Pauw-Deveen, MM. De Rouck, Désir, De Smeyter,
Donnay, Draulans, Egelmeers, Eicher, Ferir, R. Gillet, Grosjean,
Hancké, Hiernaux, Hismans, Houben, Hoyaux, Humblet, Jandrain,
Mme Julliams, MM. Knuts, Lallemand, J. Leclercq, R. Leclercq,
Lowis, Mme N. Maes, MM. R. Maes, Mouton, Op Eynde,
Paque, Pecriaux, J. Peetermans, W. Peeters, Mme Petry, M. Poulain,
Mme Remy-Oger, MM. Royen, Seeuws, Spitaels, Thys, Trussart,
Vandekerckhove, Van Der Niepen, Van In, Van Ooteghem, Van
't
Roye et Wyninckx.
Se sont abstenus
Hebben zich onthouden
MM. Van der Elst et Vandezande.
:
--
Ann. parl. Sénat Session ordinaire 1981-1982
Parlem. Hand. Senaat Gewone zitting 1981-1982
1269
INTERPELLATIE VAN DE HEER TRUSSART (TOESTEMMING
VOOR DE INWERKINGSTELLING VAN DE KERNCENTRALE TIHANGE II) TOT DE VICE-EERSTE MINISTER EN
MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN OPENBAAR
AMBT, TOT DE MINISTER VAN TEWERKSTELLING EN ARBEID EN TOT DE STAATSSECRETARISSEN VOOR ENERGIE
EN VOOR VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU
Stemming over de eenvoudige motie
INTERPELLATION DE M. TRUSSART (AUTORISATION DE
MISE EN FONCTIONNEMENT DE LA CENTRALE
NUCLEAIRE DE TIHANGE II) AU VICE-PREMIER MINISTRE
ET MINISTRE DE L'INTERIEUR ET DE LA FONCTION
PUBLIQUE, AU MINISTRE DE L'EMPLOI ET DU TRAVAIL
ET AUX SECRETAIRES D'ETAT A L'ENERGIE ET A LA
SANTE PUBLIQUE ET A L'ENVIRONNEMENT
Vote sur l'ordre du jour pur et simple
De Voorzitter. Dames en heren, tot besluit van de interpellatie
van de heer Trussart tot de Vice-Eerste minister en minister van
Binnenlandse Zaken en van het Openbaar Ambt, tot de minister
van de Tewerkstelling en de Arbeid en tot de staatssecretarisser
voor Energie en Openbare Gezondheid en Leefmilieu, werden twee
moties ingediend.
Mesdames, messieurs, deux ordres du jour ont été déposés en
conclusion de l'interpellation de M. Trussart au Vice-Premier miniset ministre de l'Intérieur et de la Fonction publique, au ministre
tre
de l'Emploi et du Travail et aux secrétaires d'Etat à l'Energie et à la
Santé publique et à l'Environnement.
De ene, de eenvoudige motie door de heer Van Herreweghe,
luidt :
« De Senaat,
Gehoord de interpellatie van de heer Trussart en het antwoord
van de staatssecretaris voor Volksgezondheid en Leefmilieu,
Gaat over tot de orde van de dag. »
« Le Sénat,
Ayant entendu l'interpellation de M. Trussart et la réponse du
secrétaire d'Etat à la Santé publique et à l'Environnement,
-
Passe à l'ordre du jour. »
De andere, door de heren Trussart, Van Roye, mevrouw JortayLemaire en de heer Royen, luidt :
« De Senaat,
Gehoord de interpellatie van de heer Trussart en het antwoord
van de staatssecretaris voor Volksgezondheid en Leefmilieu,
Is van oordeel dat de regering dringend haar besluit moet intrekken, waarbij zij op 28 mei jongstleden vergunning heeft gegeven om
de kerncentrale Tihange II in bedrijf te nemen. »
«
Le Sénat,
Ayant entendu l'interpellation de M. Trussart et la réponse du
secrétaire d'Etat à la Santé publique et à l'Environnement,
Estime que le gouvernement doit rapporter d'urgence sa décision
par laquelle a autorisé, le 28 mai dernier, la mise en fonctionnement de la centrale nucléaire de Tihange II. »
Overeenkomstig ons reglement stemmen wij over de eenvoudige
motie die de voorrang heeft
Conformément à notre règlement, nous votons sur l'ordre du jour
pur et simple qui bénéficie de la priorité.
Il est procédé au vote nominatif.
Er wordt tot naamstemming overgegaan.
il
-
136 membres sont présents.
136 leden zijn aanwezig.
77 votent oui.
77 stemmen ja.
57 votent non.
57 stemmen neen.
2 s'abstiennent.
2 onthouden zich.
En conséquence, l'ordre du jour pur et simple est adopté.
Derhalve is de eenvoudige motie aangenomen.
169
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1270
Ont voté oui:
Hebben ja gestemd:
MM. Akkermans, Andre, Bascour, Bens, Bock, Bossicart, Califice,
Chabert, Claeys, Clerdent, Coen, Conrotte, Cooreman, Daems,
Dalem, Mme De Backer-Van Ocken, MM. De Bondt, C. De Clercq,
R. Declercq, de Clippele, De Cooman, Decoster, le chevalier de
Donnea, De Kerpel, Mme Delruelle-Ghobert, MM. De Seranno,
Doumont, Gerits, Gijs, J. Gillet, Mmes Godinache-Lambert, GoorEyben, M. Gramme, Mmes Hanquet, Herman-Michielsens, MM.
Kuylen, Lagae, Lagneau, Lavens, Mainil, Noerens, Nutkewitz, Mme
Panneels-Van Baelen, MM. Pede, Edg. Peetermans, Poma, Poullet,
Rutten, Mme Smitt, M. Sondag, Mme Staels-Dompas, MM. Tilquin, M. Toussaint, Van Daele, Vandenabeele, Van den Broeck,
Vandenhaute, Vanderborght, Vandermarliere, Vandermeulen, Vanderpoorten, Vandersmissen, Vangeel, Vanhaverbeke, Van Herck,
Van Herreweghe, Van houtte, Van Nevel, Vannieuwenhuyze, Van
Rompaey, Verbist, Vermeiren, Waltniel, J. Wathelet, Weckx, Windels et Leemans.
Hebben neen gestemd :
MM. Basecq, Boel, Canipel, Capoen, Mme Coorens, MM. De
Baere, de Bruyne, Debusseré, Deconinck, Degroeve, Delcroix, Delmotte, Mme De Pauw-Deveen, MM. De Rouck, Désir, De Smeyter,
Donnay, Draulans, Egelmeers, Eicher, Ferir, R. Gillet, Grosjean,
Hancké, Hiernaux, Hismans, Houben, Hoyaux, Humblet, Jandrain,
Mme Julliams, MM. Knuts, Lallemand, J. Leclercq, R. Leclercq,
Lowis, Mme N. Maes, MM. R. Maes, Mouton, Op Eynde,
Paque, Pecriaux, J. Peetermans, W. Peeters, Mme Pétry, M.'tPoulain,
Mme Remy-Oger, MM. Royen, Spitaels, Thys, Trussart,
Vandekerckhove, Van
Van
Der Niepen,
Se sont abstenus
:
In, Van Ooteghem, Van
Hebben zich onthouden:
MM. Van der Elst et Vandezande.
COMMUNICATION DE M. LE PRESIDENT
MEDEDELING VAN DE VOORZITTER
-
M. le Président. Mesdames, messieurs, voici le résultat du scrutin pour la désignation du deuxième candidat à une place vacante
de conseiller d'Etat
Nombre de votants 133
Aantal stemmenden: 133
Bulletins blancs ou nuls 8
Blanco- of ongeldige stembriefjes : 8
Votes valables: 125
Geldige stemmen: 125
Majorité absolue: 63
Volstrekte meerderheid: 63
:
:
:
M. Lambrechts obtient 107 suffrages.
De heer Lambrechts bekomt 107 stemmen.
Mme De Jaeger obtient 18 suffrages.
Mevrouw De Jaeger bekomt 18 stemmen.
En conséquence, M. Lambrechts, ayant obtenu la majorité absolue des suffrages, est proclamé deuxième candidat.
Bijgevolg wordt de heer Lambrechts, die de volstrekte meerderheid der stemmen heeft bekomen, tot tweede kandidaat uitgeroepen.
Etant donné qu'il ne reste qu'un seul candidat, le Sénat sera sans
doute d'accord pour ne pas procéder au scrutin. En conséquence
Mme De Jaeger est proclamée troisième candidat.
Daar slechts een kandidaat overblijft zal de Senaat wellicht akkoord gaan om geen derde stemming te houden. Bijgevolg wordt
mevrouw De Jaeger tot derde kandidaat uitgeroepen.
sera donné connaissance de ces présentations au ministre de
l'Intérieur et au premier président du Conseil de L'Etat.
Van deze voordracht zal kennis worden gegeven aan de minister
van Binnenlandse Zaken en aan de eerste voorzitter van de Raad
Il
van State.
BOUWEN VAN ZEESCHEPEN
Beraadslaging en stemming over het enig artikel
PROJET DE LOI MODIFIANT LA LOI DU 23 AOUT 1948, TENDANT A ASSURER LE MAINTIEN ET LE DEVELOPPEMENT
DE LA MARINE MARCHANDE ET DE LA PECHE MARITIME, ET INSTITUANT A CES FINS UN FONDS DE L'ARMEMENT ET DES CONSTRUCTIONS MARITIMES
Discussion et vote de l'article unique
-
De Voorzitter. Aan de orde is de bespreking van het ontwerp
Nous abordons l'examen du projet de loi modifiant la loi du 23
août 1948.
De algemene beraadslaging is geopend.
La discussion générale est ouverte.
Het woord is aan de rapporteur.
De heer R. Maes, rapporteur. Mijnheer de Voorzitter, heren
ministers, geachte collega's, ik kan in hoofdzaak naar het gedrukt
verslag verwijzen dat alle collega's ontvangen hebben, maar ik kom
toch een paar minuten op het podium om ook mondeling nog een
bijkomende poging te doen om een blijkbaar hardnekkig misvervan wet tot wijziging van de wet van 23 augustus 1948.
Ont voté non:
Roye et Wyninckx.
ONTWERP VAN WET TOT WIJZIGING VAN DE WET VAN 23
AUGUSTUS 1948, STREKKENDE TOT HET IN STAND HOUDEN EN HET UITBREIDEN VAN DE KOOPVAARDIJ- EN DE
VISSERSVLOOT EN HOUDENDE. INSTELLING, TE DIEN
EINDE, VAN EEN FONDS VOOR HET UITREDEN EN AAN-
-
stand, een verkeerde opvatting, uit de wereld te helpen.
Men maakt de jongste jaren in dit land veel vergelijkingen inzake
allerlei inkomsten en uitgaven en op zichzelf is dat niet slecht. Men
mag daarbij alleen, zoals men ons dat vroeger op de lagere school al
leerde, geen appelen met citroenen mengen. In klare taal wil dit, in
verband met het huidig wetsontwerp, zeggen dat men de kredieten
ter beschikking gesteld van het Fonds voor de scheepsbouw niet gelijk mag stellen met voor de Staat verloren kapitaaltoelagen, of zogezegd terugvorderbare voorschotten waarvan iedereen weet dat ze
nooit gerecupereerd zullen worden.
Zelfs wanneer in verband met de activiteiten van het thans besproken Fonds sprake is van staatswaarborg in bepaalde gevallen,
moet men weten dat er dan vrij soliede waarborgen bestaan en er
tot nu toe, in lengte van jaren, slechts een paar zeer kleine
verliesposten zijn geweest. De staatswaarborg is in dit geval dus duidelijk niet te vergelijken met bepaalde andere situaties, waarin de
kans dat de Staat als borgsteller moet tussenkomen laat mij het
vriendelijk zeggen - zeer reëel is.
Wat hier echt ten laste van de Staat valt, zijn de intrest-bijpassingen die de laatste paar jaar opgelopen zijn tot zowat 300 miljoen en
men mag zich dus niet blind staren op het plafond van 40 miljard
werkingskredieten van het Fonds.
Laat mij tenslotte nog eens bevestigen dat de investeringen van
privé-zijde in dit kredietmechanisme reëel en voortdurend zijn, en
dat van het totaal van alle investeringen samen, te weten van privézijde plus leningen van het Fonds en van de Nationale Maatschappij
voor Krediet aan de Nijverheid, voor een totaal van zowat 70 miljard sedert einde 1948, ongeveer 40 pct. naar leveringen uit Wallonië is gegaan. Ziedaar wat ik meende bij deze gelegenheid nog eens
te moeten beklemtonen. (Applaus op de banken van de Volksunie.)
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Hancké.
-
-
-
De heer Hancke. Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de minister,
geachte collega's, de Belgische koopvaardij komt uit een scherpe crisisperiode. De gevolgen van de economische crisis van 1974 af deden zich in 1977 scherp gevoelen in de koopvaardij. Waar de Belgische handelsvloot gemiddeld sedert zowat een vijftig jaar 100 sche
pen telde, werden er in de eerste maanden van 1978 plots een twintigtal hetzij opgelegd, hetzij verkocht, dit als gevolg van de crisis,
die de vrachtenmarkt op een catastrofale wijze deed ineenstorten.
De rederijen lieten weten dat het opleggen van een schip beterkoop
was dan het in vaart houden en zij raamden toen de dagelijkse opbrengst op 46 000 frank. Gevolg was ook een scherpe en dramatische daling van de werkgelegenheid, die met één derde afnam en
daalde van 2148 naar 1 427. Dat alles betekende niet dat de rederijen daarom zwaar verlies leden; zij verlegden hun activiteiten alleen van de scheepvaart onder Belgische vlag naar gecharterde schepen onder vreemde vlag.
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
Toch is het duidelijk dat zelfs als deze crisis de rederijen niet in
de eerste plaats trof, ze zware en nefaste gevolgen had en de toekomst zwaar zou kunnen hypothekeren. Over de gevolgen op het
vlak van de werkgelegenheid hebben we al uitgeweid. Maar ook op
het vlak van de betalingsbalans waren de gevolgen merkbaar. Een
groter deel van onze uitvoer en invoer gebeurde nu onder vreemde
vlag, wat een uitvoer van deviezen betekende op het ogenblik dat
het evenwicht op de betalingsbalans begon verstoord te worden.
Men moet zich overigens voor ogen houden dat de Belgische handelsvloot in schrille wanverhouding staat tot het Belgisch aandeel in
de wereldhandel en tot de Belgische maritieme in- en uitvoer. Minder dan 6 procent van het Belgisch zeevervoer gebeurt onder Belgische vlag, voor ruwe olie zelfs minder dan 4 pct. Op die wijze
wordt onze maritieme aanvoer vooral door het buitenland verricht,
dat daarvoor ook betaald wordt ten nadele van onze betalingsba-
lans, terwijl een aanzienlijke potentiële tewerkstelling zodoende
wordt geëxporteerd.
De Belgische reders maakten in maart 1978 een alarmplan bekend, waarvan het belangrijkste onderdeel was dat gestreefd werd
naar een vermindering van de loonkosten, voornamelijk door vermindering van het aantal bemanningsleden op de schepen. Het
alarmplan bevatte ook een verzoek tot staatstussenkomst voor de
bouw van nieuwe schepen en een pleidooi voor een nieuw afschrijvingsregime lonen en delgingen behoren nu eenmaal tot de veruit
belangrijkste posten in de exploitatie van schepen.
Einde 1978 heeft het Ministerieel Comité voor Economische en
Sociale Coördinatie een aantal maatregelen getroffen. Dit alarmplan
van de regering bepaalde
1. Voor nieuwbouw op Belgische werven kunnen voorlopig kredieten worden toegestaan op basis van 80 pct. van de overeengekomen kostprijs van het schip, terug te betalen tegen een interestenlast
van 1 pct. in vijftien jaar, de eerste terugbetaling van kapitaal twee
jaar na de aflevering van het betrokken schip.
2. Per besteld schip mag een tweedehandsschip onder Belgische
vlag worden gebracht onder volgende voorwaarden :
a) De aankoopprijs moet worden gerechtvaardigd en aanvaardbaar zijn voor de Staat;
b) Een krediet zal worden toegekend van 70 pct. van de aankoopprijs terug te betalen in vijftien jaar min de leeftijd van het
schip (tot een maximum van tien jaar) tegen een interestenlast van 4
pct. met eerste terugbetaling van kapitaal één jaar na het onder Belgische vlag brengen van het schip.
Buiten deze investeringssubsidies werden ook exploitatiesubsidies
toegekend met ingang van 1 juli 1979 op basis van het verschil van
de kostprijs van de lonen volgens de Belgische wetgeving en de International Transport Federation, toen geraamd op 14 miljoen voor
een schip met een verplichte bemanning van 19 man. Die exploitatiesubsidies werden afgenomen van de reserves van de vereniging
Onderlinge Zeeverzekering en Oorlogsrisico's, de zogenaamde Vozor, die op 1 maart 1979 werd geliquideerd en waarvan de reserves
ruim 850 miljoen beliepen.
Daarbij past het aan te geven dat de vakbonden zich bereid hebben verklaard de normen van scheepsbemanning te verminderen en
zij hebben op die wijze een essentiële bijdrage geleverd om de scherpe crisis in de Belgische scheepvaart te boven te komen.
Minister Chabert stelde begin 1979 ook in het vooruitzicht dat na
uitputting van de reserves van Vozor de nodige kredieten zouden
worden ingeschreven op de staatsbegroting om de verdere uitbetaling van exploitatiesubsidies en investeringssubsidies tot 31 december 1981 mogelijk te maken. Met dien verstande nochtans - zo
schreef hij dat de subsidies beschouwd moeten worden als terugvorderbare renteloze voorschotten in toepassing van de wet van 23
augustus 1948 en waarvan de terugbetaling echter in gemeenschappelijk overleg tussen regering en rederijen en rekening houdend met
de financiële mogelijkheden van deze laatste zal worden overwogen.
De staatstussenkomst werd verder geplafonneerd op 200 000 frank
per arbeidsplaats. Tenslotte stelde de minister ruim drie jaar geleden
nieuwe besprekingen in het vooruitzicht voor de situatie na 1981.
Het alarmplan dat de laatste drie jaar werd uitgevoerd heeft een
gunstige uitwerking gehad, zoals u overigens beklemtoond hebt in
de commissie en zoals ik dat ook heb teruggevonden in het verslag
van collega Maes. De crisis is ongeveer overwonnen. Het aantal
schepen is gestegen van 80 in december 1976, jaarlijks respectievelijk tot 81, 88, 94, 97 en 105 eenheden. Hun brutoregisterton steeg
van 1 362 000 tot meer dan twee miljoen. Voegen wij er onmiddellijk aan toe, om de relativiteit van deze gegevens in het licht te stellen, dat de wereldhandelsvloot zowat uit 40 000 schepen België
heeft er 100 bestaat, wat 400 miljoen brutoregisterton vertegenwoordigt. Voor België is dat 2 miljoen brutoregisterton.
-
:
-
-
-
1271
De verhoging van het plafond van het Fonds voor het uittreden
ken. De verhoging van 30 tot 40 miljard is daarvan een nieuwe
daterend van
illustratie, te meer omdat plafond van 30
en aanbouwen van zeeschepen is in de laatste jaren snel opgetrok-
het
miljard,
30 december 1980, inmiddels reeds doorboord werd en verwacht
kan worden dat de 40 miljard in de loop van 1983 reeds ontoereikend zullen zijn. Er zijn overigens op 1 januari 1982, 29 nieuwe
schepen in aanbouw met een totaal laadvermogen van 1 250 000
ton.
Er is dus onbetwistbaar in de afgelopen jaren een belangrijke inspanning geleverd. Maar de vraag rijst daarom des te dringender:
wat is de regering voornemens in de toekomst te ondernemen ? Het
alarmplan is voorbij, de reserves van Vozor zijn uitgeput. Betekent
dit dat de regering wil terugvallen op de wet van 23 augustus 1948
om de expansie van de handelsvloot te behartigen en daarvoor alleen op dit instrument rekent? Of voorziet zij thans en in de toekomst staatstegemoetkomingen op haar begroting? Zo ja, onder
welke voorwaarden ?
Er mag inderdaad niet uit het oog worden verloren dat deze dynamische sector, waar de technologische revoluties elkaar snel opvolgen, voor alles behoefte heeft aan stabiliteit in de vooruitzichten
op steun en subsidies, die hem kunnen worden aangereikt. De reders pleiten opnieuw voor een regeling op lange termijn, die hun
toelaat een beleid uit te stippelen en uit te voeren, waarin vaste elementen zijn gewaarborgd.
Ik ben daarom zo vrij, mijnheer de minister, u drie aanbevelingen
voor te leggen: ten eerste, durf ik aandringen op de uitwerking van
een tweede alarmplan op lange termijn, dat bijvoorbeeld voor tien
of vijftien jaar zou gelden. Ik weet dat reeds besprekingen hebben
plaatsgehad tussen het departement, de reders en de vakbonden,
maar zij hebben tot dusver tot geen overeenstemming geleid. Nochtans mag niet uit het oog worden verloren dat de effecten van het
eerste alarmplan slechts tijdelijk dreigen te zijn. Er heerst opnieuw
een hoge werkloosheid in de sector: 11 pct. van de schepelingen
zijn cp het ogenblik werkloos als gevolg van de afvoer van sommige
schepen, het vervangen van bestaande schepen door grotere eenheden en het uitblijven van schepen die hadden moeten worden afgewerkt op Cockerill-Yards. Een nieuw alarmplan moet het mogelijk
maken dat nieuwe bestellingen op de werven worden geplaatst. De
reders beweren dat zij concurrentieel kunnen varen indien zij kunnen lenen tegen een interestvoet van 3 pct. Rekening houdend met
de macro-economische weerslag van deze bestellingen tewerkstelling op de werven en op de toeleveringsbedrijven en de weerslag op
de handelsbalans gaat het om een beleid, dat een grote bijdrage
kan leveren tot het rechttrekken van een aantal structurele onevenwichten, die de regering beweert te willen verhelpen.
Tweede aanbeveling. Er zou bovendien een beleid moeten worden
uitgewerkt waardoor de scheepsverladers sterker dan in het verleden
kunnen worden gedwongen gebruik te maken van de handelsvloot
onder Belgische vlag. Met de bestaande vloot werden verleden jaar
32 miljard deviezen verzekerd. Een uitbouw van de vloot en een intensiever gebruik ervan kan die toevoer van deviezen sterk bevorderen. Het streefdoel op korte termijn zou moeten zijn dat ten minste
tien procent van het Belgisch maritiem vervoer onder Belgische vlag
-
-
zou gebeuren.
Derde aanbeveling. Tenslotte zou de regering alleszins meer dan
in het verleden grote aandacht moeten besteden aan de internationale zeevaartregelingen om de wijdverbreide dumpingpraktijken, ook
opzicht, te helpen indijken. Er zijn nog tal van internatioinnalesociaal
conventies, die door het Parlement zouden moeten worden
goedgekeurd - en het zou best zijn daarmee niet lang meer te
wachten. Bovendien kan de Belgische regering een actieve rol spelen
op internationale bijeenkomsten, waar die regelingen worden uitgewerkt.
De heer Basecq, eerste ondervoorzitter, treedt als voorzitter op
Mijn fractie is het dus eens met het wetsontwerp. Zij spreekt echter ook de wens uit dat de regering snel een samenhangend beleid
op lange termijn zou uitwerken en daarbij rekening zou houden met
de drie aanbevelingen, die ik zojuist heb geformuleerd. Op een en
ander zullen we overigens bij de bespreking van de begroting van
Verkeerswezen in de komende maanden en jaren met nadruk terugkomen. We hopen dat de regering op korte termijn een aantal fundamentele en bevredigende antwoorden zal uitwerken. (Applaus op
de socialistische banken.)
De Voorzitter. Het woord is aan minister De Croo.
-
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1272
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik
dank de verslaggever, senator Maes, voor de degelijkheid waarmede
in de commissie heeft weergegeven.
hij de interessante besprekingen
De Senaat zal ook weten dat wij, met toestemming van de voorzitter van de commissie, aan de collega's senatoren leden van de commissie voor de Infrastructuur een aantal bijkomende documenten
hadden verzonden ter voorbereiding van onze besprekingen. Ik dank
de verslaggever daar allusie te hebben op gemaakt in zijn verslag.
De heer Hancké moet ik insgelijks mijn appreciatie betuigen voor
de interessante suggesties die hij heeft gedaan en de interessante ontledingen die hij heeft gemaakt. Hij heeft kunnen vaststellen dat ik
daar, zoals trouwens heel de Senaat, gunstig op heb gereageerd.
De heer Maes heeft nog een aantal bijkomende opmerkingen gemaakt die de moeite lonen te worden aangehaald. Ik wil tevens
voor de Senaat zeer bondig het essentiele herhalen van het mechanisme van deze zeer interessante en voor onze economie gunstige
-
wet.
Het systeem is relatief eenvoudig. Het bestaat erin tegelijkertijd
een borg en een lening te geven. Deze laatste is per definitie terugbe-
taalbaar en wordt tegen gunstige voorwaarden verstrekt. Deze dubbele benadering veronderstelt natuurlijk aan de andere zijde dat de
schepen op de werven in ons land worden gebouwd en onder Belgische vlag zullen worden uitgebaat. Dit zijn de vier elementen waaruit blijkt dat de wet van 1948, toen zij werd goedgekeurd en gedurende de periode dat zij werd toegepast, gerechtvaardigd was en gerechtvaardigd blijft.
Laat ons deze elementen zeer kort hernemen. Aan de ene kant
hebben wij een fonds dat zichzelf stijft. De vraag rijst echter waarom het plafond van dat fonds regelmatig, en de jongste tijd steeds
vlugger, moet worden opgetrokken. Het antwoord op deze vraag is
eenvoudig. De schaalvergroting van de schepen enerzijds en de zuigkracht van de scheepswerven op de arbeidsmarkt anderzijds, zijn de
hoofdoorzaken van die noodzakelijke optrekking. Wij weten inderdaad, dat de jongste jaren, ten einde aan de enorme concurrentie en
aan de technologische veranderingen in de scheepsbouw het hoofd
te kunnen bieden, schepen met steeds groter tonnenmaat en bijgevolg met steeds hogere kostprijs worden gebouwd. Daar de afbetaling van het fonds grotendeels gebaseerd is op destijds kleiner gebouwde schepen, heeft dit tot gevolg dat het fonds minder vlug
wordt aangevuld dan het tempo waartegen uitgaven moeten worden
gedaan. Het komt er dus op neer dat de schaalvergroting van de
schepen met zich meebrengt, dat men meer geld nodig heeft om
nieuwe schepen te bouwen dan de opbrengst van de afbetalingen
van de schepen die in de vaart zijn. Het is één van de belangrijke
oorzaken van de behoefte het plafond van het fonds regelmatig op
te trekken. Hoever dit zal evolueren weet niemand. Helaas, weet
men voor sommige scheepswerven niet hoever de bouwmogelijkheid
nog zal strekken. Er komt wel een moment dat de ruimere bedragen
van de schepen die nu worden gebouwd, zullen kunnen worden
benut.
Hoe werkt, in grote lijnen, de procedure en het systeem? In tegenstelling met sommige buurlanden, wordt in België geen steun
verleend aan de scheepswerven, maar wel aan de scheepsbouwer,
aan de reder. De scheepsbouwer biedt voor een aantal technische
commissies en mits de nodige onderzoeken, het project aan voor het
bouwen van een schip met een bepaalde scheepswerf. Hij vraagt op
het bedrag dat het schip gaat kosten een steun die normaal 75 à 80
pct. of meer bedraagt en waarvoor hij een gunstige rentetoeslag kan
genieten. Het bouwen van een schip duurt van 12 tot 18 maanden,
naargelang van de volume en omvang van het schip. Volgens de gegeven procedure worden de bedragen vrijgemaakt, wanneer het
schip is afgewerkt en twee jaar na het in de vaart brengen, beginnen
de terugbetalingen, gewoonlijk in gelijke schijven verdeeld over 15
jaar. Het fonds wordt opnieuw gestijfd met de terugbetalingen van
de in de vaart zijnde schepen. Ondertussen moet de reder zelf het
gedeelte financieren waarvoor hij geen lening heeft gekregen evenals
de kosten die nog overblijven.
Men kan vragen stellen over de waarborgen die de gemeenschap
heeft inzake het benutten van deze fondsen. In de eerste plaats hebben we een eersterangshypotheek op het schip zelf. Wanneer bijvoorbeeld het schip zou worden vervreemd, komt er een aflossingssysteem vrij en kan het fonds zich bedienen van deze bedragen en
het uitstaande saldo recupereren.
Een derde belangrijke doelstelling van dit wetsontwerp
het
werd ook door de heer Hancké onderstreept is het percentage
van de onder Belgische vlag vervoerde goederen in de koopvaardijvloot te doen stijgen. Dit percentage is op het ogenblik zeer klein. Ik
wil niet in de Senaat tot vervelens toe herhalen dat in vergelijking
met vergelijkbare landen ik spreek niet over de landen die kunst-
-
-
-
-
matig goederen onder hun eigen vlag vervoeren ons land op dit
vlak een slechte beurt maakt. Het percentage dat daarstraks werd
aangehaald moet enigszins worden gerelativeerd omdat een belangrijk gedeelte van onze buitenlandse handel met andere methodes
dan met de koopvaardijvloot wordt in- of uitgevoerd. Nochtans is
het percentage te laag en moet een inspanning worden gedaan vooral in een periode ik vraag hiervoor de speciale aandacht van de
Senaat waarin meer en meer het accent wordt gelegd op de deviezenbalans en de kostprijs van de verscheping van in en uit te voeren goederen.
Een vierde element ter verdediging van dit ontwerp is dat indien
geen steun geven aan de werven, zij in nog grotere moeilijkhewij
den zullen komen. Wij hebben reeds de ervaring gehad met Cockerill-Yards in Hoboken. Er blijft daar een groot relikaat af te werken
en de overnemingsprocedure met de nieuwe maatschappij is aan de
gang. Zonder deze wet en de kredieten die daardoor zullen vrijkomen, kan de in faling gegane werf zich niet meer opwerken en de 4
schepen voltooien die nog op stapel staan, en kan de overblijvende
werf van Temse niet worden uitgerust om nieuwe bestellingen te
ontvangen. Ik heb trouwens in de dokumentatie die ik aan de leden
van de commissie van de Senaat heb gegeven een aantal elementen
opgesomd die, als Kamer en Senaat hiermee akkoord kunnen gaan,
benut zullen worden voor het optrekken van de plafonds. Een aannieuwe dossiers staan op stapel. Eerstdaags zullen ze worden betal
handeld door de gepaste organen. Het betreft onder meer bestellingen van de rederij CMB bij Boelwerf te Temse, die met zich zullen
brengen dat een bepaalde continuïteit in de scheepsbouw kan worden verwacht.
Men kan dit een verkeerde oplossing vinden, wanneer men rekening houdt met het feit dat, bijvoorbeeld in Zuid-Korea, men dezelfde schepen kan laten bouwen tegen een kostprijs die slechts 60 pct.
bedraagt van de kostprijs in België. Oppervlakkig en op het eerste
gezicht kan men misschien redeneren dat het gunstiger zou zijn dergelijke bestellingen in het goedkoper buitenland te plaatsen. Dan
vergeet men echter drie voorname factoren. Ten eerste, de deviezenbalans waarvan ik heb gesproken en die in de moeilijke tijden, die
onze munt heeft ondergaan en misschien nog zal ondergaan, een belangrijke rol speelt. Ten tweede, ik herhaal het argument van de
heer Hancké wij zouden onze koopvaardijvloot, varend onder Belgische vlag, niet of onvoldoende vernieuwen, wat macro-economisch
een groot nadeel zou zijn. Ten derde, is er het aanzienlijk kapitaal
van de bestaande werven dat op de helling wordt gezet, misschien
voor conjuncturele maar niet voor structurele redenen, en wanneer
men deze bestellingen uit het land zou laten gaan, zouden wij in een
crisisperiode de structuur afbreken werf, ambachtslui, kaders
die wij misschien op nuttige wijze zouden kunnen gebruiken in een
nabije toekomst want ook in Zuid-Korea kunnen de zaken zeer vlug
verkeren.
Dit brengt mee dat leningen tegen gunstige voorwaarden aan de
rederijen moeten worden toegekend, als het ware om het verschil in
kostprijs uit te vlakken. Willen wij aan de reders de mogelijkheid
geven een schip in ons land te laten bouwen, zijn wij wel verplicht
een dergelijke lening toe te staan zodat het verschil in kostprijs opgevangen wordt door een systeem van uitgestelde of gefractioneerde
terugbetalingen en van aanzienlijke interestbonificatie.
De heer Hancké stelde dat men zou moeten komen tot een interest van 3 pct. Ik probeer de last voor de reders hoger te brengen.
van
In de onderhandelingen die aan de gang zijn voor de bouw
nieuwe schepen, zal vermoedelijk de interestlast finaliter ten laste
van de reders hoger zijn dan 3 pct. omdat ik langs de ene kant verwacht dat de reders een maximale inspanning zullen doen en, langs
de andere kant, om de begroting en het Fonds zo weinig mogelijk te
belasten. Ik hoop dat wij deze oplossing zullen bereiken, wetend dat
een niet onbelangrijk element is. Inderdaad, indien de reders
dit
zoals sommige Hollandse reders hun bezouden geneigd zijn
stellingen in Zuid-Korea te plaatsen, zouden ze voor liquiditeitsproblemen komen te staan ingevolge de voorafbetalingen.
Ik verduidelijk. Wanneer de kostprijs van een schip door 100 kan
worden voorgesteld, lenen wij daarvan 80, wat de thesaurie van een
rederij aanzienlijk vergemakkelijkt omdat ze maar een klein deel eigen kapitaal moet mobiliseren. Wanneer men dit schip elders laat
bouwen voor 60, moet de rederij echter vooraf 30, 40 tot 50 betalen zonder enige leningssteun, zodat veel meer eigen kapitaal moet
worden gemobiliseerd. Deze toestand heeft ons toegelaten tijdens de
onderhandelingen een hogere rentelast te bedingen dan de 3 pct.
waarvan de heer Hancké sprak.
Ik heb hier enkele ogenblikken willen blijven bij stilstaan omdat
men moet weten dat, zoals de heer Maes het in zijn randbemerkingen bij het verslag heeft gesignaleerd, het niet gaat om geld dat à
fonds perdu wordt gestort.
-
-
:
-
-
-
-
-
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
Il est évident que l'utilisation de ces montants ne peut figurer
dans une balance qui serait éventuellement communautarisée ou régionalisée.
Il s'agit, en effet, d'un système de prêt, dont nous avons l'assurance qu'il sera remboursé, et qui consiste en une bonification d'intérêts dont la balance macro-économique j'ai cité tout à l'heure
les devises est favorable pour l'ensemble de la nation. En effet,
malgré le relèvement du plafond, nous bénéficierons à un moment
donné de rentrées substantielles grâce à des remboursements importants. Par ailleurs, cette année déjà, et semestriellement à partir de
l'an prochain, certains remboursements, négociés par une clause
dollar à 30 francs belges, nous procureront des rentrées non négli-
-
-
geables.
Enfin, la construction navale belge fait appel pour 40 p.c. de son
matériel à des industries situées dans toutes les régions de notre
pays, mais davantage à celles situées au Sud.
Je dis cela bien clairement afin que dans les comptes que certains
croient devoir faire, on ne confonde pas, comme l'a dit M. Maes,
les pommes et les citrons.
Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil tenslotte even terugkomen op de opmerkingen van de heer Hancké. Hij heeft zeer
degelijk het alarmplan van mijn geachte voorganger, de heer Chabert, uiteengezet.
Het alarmplan was een bijkomende inspanning in verband met de
wet van 1948 en had een dubbel doel. Het liet toe de interestlast te
verlagen door een bijkomende renteloze steun van iets meer dan
1 pct. aan de reders. Het gaf een soort exploitatietegemoetkoming
om het verschil te dekken tengevolge van een exploitatie onder Belgische vlag, die duurder is dan om het even welke vlag.
Mevrouw N. Maes. De Belgische vlag is een dure vlag.
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie. U bent meer bedreven in vlaggen dan ikzelf,
mevrouw. De cijfers in dit verband wekken verbazing. Indien een
schip vaart onder Belgische vlag, met bijvoorbeeld een bemanning
van 25 personen, komt het tienduizenden franken per dag duurder
dan wanneer het vaart onder een Belgische kapitein met een buitenlandse bemanning.
-
-
De heer Leemans treedt opnieuw als voorzitter op
Het is een gevolg van de sociale voordelen die in ons land worden
toegekend. Daarom had men een systeem uitgedacht waardoor een
soort exploitatietoelage, geplafonneerd per bemanningslid, wordt
verleend. Men heeft daarvoor een beroep gedaan op een aantal
fondsen, zoals het fonds dat werd aangehaald. Men heeft die inspanning kunnen doen tot 30 juni 1980. Maar voor de drie volgende semesters, de tweede helft van het jaar 1980 en de eerste en
tweede helft van 1981, was dat niet meer het geval.
U hebt gevraagd hoe de regering deze situatie zou oplossen. Sommigen menen dat er vanwege de regering een formele belofte werd
gedaan. Indien men de teksten nauwkeurig ontleedt, is er natuurlijk
geen beperking van de financiële mogelijkheden. Maar vermits de
vaste bedragen die konden worden aangewend geplafonneerd zijn,
mag men niet zeggen dat er een verbintenis was vanwege de regering om dat alarmplan nog na 30 juni 1980 uit te voeren.
Een gedeelte van het alarmplan, namelijk de verhoging van de
renteloze steun tot 90 pct ., kan dossier per dossier worden onderzocht. Bij mijn weten echter wordt er thans minder aangedrongen
op verlenging van het alarmplan.
Het is wel eigenaardig dat juist die scheepswerven in faling zijn
waar leningen werden toegestaan tegen iets meer dan 1 pct. De
scheepswerven daarentegen waar het alarmplan niet van toepassing
was, bestaan vandaag nog steeds.
Ik trek daaruit geen conclusies, maar meen dat, in abstracto, het
alarmplan als dusdanig niet de redding heeft gebracht.
In de procedure van het alarmplan is onderhandelingsmogelijkheid ingeschreven. Ik ben vanzelfsprekend bereid om na te gaan
waar de reële noden liggen waarvoor een oplossing in de vorm van
toelage, kan worden gevonden.
Wij moeten vaststellen dat men in geen enkele Belgische industriële tak eventuele toelagen links, mijnheer Hancké, of rechts, mijnheer
Maes, laat liggen wanneer ze beschikbaar zijn. Maar, hoe het ook
zij, ik wil met grote omzichtigheid de dossiers onderzoeken.
Mijnheer Hancké, het is interessant om de rol van de verladers
eens van nabij te bekijken.
Een groot deel van de trafiek van de koopvaardij ligt in handen
van de verladers en niet van de reders.
1273
Het havenbeleid in ons land berust op de klassieke liberale
grondslag.
Ik zie hier op sommige banken de Antwerpse en de Zeebrugse havenbelangen broederlijk verenigd zitten. Dat neemt echter niet weg
dat inzake havenpolitiek de voordelen voor elke haven grondig worden afgewogen. Van overheidswege kan echter moeilijk op de verladers druk worden uitgeoefend wat betreft de keuze van de haven
om de Belgische koopvaardij te begunstigen. Er mag niet uit het oog
worden verloren dat Belgische schepen meestal deel uitmaken van
een kringloop, waaraan niet zonder meer kan worden geraakt zonder verstrekkende gevolgen.
Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik vraag u om verontschuldiging dat ik hier niet alles heb gezegd wat over dit probleem
kan worden gezegd. Ik wil hier alleen nog aan toevoegen dat de
commissie voor de Infrastructuur met eenparigheid de plafondverhoging heeft aangenomen. U weet dat wij dubbel bevoegd zijn,
enerzijds door de wetgever wat betreft het absolute plafond en anderzijds door de Ministerraad die bevoegd is voor het toekennen
van sommige specifieke schijven.
Het is een goed ontwerp van wet en ik meen dat de Senaat een
mooie economische inspanning levert met het aan te nemen. Wij
blijven altijd bereid om zowel in als buiten de commissie eventuele
verdere toelichting te verstrekken.
Het ontwerp is een mijlpaal in het streven om onze koopvaardijvloot en derhalve onze economische toestand, te verbeteren. (Applaus op de banken van de meerderheid.)
M. le Président. Plus personne ne demandant la parole dans la
discussion générale, je la déclare close.
Vraagt niemand meer het woord in de algemene beraadslaging?
Zo neen, dan verklaar ik ze voor gesloten.
L'article unique du projet de loi est ainsi rédigé
Article unique. A l'article 6 de la loi du 23 août 1948 tendant à
assurer le maintien et le développement de la marine marchande, de
et
la pêche maritime et instituant à ces fins un Fonds de13l'armement
des constructions maritimes, modifie par les lois du juillet 1971
et du 30 décembre 1980, les alinéas 1er et 2 sont remplacés par les
dispositions suivantes
« Le Fonds est alimenté par des dotations annuelles, inscrites au
budget extraordinaire. Le montant global est fixé à 40 milliards de
-
:
francs.
Au-dessus d'une première tranche de 37 milliards de francs, le
montant de la dotation ne peut être affecté au « Fonds » que par
arrêté royal délibéré en Conseil des ministres par une tranche de
trois milliards de francs. »
Enig artikel. In artikel 6 van de wet van 23 augustus 1948 strekkende tot het in stand houden en het uitbreiden van de koopvaardijen de vissersvloot, en houdende instelling, te dien einde, van een
Fonds voor het uitreden en aanbouwen van zeeschepen, gewijzigd
bij de wetten van 13 juli 1971 en 30 december 1980, worden het
eerste en het tweede lid door de volgende bepalingen vervangen:
« Het Fonds wordt gestijfd door jaarlijkse dotaties die op de buitengewone begroting worden uitgetrokken. Het gezamenlijk bedrag
ervan wordt vastgesteld op 40 miljard frank.
Boven een eerste tranche van 37 miljard frank mag het bedrag
van de dotatie voor het « Fonds »> slechts bestemd worden bij een in
Ministerraad overlegd koninklijk besluit met een tranche van drie
miljard frank. »
Adopté.
Aangenomen.
De Voorzitter. Wij stemmen morgen over het ontwerp van wet
in zijn geheel.
Il sera procédé demain au vote sur l'ensemble du projet de loi.
-
-
VOORSTEL VAN RESOLUTIE VAN MEVROUW N. MAES C.S.
BETREFFENDE DE GEVANGEN GEHOUDEN ZAIRESE PARLEMENTSLEDEN
MAES ET
PROPOSITION DE RESOLUTION DE MME
CONSORTS CONCERNANT LE SORT DES PARLEMENTAIRES ZAIROIS ACTUELLEMENT DETENUS.
De Voorzitter. Aan de orde is het voorstel van resolutie van
mevrouw Maes c.s ., dat luidt:
« De Belgische Senaat, uit bekommernis en zorg om het lot van de
gevangen Zaïrese parlementsleden, doet een oproep tot het Zaïrese
N.
-
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1274
staatshoofd hen de kans te geven in vrijheid hun taak als parlementslid uit te oefenen. »
«Le Sénat de Belgique, grandement préoccupé du sort des parlementaires zaïrois actuellement détenus, fait appel au chef de l'Etat
du Zaïre pour qu'il leur rende la possibilité d'exécuter leur mandat
au Parlement en toute liberté. »
Dit voorstel is ondertekend door mevrouw Maes, de heer Royen,
mevrouw Staels-Dompas, de heren François, Carpels, Hoyaux, Lepaffe, Noerens en mevrouw Deiruelle.
Het woord is aan mevrouw Nelly Maes
-
Mevrouw N. Maes. Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de minister, geachte collega's, het voorstel van resolutie dat wij vandaag
aan de Senaat ter goedkeuring willen voorleggen heeft een zeer beperkte draagwijdte en een duidelijk omschreven bedoeling.
Het werd onderschreven door vertegenwoordigers van alle politieke partijen in dit halfrond en dat is op zichzelf misschien het allerbelangrijkste. De omstandigheden schetsen die ons hebben geleid tot
het indienen van deze resolutie is waarschijnlijk in dit halfrond
overbodig.
De geschiedenis van de prille democratisering in Zaïre en de daarop volgende gebeurtenissen tot de op dit ogenblik gevoerde repressiepolitiek is ons allen bekend.
Als parlementsleden willen de indieners de Senaat met deze resolutie uitnodigen zijn bezorgdheid tot uiting te brengen voor het lot
van de Zaïrese parlementsleden die momenteel hun taak als parlementslid niet kunnen uitoefenen. Zij willen een positieve daad uitlokken en doen derhalve een oproep tot het Zaïrese staatshoofd opdat hij de vrijheid zou terugschenken aan de parlementsleden die
zich kritisch hebben opgesteld. Mochten wij deze resolutie, in haar
beperktheid, in haar duidelijke humanitaire bekommernis en in haar
parlementaire solidariteit, gezamenlijk kunnen goedkeuren, dan zou
dat wellicht een belangrijke betekenis kunnen hebben, belangrijker
dan een debat dat ons zou kunnen verdelen maar dat desalniettemin
noodzakelijk blijft. (Applaus op alle banken.)
De Voorzitter. Wij zullen morgen stemmen over dit voorstel
van resolutie.
Nous voterons, demain, sur ce projet de résolution.
-
M. R. GILLET AU VICE-PREMIER
MINISTRE ET MINISTRE DE LA JUSTICE ET DES
REFORMES INSTITUTIONNELLES SUR « LE DEPOT DU
PROJET DE LOI CONCERNANT LA PROTECTION ET LE
BIEN-ETRE DES ANIMAUX »
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER R. GILLET AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN JUSTITIE EN INSTITUTIONELE HERVORMINGEN OVER « DE INDIENING
VAN HET ONTWERP VAN WET OP DE BESCHERMING EN
HET WELZIJN VAN DE DIEREN >>
M. le Président. L'ordre du jour appelle la question orale de
M. Roland Gillet au Vice-Premier ministre et ministre
de la Justice
et des Réformes institutionnelles sur «le dépôt du projet de loi
concernant la protection et le bien-être des animaux ».
La parole est à M. Roland Gillet.
M. R. Gillet. Monsieur le Président, chers collègues, ma question porte sur la nouvelle loi relative à la protection et au bien-être
des animaux.
Malgré plusieurs rappels de ma part et des interventions en
séance publique du Sénat, la nouvelle loi sur la protection et le bienêtre des animaux, dont je connais la teneur pour avoir participé
activement à sa préparation, est toujours à l'état d'avant-projet
depuis plus de trois ans.
Je me permets, monsieur le Président, de rappeler que je pose
cette question non au ministre de l'Agriculture, mais au ministre de
la Justice.
Selon le département de l'Agriculture, le projet serait déjà déposé
sur le bureau du Sénat si le département de la Justice donnait un
accord attendu depuis longtemps.
J'ai lu dans la presse le souci du ministre de la Justice de participer à l'amélioration de la condition animale; l'a encore affirmé
récemment à Mme Brigitte Bardot à l'occasion d'une visite qu'elle
lui rendait.
J'aimerais savoir si nous pouvons espérer enfin une réponse positive du département dont M. Gol est titulaire, afin que le départeQUESTION ORALE DE
-
-
il
ment de l'Agriculture puisse déposer le projet de loi sur le bureau
il
du Sénat comme en est convenu depuis longtemps.
-
M. le Président. La parole est au ministre des Communications
qui a accepté de répondre à cette question en lieu et place du VicePremier ministre et ministre de la Justice.
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones. Monsieur le Président, si l'honorable
membre permet que je remplace de verbis le Vice-Premier ministre,
je répondrai à la question qu'il a bien voulu lui poser.
L'avant-projet de loi dont parle l'honorable membre était nécessaire, estime M. Gol.
La plupart de ses dispositions sont bonnes et il est urgent qu'elles
acquièrent force de loi.
Les problèmes qui restaient à résoudre étaient essentiellement
1º Celui des sanctions pénales, parce qu'il faut en cette matière
éviter l'exces, dans l'intérêt même de l'application de la loi et parce
convient de recourir le plus rarement possible aux courtes
qu'il
peines de prison, socialement plus nuisibles qu'utiles;
2º Le problème de la répartition des responsabilités entre divers
-
:
départements, en raison de la diversité des intérêts légitimes qu'une
telle legislation met en cause;
3º Enfin et surtout, le problème posé par la recherche scientifique
et médicale, qu'il ne faut ni entraver par des interdictions trop générales ni ralentir en imposant des formalités trop lourdes.
L'accord sur ces divers points ayant pu se faire au cours de pourparlers entre les départements, l'avant-projet pourra bientôt être
examiné par le Conseil des ministres.
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER CLAEYS AAN DE MINISTER VAN OPENBARE WERKEN EN AAN DE MINISTER
VAN VERKEERSWEZEN EN POSTERIJEN, TELEGRAFIE EN
TELEFONIE, OVER « DE BESPREKINGEN MET DE NEDERLANDSE OVERHEID IN VERBAND MET HET KANAAL
GENT-TERNEUZEN »
QUESTION ORALE DE MONSIEUR CLAEYS AU MINISTRE
DES TRAVAUX PUBLICS ET AU MINISTRE DES COMMUNICATIONS ET DES POSTES, TELEGRAPHES ET TELEPHONES, SUR « DES ENTRETIENS AVEC LE GOUVERNEMENT NEERLANDAIS AU SUJET DU CANAL GAND-TERNEUZEN »
-
De Voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van d
heer Claeys aan de minister van Openbare Werken en aan de minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, over
« de besprekingen met de Nederlandse overheid in verband met het
kanaal Gent-Terneuzen ».
Het woord is aan de heer Claeys.
wij kennis van de -besprekingen met uw Nederlandse collega van
Verkeer en Waterstaat op dinsdag 8 juni jongstleden te Den Haag.
Wij konden in de persberichten echter geen antwoord vinden in verband met volgende punten :
1. Dat de beperking waarbij enkel bij dagvaart mag worden gevaren wordt opgegeven;
2. Dat de beslissing omtrent het al dan niet invaren van de sluis
wordt overgelaten aan de assisterende loods en de scheepsleiding;
3. Dat de loodsassistentie dient te geschieden door een zogenaamvan conDe heer Claeys.
Mijnheer de minister, via de kranten kregen
de geselecteerde loods, zoals dit het geval is voor de vaart
tainerschepen op de Westerschelde;
4. Dat als tijdelijke maatregel een zogenaamde bufferbak bij de
sluis zou worden gelegd;
5. Dat de sleepbootassistentie zou worden vervangen door het
aanwenden van het zogenaamde octopusprincipe dat reeds wordt
uitgetest op het Wellandkanaal in Canada;
6. Dat de bestaande beschermingswerken bij de ingangen van de
sluis vervangen zouden worden door efficiente begeleidingswerken;
7. En tenslotte dat de beslissingsmacht voor het gebruik van de
sluis zou worden toegewezen aan een gemengde Nederlands-Belgische beheerscommissie, waarin het stadsbestuur van Gent zou zijn
vertegenwoordigd, zoals verwoord in de conventie van 3 april 1925.
Graag vernamen wij het antwoord van de minister.
De Voorzitter. Het woord is aan minister De Croo.
-
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie. - Mijnheer de Voorzitter, met uw toestemming
zal ik een tamelijk uitgebreid antwoord aan de heer Claeys geven.
Uit de gestelde vragen, begrijp ik dat het geachte lid de vaart van
de zogeheten autoschepen bedoelt.
Ik wens sommige vragen, wegens hun samenhang, ook samen te
trekken.
Ik wil het daarbij eerst hebben over de schuttingsvoorwaarden en
over de oplossingen om die voorwaarden te verzachten en uiteindelijk op te heffen. Momenteel zijn nog de schuttingsvoorwaarden, die
door de Rijkswaterstaat op 28 januari 1982 werden uitgevaardigd,
van kracht. Daarin is gesteld dat opvarende autoschepen, bij daglicht, en afvarende autoschepen, bij dag en bij nacht, de Westsluis te
Terneuzen mogen passeren.
Voor de autoschepen van het type Rigoletto is de Rijkswaterstaat
nu ook bereid het schuttingsverbod 's nachts op te heffen, omdat de
constructie van de door de sleepbootmaatschappij Muller voorgestelde bufferponton, geschikt wordt geacht voor de beveiliging van
de noordelijke basculebrug. Voor het schutten 's nachts van een autoschip als de Maple Ace, dat relatief gezien de meest ongunstige
vorm heeft, is nog een onderzoek gaande.
Zo dus voor de noordelijke basculebrug een bevredigende doch
tijdelijke oplossing is gevonden, dan is dat nog niet zo voor de zuidelijke basculebrug, welke in augustus 1982 zal worden herplaatst
en daarna in bedrijf zal worden gesteld. Ter beveiliging van die brug
blijkt nog geen bevredigende tijdelijke oplossing te zijn gevonden.
Het onderzoek door de Rijkswaterstaat en de bevoegde Belgische
diensten gaat voort.
Het zogenaamde « octopussysteem » is door de ontwerpers uitgedacht als onafhankelijk alternatief voor het schutten van autoschepen en andere schepen. Ik veronderstel dat de ontwerpers dat systeem verder wikken en wegen, in al zijn aspecten, vooraleer het aan
de Rijkswaterstaat ter goedkeuring voor te leggen.
Ik heb bewust gesproken van tijdelijke oplossingen voor het
schutten door de Westsluis te Terneuzen. Interessanter zijn uiteraard
definitieve oplossingen. Die oplossingen bestaan nu. Zij zijn geconcretiseerd in de vorm van infrastructuuraanpassingen en
beheersmaatregelen, gericht op het definitief toelaten van bovenmaatse schepen en mutatis mutandis op het regulariseren van de
schutting van autoschepen.
Zoals u hebt laten verstaan zijn zij ook in principe door Neder-
land en België aanvaard op het periodiek ministeroverleg van 8 juni
1982 te Den Haag. Die maatregelen zullen binnen de afgesproken
termijn worden gerealiseerd.
De loods en de scheepsleiding kunnen niet beslissen de sluis in te
varen, tegen de bestaande schuttingsvoorwaaarden in.
Het loodsen van autoschepen opdragen aan geselecteerde loodsen
is geen oplossing om, in de huidige omstandigheden, schadevaringen
van de kunstwerken met dat soort schepen te voorkomen. Het is
duidelijk dat de typische bouw van die schepen die fameuze
schoendoosbouw, waarover ik heb gesproken de ligging van de
sluis ten aanzien van de overheersende winden en de inplanting van
de basculebruggen de oorzaken zijn van het verhoogd schaderisico.
De bestaande beschermingswerken bij de ingangen van de zeesluis
te Terneuzen zullen inderdaad vervangen worden door efficiënte begeleidingswerken. Afgesproken werd dat is goed nieuws dat
tegen 1 januari 1988 een programma van werken zal zijn uitgevoerd
voor de verbetering van de veiligheid van de vaart door de Westsluis te Terneuzen en het Nederlandse gedeelte van het zeekanaal
naar Gent; dit behelst ook de zöeven vermelde begeleidingswerken
aan de sluis.
Over de toewijzing van een beslissingsmacht aan een NederlandsBelgische beheerscommissie voor het gebruik van de sluis, werd niet
gesproken op het periodiek ministeroverleg van 8 juni 1982 te Den
Haag. Ik moet er de aandacht van het geachte lid op vestigen dat de
geciteerde conventie van 3 april 1925 door de Nederlandse StatenGeneraal werd verworpen. Die conventie kan hier dus niet worden
ingeroepen.
-, -
-
-
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER VAN IN AAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN AAN DE STAATSSECRETARIS VOOR ENERGIE OVER « DE SLUITING VAN
HET TEXACO-BEDRIJF TE GENT »
QUESTION ORALE DE M. VAN IN AU MINISTRE DES
AFFAIRES ECONOMIQUES ET AU SECRETAIRE D'ETAT A
L'ENERGIE SUR «LA FERMETURE DE L'ENTREPRISE
TEXACO DE GAND »
1275
-
De Voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de
heer Van In aan de minister van Economische Zaken en aan de
staatssecretaris voor Energie over « de sluiting van het Texacobedrijf te Gent ».
Het woord is aan de heer Capoen, die de mondelinge vraag van
de heer Van In zal voorlezen.
- :
De heer Capoen. Mijnheer de Voorzitter, de heer Van In wenst
volgende vraag te stellen
« Het stilleggen van de Texaco-vestiging te Gent betekent dat, afgezien de weerslag op de tewerkstelling en op de raffinage-capaciteit, een belangrijke scheepstrafiek op Zeebrugge dreigt verloren te
gaan en dat dure installaties, zoals terminal, opslagruimten en pijpleiding, in onbruik dreigen te geraken.
In dit verband mag wel even worden herinnerd aan het feit dat
belangrijke scheepsladingen ruwe olie probleemloos vanuit Zeebrugge werden verhandeld.
Ook blijkt dat, om de Texaco-vestiging mogelijk te maken, door
de gemeenschap belangrijke investeringen werden gefinancierd.
In verband met de aldus opgenomen verplichtingen ware het nuttig volgende inlichtingen te verkrijgen:
1. Welke verplichtingen zijn ter gelegenheid van de vestiging van
het Texaco-bedrijf opgenomen door, enerzijds, de firma Texaco zelf,
en, anderzijds, door de diverse openbare diensten? Heeft elke partij
deze plichten nageleefd?
2. Bestaat de mogelijkheid de infrastrukturen, die naar aanleiding
van de Texaco-vestiging werden aangelegd, aan te wenden of te
doen aanwenden bij het uitvoeren van het programma tot bevoorrading van het land met ruwe aardolie ? »
-
De Voorzitter. Het woord is aan minister De Croo die zich
bereid heeft verklaard namens staatssecretaris Knoops te antwoorden.
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, namens mijn collega staatssecretaris Knoops, kan ik het volgende antwoorden
-
: verplichtingen
« 1º De
die de nationale overheid en Texaco bij de
oprichting van de raffinaderij Texaco te Gent hebben aangegaan,
werden van beide kanten geëerbiedigd.
Het gaat vooral om een rentevergoeding toegekend aan de maatschappij Texaco, op voorwaarde dat deze onderneming gedurende
ten minste twee jaar na het einde van deze lening operationeel zou
blijven.
Daar aan dit voordeel in 1974 een einde kwam, werd de maatschappij Texaco vanaf 1 januari 1977 van deze verplichting ontslagen.
2º De geachte senator verwijst naar de toepassing van het programma « tot bevoorrading van het land in ruwe aardolie ».
Ik ben zo vrij hem eraan te herinneren dat er in dit verband geen
programma van overheidsinitiatief bestaat en dat de huidige regering geen stappen in die richting zal zetten.
Het recente experiment met Distrigaz heeft de financiële risico's
aangetoond die een dergelijke tegemoetkoming voor de overheid
meebrengt, terwijl de verscheidenheid van onze bevoorrading geenszins wordt bevorderd maar de afhankelijkheid ten opzichte van onze voornaamste leverancier integendeel wordt vergroot. »
QUESTION ORALE DE M. DALEM AU MINISTRE DES
AFFAIRES ECONOMIQUES ET AU MINISTRE DU BUDGET,
DE LA POLITIQUE SCIENTIFIQUE ET DU PLAN SUR « LE
DEMANTELEMENT DE L'INSTITUT POUR L'ENCOURAGEMENT DE LA RECHERCHE DANS L'INDUSTRIE ET L'AGRICULTURE »
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER DALEM AAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN AAN DE MINISTER VAN BEGROTING, WETENSCHAPSBELEID EN HET
PLAN OVER « DE ONTMANTELING VAN HET INSTITUUT
TOT AANMOEDIGING VAN HET WETENSCHAPPELIJK
ONDERZOEK IN NIJVERHEID EN LANDBOUW »
du jour appelle la question orale de
le Président.
M.Dalem
- L'ordre
au ministre
des Affaires économiques et au ministre du
M.
Budget,
Politique scientifique et du Plan, relative à l'Irsia.
de la
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1276
La parole est à M. Dalem.
M. Dalem. Monsieur le Président, chers collègues, des négociations entre les responsables de l'Institut pour l'Encouragement de la
Recherche dans l'Industrie et l'Agriculture et le gouvernement ont
eu lieu, et des propositions ont été faites par le gouvernement pour
réduire la dotation de l'Irsia. Si cet institut dispose de réserves,
-
il
semble cependant que son existence serait mise en péril dès 1983 en
raison de l'importance de cette réduction.
Les propositions s'inscrivent dans le cadre de l'effort national
demandé également à d'autres institutions, mais les amputations, si
elles s'avérait trop importantes, risqueraient de compromettre à
jamais le fonctionnement de l'Irsia.
On peut donc craindre dans la région wallonne, et à Gembloux
en particulier, le démantèlement complet de la recherche liée à
l'existence de l'Irsia. Un tel démantèlement, sans structure de remplacement, aurait des conséquences graves non seulement d'un point
de vue social perte de 116 emplois uniquement pour la communauté gembloutoise mais encore d'un point de vue économique;
en effet, l'absolue necessite d'une recherche agronomique coherente
pour le développement de notre région n'est certes plus à démontrer.
Monsieur le ministre pourrait-il faire le point sur un dossier aussi
important pour l'emploi d'une région et pour la recherche en
général?
- -
M. le Président. La parole est à M. De Croo, qui a accepté de
répondre en lieu et place de son collègue le ministre des Affaires
économiques.
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones. Monsieur le Président, je donne donc lecture de la réponse préparée par mon collègue Eyskens, qui dit ceci :
« Je tiens à souligner toute l'importance que j'attache aux travaux
de l'Irsia.
-
Il est superflu d'ajouter que cet institut joue un rôle important
dans la vie économique du pays et, tout comme mes prédécesseurs,
j'en suis particulièrement conscient. Je ne peux cependant partager
les remarques de M. Dalem quant au fait qu'une diminution du
budget de l'Irsia, pour l'exercice 1982, risquerait de mettre en péril
l'existence de cet institut en raison de l'importance de la réduction.
L'honorable membre ne peut perdre de vue que les restrictions
imposées s'intègrent dans le cadre de l'effort que l'Etat entame pour
redresser la situation économique du pays. Cet effort ne peut être
mené à bonne fin en un laps de temps très réduit, mais importe de
sensibiliser l'attention de tous les milieux spécialisés sur la nécessité
de l'effort à effectuer et sur l'importance que l'on attache au succès
il
d'un tel effort.
M. Dalem semble craindre que l'effort de restriction qui s'impose,
et qui ne lui échappe certainement pas, ne soit pas réparti équitablement.
Dans ces conditions, je ne partage pas sa crainte qu'il puisse y
avoir des répercussions par trop importantes pour une seule communauté, à savoir la communauté gembloutoise, à laquelle fait
allusion.
J'estime que, dans l'effort que nous devons entamer sous l'angle
général, importe que chacun, dans toutes les régions du pays, soit
sensibilisé à l'action à entreprendre.
Dans la même ligne de conduite, me paraît impensable que les
autorités de l'Irsia décident de concrétiser l'effort du gouvernement
au détriment d'une seule initiative, qui porterait d'ailleurs sur une
il
il
il
seule region.
L'honorable membre ne perdra certainement pas de vue que les
commissaires du gouvernement ont un rôle à jouer en la matière et
qu'ils ont été sensibilisés à ce qui précède.
Dans ces conditions, je souhaiterais rappeler à M. Dalem qu'il
importe que l'effort entrepris à l'échelon général soit poursuivi par
chacun, dans une optique bien comprise, et que cet effort ne peut
évidemment pas être opéré au détriment d'une seule région et d'une
seule initiative.
Il me paraît donc que la crainte de M. Dalem, que je pourrais
partager si nous nous trouvions dans une période d'évolution éco-
nomique favorable, doit cependant être tempérée en raison des
préoccupations économiques et financières auxquelles je viens de
faire allusion et qui ne peuvent certainement pas lui être
étrangères. »
M. Gramme, vice-président, prend la présidence de l'assemblée
QUESTION ORALE DE M. BOCK AU MINISTRE DES COMMUNICATIONS ET DES POSTES, TELEGRAPHES ET TELEPHONES, SUR « LA NECESSITE DE REVOIR D'UNE
MANIERE SELECTIVE LA REGLEMENTATION E
MATIERE DE VITESSE ROUTIERE »
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER BOCK AAN DE MINISTER VAN VERKEERSWEZEN EN POSTERIJEN, TELEGRAFIE
EN TELEFONIE, OVER « DE NOODZAAK VAN EEN SELECTIEVE HERZIENING VAN DE REGLEMENTERING INZAKE
DE SNELHEID OP DE WEGEN »
M. le Président. - L'ordre du jour appelle la question orale de
des Communications et des Postes, TéléM. Bock au ministre
graphes et Telephones, sur « la necessite de revoir d'une manière
sélective la réglementation en matière de vitesse routière ».
La parole est à M. Bock.
le President, monsieur le ministre, chers
M. Bock. - Monsieur
collègues, monsieur
ministre a fait part de son intention d'étudier
le
une révision des limitations de vitesses et particulièrement de réduire
de 120 km/h à 110 km/h la vitesse autorisée sur les routes à quatre
bandes.
il
Parmi celles-ci, en existe qui, compte tenu de l'importance économique des liaisons qu'elles permettent, devraient faire l'objet
d'une attention toute particulière.
Je pense, entre autres, à la Nationale 4 « Courrière-Arlon » qui
constitue, pour la province de Luxembourg, la principale voie de
pénétration économique.
Son importance, au niveau du tourisme, n'est plus à démontrer,
ni d'ailleurs l'intérêt qu'une liaison rapide et aisée présente pour
ceux qui rejoignent les régions ardennaises pour des séjours de type
court ou de week-end.
Les impératifs de sécurité pourraient par ailleurs être recherchés
dans un contrôle plus strict des vitesses, dans un aménagement de la
signalisation préventive, etc.
En ce sens, sécurité et rapidité ne se poseraient plus en termes
antinomiques.
Monsieur le ministre ne croit-il pas qu'il serait opportun de maintenir la limitation actuelle, soit 120 km/h, sur ces voies à quatre
bandes présentant comme la Nationale 4 un intérêt économique
particulier?
Ne serait-il pas souhaitable d'envisager la révision de la réglementation, non pas en général, mais plutôt de façon sélective ?
M. le Président. La parole est à M. De Croo, ministre.
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones. Monsieur le Président, sans aller trop
rapidement (sourires), je répondrai à la question intéressante que
l'honorable membre m'a fait l'honneur de poser.
m'apparaît, en effet, que l'ensemble des limitations de vitesse
actuelles est susceptible d'améliorations. C'est la raison pour
laquelle j'ai donné l'ordre d'étudier la question de façon approfondie.
Les données qui sont déjà en ma possession démontrent que les
routes à quatre bandes au moins de circulation, dont deux dans
chaque sens, sont doublement dangereuses en comparaison avec les
vraies autoroutes.
Une étude effectuée par la gendarmerie révèle que, sur 100 km
d'autoroute, y a en moyenne 135 accidents, causant 10 morts, 52
-
-
Il
il
blessés graves et 155 blessés légers.
Plus particulièrement en ce qui concerne la RN 4, les chiffres sont
proportionnellement d'un tiers plus élevés 187 accidents avec 23
morts, 141 blessés graves et 193 blessés légers.
Bien que d'importants efforts aient déjà été fournis pour améliorer la sécurité de la RN 4, cette route peut difficilement être mise au
même niveau qu'une autoroute.
Sans vouloir conclure dès à présent, j'estime que, pour des raisons
purement économiques, serait à peine justifiable de ne pas assimiler la vitesse maximale autorisée sur la RN 4 à celle des autres
routes de la même catégorie.
Je désire une fois de plus mettre l'accent sur le fait que je ne
prendrai aucune décision définitive en la matière, avant de recueillir
au préalable l'avis apprécié de mes services et des experts compétents dans le domaine de la circulation.
il
:
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
J'ai d'ailleurs promis de débattre très largement, lors d'une réunion commune des deux commissions de l'Infrastructure de la
Chambre et du Sénat, des possibilités de modifications de ce règlement, ainsi que d'autres que nous préparons en ce moment.
QUESTION ORALE DE M. R. GILLET AU MINISTRE DES
COMMUNICATIONS ET DES POSTES, TELEGRAPHES ET
TELEPHONES, SUR « LE RETABLISSEMENT DE LA DISTRIBUTION DU COURRIER LE SAMEDI »
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER R. GILLET AAN DE
MINISTER VAN VERKEERSWEZEN EN POSTERIJEN, TELEGRAFIE EN TELEFONIE, OVER « DE WEDERINVOERING
VAN DE POSTBEDELING OP ZATERDAG,
L'ordre du jour appelle la question orale de
M.Roland
le Président.
Gillet au ministre des Communications et des Postes,
M.
Télégraphes et Téléphones, sur « le rétablissement de la distribution
du courrier le samedi ».
La parole est à M. Roland Gillet.
M. R. Gillet. Monsieur le President, monsieur le ministre,
chers collègues, contrairement aux affirmations de Mme le secrétaire d'Etat aux PTT, lors de l'interpellation que je lui ai récemment
adressée et que j'ai développée à la tribune du Sénat, à propos de la
suppression de la distribution postale le samedi, il est apparu que :
1. La distribution qui devrait, dans tous les cas, être assurée, ne
-
-
l'est pas;
2. Les documents parlementaires urgents ne sont pas distribués à
temps je le signale à l'attention de M. le Président du Sénat et
les journaux du samedi sont distribués avec ceux du lundi;
3. Les postiers, indignés par cette initiative, continuent, dans certaines régions, leur grève du samedi;
4. Les syndicats - tous les syndicats - sont unanimes pour protester contre cette décision qui est préjudiciable à l'emploi et aux
intérêts des habitants.
Ne croyez-vous pas, à la lumière de l'expérience, qu'en votre qualité de ministre responsable des PTT, vous appartient de tenir
compte de la volonté de l'opinion publique et, en conséquence, de
prendre les dispositions voulues pour que le secrétariat d'Etat aux
PTT, dont vous avez la tutelle, rétablisse, aussi tôt que possible, la
distribution du courrier le samedi matin ?
M. le Président. La parole est à M. De Croo, ministre.
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones. - Monsieur le Président, je répondrai
comme suit à l'honorable membre. La distribution n'a pas été assurée le samedi dans quelques bureaux, certains ayant été affectés
totalement, d'autres partiellement par des arrêts de travail. C'est
ainsi que, sur 1 026 bureaux distributeurs huit, dont cinq dans l'agglomeration bruxelloise, ont débrayé totalement et neuf partielle-
-,
-
il
-
ment.
Sur quelque 6 000 tournées pour l'ensemble du pays, 139 seulement n'ont pas été assurées le 19 juin dernier.
Sauf dans les bureaux où le personnel a refusé de sortir, les journaux et autres correspondances privilégiées, comme les documents
parlementaires, sont bien distribués le samedi. Un léger flottement a
pu se produire le premier samedi, mais, depuis, les dispositions
nécessaires ont été prises pour prévenir les anomalies signalées.
C'est ce que m'a signalé la Régie des Postes ce matin.
-
M. R. Gillet. Ce n'est pas exact !
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télé-
-
graphes et Téléphones. Depuis le 5 juin 1982, date d'instauration
de la mesure, on constate une nette régression du nombre de
bureaux où les agents se mettent en grève pour protester contre la
mesure.
Les syndicats sont en principe opposés à la mesure; ils considèrent qu'il existe d'autres moyens pour réaliser des économies; seu-
lement lesdits moyens ne permettent pas d'atteindre le même résultat. Ils se sont cependant engagés à ne pas déposer d'ordre de grève,
mais ils couvrent les mouvements déclenchés.
Toutes les affirmations de l'honorable membre ne correspondent
donc plus, sauf dans une certaine mesure pour Bruxelles, à la rea-
--
Ann. parl. Sénat Session ordinaire 1981-1982
Parlem. Hand. Senaat Gewone zitting 1981-1982
1277
lité. Je trouve peu élégant la manière de juger l'action de notre
Les décisions qu'elle a prises, imposées par les nécessités budgétaires, l'ont été avec mon plein accord.
M. R. Gillet. L'opinion publique en pensera ce qu'elle voudra.
M. le Président. Monsieur Gillet, je vous rappelle qu'une question orale ne donne lieu à aucun débat.
secrétaire d'Etat.
-
-
M. R. GILLET AU SECRETAIRE
D'ETAT AUX AFFAIRES EUROPEENNES ET A L'AGRICULTURE SUR « LE SACCAGE DES PAYSAGES QU'ENTRAINE
LA LUTTE CONTRE LE FEU BACTERIEN »
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER R. GILLET AAN DE
STAATSSECRETARIS VOOR EUROPESE ZAKEN EN LANDBOUW OVER « DE PLUNDERING VAN HET LANDSCHAP
ALS GEVOLG VAN DE BESTRIJDING VAN HET BAKTERIEQUESTION ORALE DE
VUUR »
-
M. le Président. L'ordre du jour appelle la question orale de
M. Roland Gillet au secrétaire d'Etat aux Affaires européennes et à
l'Agriculture sur le saccage des paysages qu'entraîne la lutte contre
le feu bactérien.
La parole est à M. Roland Gillet.
M. R. Gillet. Monsieur le Président, chers collègues, puis-je
attirer votre attention sur le désastre que représente pour nos campagnes et nos espaces verts, l'application de l'arrêté du 14 janvier
1982, prévoyant la taille obligatoire de certaines espèces de haies,
dont les aubépines, afin d'en empêcher la floraison ?
Cette mesure paraît avoir été élaborée par des personnes qui ne
connaissent pas bien le problème.
Rappelons que l'explication de cet arrêté est l'existence d'une
-
maladie dénommée « feu bactérien » qui touche essentiellement les
arbres fruitiers à pépins de même que, bien entendu, les aubépines.
est évident que l'arrachage de ces dernières ne résoudra rien puisque la propagation des bactéries continuera par les arbres fruitiers,
pour autant que les conditions climatiques optima existent.
Toutefois, cet arrachage entraînera, par l'emmêlement des haies,
celui de toutes les autres plantes constituant des haies qu'il faudra
hélas, remplacer par des fils de fer barbelés, sans compter aussi la
disparition d'insectes utiles, d'oiseaux et de tout un menu peuple
Il
utile à l'agriculture.
Le saccage des paysages n'est, à mon avis, absolument pas justifié
par le prétexte de la lutte contre le feu bactérien.
Ne croyez-vous pas utile de revenir sur cet arrêté et d'en revoir la
portée ?
M. le Président. La parole est à M. De Croo, ministre, qui
répondra en lieu et place de son collègue, secrétaire d'Etat aux
-
Affaires européennes et à l'Agriculture.
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones. Monsieur le Président, mesdames, messieurs, le feu bactérien est une maladie très dangereuse qui, depuis
quelques années, s'est développée dans notre pays et qui prend
actuellement une rapide extension. Elle constitue une grave menace
pour l'arboriculture fruitière et pour bon nombre d'espèces ornementales dont les crataegus.
La présence de cette maladie entrave dès lors les possibilités
d'exportation des plantes de pépinière, vu que la plupart des pays,
où la maladie n'existe pas encore, prennent des mesures radicales
afin d'empêcher l'introduction du feu bactérien.
L'arrêté ministériel du 14 janvier 1982 prévoit des mesures temporaires visant à prévenir l'introduction et la propagation du feu
bactérien. Les dispositions prises concernant le feu bactérien sont
basées sur les résultats des stations de recherches du ministère de
l'Agriculture, qui travaillent en contact étroit avec d'autres centres
de recherches à l'étranger.
Les mesures ont été soumises à la commission phytopathologique
prophylactique, a été
et la taille des aubépines, comme mesurecette
commission.
approuvée à l'unanimité par les membres de
-
170
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1278
L'aubépine est une importante plante-hôte de l'erwinia amylovora. La taille n'a certainement pas pour objectif de voir disparaître
l'aubépine. L'application des mesures prophylactiques nécessaires
permet au contraire le maintien des haies d'aubépines.
Seules les aubépines infestées doivent être arrachées conformement aux instructions de l'ingénieur de la protection des végétaux et
mon collègue cite l'arrêté précité du 14 janvier 1982, en son article 4.
a été demandé à ses services de faire un rapport complet sur la
situation au terme de cette campagne afin de déterminer les modifications éventuelles à y apporter à partir de la prochaine campagne.
Il
QUESTION ORALE DE M. J. PEETERMANS AU VICE-PRE-
MIER MINISTRE ET MINISTRE DE L'INTERIEUR ET DE LA
FONCTION PUBLIQUE SUR « L'APPLICATION DE L'ARTICLE 65 DE LA LOI ELECTORALE COMMUNALE »
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER J. PEETERMANS AAN
DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN OPENBAAR AMBT OVER « DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 65 VAN DE GEMEENTEKIESWET »
M. le Président. L'ordre du jour appelle la question orale de
M. Jules Peetermans au Vice-Premier ministre et ministre de l'Intérieur et de la Fonction publique sur « l'application de l'article 65 de
la loi électorale communale ».
La parole est à M. Jules Peetermans.
M. J. Peetermans. Monsieur le Président, monsieur le ministre,
chers collègues, ma question traite d'un cas particulier, mais sa portée est générale.
Un conseiller communal de Vilvorde est domicilié à Schaerbeek
depuis le 9 septembre 1981.
a cessé d'assister aux séances du conseil communal de Vilvorde
et a envoyé une lettre de démission au président de ce conseil. Sa
lettre étant rédigée en français, aucune suite n'y a été donnée. Néanmoins, le collège échevinal de Vilvorde sait pertinemment que l'intéressé n'habite plus la commune. Outre qu'il en a été informé par
lettre, en a reçu confirmation en séance du conseil, lors d'interventions d'un membre du groupe politique auquel appartient le
conseiller démissionnaire.
Enfin, ne peut ignorer que les formalités administratives relatives au changement d'adresse ont été effectuées. y a neuf mois
que le conseiller ne remplit plus la condition prévue à l'article 65,
3º, de la loi électorale communale, à savoir: « Pour pouvoir être élu
et rester conseiller communal, faut, sans distinction de sexe, à
titre de résidence unique ou de résidence principale, être inscrit au
registre de population de la commune. »
Dès lors, aurait fallu proceder à l'installation de son suppleant
dès la première séance suivant la date où a cessé de répondre à
cette condition.
Quelles mesures l'honorable ministre compte-t-il prendre pour
que le pouvoir communal de Vilvorde se conforme à la loi et cesse
de priver une formation politique de la représentation à laquelle elle
-
-
Ilil
il
il
Il
il
il
il
a droit ?
M. le Président. - La parole est à M. De Croo, ministre, qui a
accepté de répondre en lieu et place du Vice-Premier ministre et
ministre de l'Intérieur et de la Fonction publique.
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télé-
il
-
graphes et Téléphones. Monsieur le Président, résulte de la
combinaison des articles 65 et 82 de la loi électorale communale
que la perte d'une des conditions d'éligibilité entraîne ipso facto
déchéance du mandat de conseiller communal. La démission qui
serait présentée par surcroît serait, dès lors, superflue, comme étant
inoperante.
Toutefois, pour être opposable aux tiers et effective à leur égard,
la déchéance doit être constatée par la deputation permanente du
conseil provincial à laquelle, en vertu de l'alinéa 2 de l'article 82 de
la loi électorale communale, le collège des bourgmestre et échevins
est tenu de signaler les faits qui, comme en l'occurrence, sont de
nature à entraîner la perte du mandat.
il
Des termes de la question, est hors de doute que le collège
puisse encore ignorer que l'intéressé a cessé de satisfaire au prescrit
de l'article 65, 3º, de la loi électorale communale.
Cependant, contraindre, comme le demande l'honorable membre,
le collège à respecter l'alinéa 2 de l'article 82 de la loi électorale
communale suppose la mise en œuvre de la tutelle coercitive prévue
par l'article 88 de la loi communale. Or, la démarche qui consisteprovince à faire usage de cette disporait à inviter le gouverneur de compétence
du ministre de l'Intérieur
sition me paraît échapper à la
pour ressortir désormais à l'autorité investie de l'exercice de la
administrative
de
tutelle
par l'article 7 la loi spéciale de réformes
institutionnelles du 8 août 1980, c'est-à-dire, en l'espèce, à l'Exécutif flamand.
Il reste toutefois qu'un tiers, conseiller communal ou simple particulier, peut s'autoriser de l'alinéa 5 de l'article 82 de la loi électorale communale pour introduire une réclamation auprès de la députation permanente et la mettre ainsi en mesure de statuer conformément à la loi.
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER CAPOEN AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE
ZAKEN EN OPENBAAR AMBT OVER « DE BESCHERMING
VAN DE BEVOLKING IN DE GRENSSTREEK MET FRANKRIJK »
QUESTION ORALE DE M. CAPOEN AU VICE-PREMIER
MINISTRE ET MINISTRE DE L'INTERIEUR ET DE LA
FONCTION PUBLIQUE SUR « LA PROTECTION DE LA
POPULATION DANS LA REGION LIMITROPHE DE LA
FRANCE »
-
De Voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de
heer Capoen aan de Vice-Eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt over « de bescherming van de bevolking in de grensstreek met Frankrijk ».
Het woord is aan de heer Capoen.
-
De heer Capoen. Mijnheer de Voorzitter, heren ministers, geachte collega's, talrijke Westvlaamse steden en gemeenten, gelegen
langs de Franse grens, worden in toenemende mate geteisterd door
diefstallen en roofovervallen. Deze misdrijven worden meestal gepleegd door Franse jongeren die bij voorkeur opereren in groep en
met gestolen wagens. Tegenover deze goedgeorganiseerde en steeds
driester wordende benden staan de stedelijke politie en de plaatselijke rijkswacht vrijwel machteloos; en hun taak wordt zo mogelijk
onbenog moeilijker gemaakt door de nabijheid van de nachtelijkvan
de
waakte grensovergangen en het ongelooflijk laks optreden
Franse ordediensten. Wegens de escalatie van het geweld en de
groeiende angstpsychose dreigt de toestand uit de hand te lopen, zodat een dringend en doeltreffend optreden geboden is.
In dit verband zouden we graag vernemen welke maatregelen er
worden overwogen om de bevolking in de grensstreek met Frankrijk
beter te beschermen.
De Voorzitter.
- Het woord is aan minister De Croo, die zich
bereid heeft verklaard te antwoorden namens Vice-Eerste minister
Nothomb.
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, het
antwoord van mijn collega Vice-Eerste minister Nothomb luidt als
volgt :
« Ik heb de eer het geachte lid mee te delen dat het probleem van
de toenemende criminaliteit in de grensstreek met Frankrijk mij voldoende bekend is.
Verontrust door de mij verstrekte inlichtingen heb ik de burgemeester van Menen, aangezien deze gemeente in het bijzonder blijkt
te worden geteisterd door diefstallen en roofovervallen, verzocht me
een omstandig verslag van de werkelijke situatie over te zenden. Ingevolge artikel 50 van het decreet van 14 december 1789 betreffende de oprichting van gemeentebesturen en artikel 3 van titel XI van
1790 betreffende de rechterlijke inhet decreet van 16-24 augustus
richting, zijn immers de gemeenten in eerste instantie verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde, dit wil zeggen de
openbare rust, veiligheid en gezondheid.
het geachte lid verder meedelen dat het in mijn bedoeling
Ikdekan
hier besproken zaak op een globale manier aan te pakken in
ligt
samenspraak met de lokale autoriteiten die in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de openbare ordehandhaving.
« Tenslotte zal ik mijn Franse collega van Binnenlandse Zaken
waarschuwen en hem vragen bijzonder aandacht te besteden aan de
gebeurtenissen zoals ze zich momenteel in de grensstreek met Frankrijk voordoen. »
-
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
QUESTION ORALE DE M. DEGROEVE AU MINISTRE DES
RELATIONS EXTERIEURES SUR « LE REMPLACEMENT
D'UN ADMINISTRATEUR DU FONDS BELGO-CONGOLAIS
D'AMORTISSEMENT ET DE GESTION»>
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER DEGROEVE AAN DE
MINISTER VAN BUITENLANDSE BETREKKINGEN OVER
« DE VERVANGING VAN EEN BEHEERDER VAN HET BELGISCH-KONGOLEES FONDS VOOR DELGING EN BEHEER »
M. le Président. L'ordre du jour appelle la question orale de
M. Degroeve au ministre des Relations extérieures sur « le remplacement d'un administrateur du Fonds belgo-congolais d'amortissement
et de gestion. »
La parole est à M. Degroeve.
-
-
M. Degroeve. Monsieur le Président, mesdames, messieurs, en
date du 12 mai 1982, le ministre des Relations extérieures et le
Vice-Premier ministre et ministre des Finances et du Commerce
extérieur signifiaient par écrit à un administrateur du Fonds belgocongolais d'amortissement et de gestion qu'en vertu d'une jurisprudence antérieure et en application des articles 8 et 9 de la Convention du 6 février 1965 entre le royaume de Belgique et la république
démocratique du Congo relative aux statuts du Fonds belgo-congolais d'Amortissement et de Gestion, est pourvu à son remplacement comme membre du conseil d'administration du Fonds à partir
du 3 mai 1982.
Cette décision a été publiée au Moniteur belge du 28 mai 1982.
L'intéressé a été nommé conjointement par MM. Simonet et
Geens en leur qualité respective de ministre des Affaires étrangères
et des Finances en 1978.
Le mandat d'administrateur est, en vertu des statuts, de six ans.
Monsieur le ministre voudrait-il me dire,
1. S'il s'agit d'une révocation ou d'une démission d'office;
2. Quelle est la motivation de cette décision et notamment quelle
est la « jurisprudence antérieure » invoquée dans la lettre en ques-
il
tion;
3. Cette décision doit-elle être mise en rapport :
a) Avec le fait que cet administrateur a toujours contesté la validité des délibérations du conseil;
b) Avec la mise à la retraite en 1980 de cet administrateur dans
son administration d'origine;
c) Avec la question orale du député Biefnot en date du 10 décembre 1980 concernant des faux, détournements et escroqueries à
charge du Fonds, reconnus exacts par les ministres responsables de
l'époque et qui furent dénoncés par cet administrateur au sein de
l'institution ?
M. le President. La parole est à M. De Croo, ministre, qui
répondra en lieu et place du ministre des Relations extérieures.
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones. Monsieur le Président, mesdames, messieurs, l'article 9 de la Convention entre le royaume de Belgique et
la république démocratique du Congo relative aux statuts du Fonds
belgo-congolais d'Amortissement et de Gestion prévoit que les mandats d'administrateur prennent fin par décès, démission volontaire
ou d'office, ou expiration du terme.
J'ai suivi en cette matière la jurisprudence instaurée par un de
mes prédécesseurs, quand a nommé l'administrateur concerne en
remplacement d'un administrateur qui avait atteint l'âge de la
retraite et n'exerçait plus ses fonctions dans l'administration natio-
-
-
il
nale.
Cette décision ne doit pas être mise en rapport avec d'autres
considérations. Elle doit seulement permettre de faciliter le contrôle
sur le Fonds, lequel est confie à mon collègue le ministre des
Finances et à moi-même en notre qualité de membres du Comité
mixte des ministres en vertu de l'article 7 des statuts susmentionnés.
QUESTION ORALE DE M. LE CHEVALIER DE DONNEA AU
MINISTRE DES AFFAIRES ECONOMIQUES SUR « DES INCOHERENCES ENTRE LA POLITIQUE ECONOMIQUE NATIO-
NALE ET LA POLITIQUE FISCALE DE CERTAINES COMMUNES »
MONDELINGE VRAAG VAN RIDDER DE DONNEA AAN DE
MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN OVER « HET GEBREK AAN SAMENHANG TUSSEN HET NATIONAAL ECONOMISCH BELEID EN HET FISCAAL BELEID VAN SOMMIGE GEMEENTEN >>
1279
M. le Président. - L'ordre du jour appelle la question orale de
le chevalier de Donnéa au ministre des Affaires économiques sur
M.
« des incohérences entre la politique économique nationale et la
politique fiscale de certaines communes ».
La parole est au chevalier de Donnéa.
M. le chevalier de Donnéa. - Monsieur le Président, monsieur le
ministre, mesdames, messieurs, en vue de rendre à la Belgique un
caractère attractif pour les investisseurs étrangers et pour raviver les
entreprises nationales, le gouvernement mène une action prioritaire
visant à l'allégement des charges des entreprises notamment en
matière fiscale.
N'est-il pas paradoxal de constater qu'en matière fiscale précisément, certaines communes pratiquent une politique totalement
contraire à l'objectif gouvernemental? C'est ainsi qu'au lieu de
réduire ou de stabiliser la charge des impôts communaux pour stimuler les entreprises qui se sont installées sur leur territoire, certaines communes persistent à aggraver la pression fiscale communale sur divers facteurs de la production industrielle. En fait, cette
attitude risque d'anéantir au niveau communal les effets bénéfiques
des mesures prises par le gouvernement. Sans attenter à la compétence de tutelle des régions et dans le respect de l'autonomie communale, monsieur le ministre ne croit-il pas que, dans le cadre de la
politique générale en matière économique, y aurait lieu d'entreprendre une concertation entre les différents pouvoirs en vue de réaliser une communauté d'action axée sur la relance de notre éco-
il
nomie ?
M. le Président. - La parole est à M. De Croo, ministre, qui a
accepté de répondre au nom du ministre des Affaires économiques.
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones. Monsieur le Président, chers collègues, à
le ministre des
la question de l'honorable M. de Donnéa,
Affaires économiques me suggère la réponse suivante
-
M.
:
C'est en vertu de l'autonomie communale que les communes
fixent elles-mêmes le taux des taxes, impôts et redevances qu'elles
perçoivent. Il est vrai toutefois que cela peut représenter une charge
importante pour les entreprises. faut cependant signaler que les
communes disposent de peu de matières taxables et chacun sait
qu'elles rencontrent presque toutes des difficultés financières.
Dès lors, il me paraît indique de soumettre la proposition de l'honorable membre à la concertation en cours entre les communes, les
régions et l'Etat. Je le ferai bien volontiers. »
«
Il
MONDELINGE VRAAG VAN MEVROUW SMITT AAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE BETREKKINGEN OVER « DE
SCHENDING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS IN
TURKIJE »
QUESTION ORALE DE MME SMITT AU MINISTRE DES RELATIONS EXTERIEURES SUR « LA VIOLATION DU DROIT DES
GENS EN TURQUIE »
De Voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van mevrouw Smitt tot de minister van Buitenlandse Betrekkingen over
« de schending van de rechten van de mens in Turkije »
Het woord is aan mevrouw Smitt.
Mevrouw Smitt. - Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de minister,
dames en heren, sedert het bezoek dat de minister van Buitenlandse
Betrekkingen in maart jongstleden aan Turkije heeft gebracht, is de
toestand in dat land niet verbeterd. Ook in ons land, en meer bepaald in Hasselt, hebben hongerstakers onze aandacht voor deze
onaanvaardbare situatie gevraagd. Zo werd in de loop van april niet
minder dan 187 maal de doodstraf geëist bij meerdere massaprocessen, zodat het totaal aantal geëiste doodstraffen op 4 476 werd gebracht. Op 22 april werd de 15e terechtstelling sedert de staatsgreep
van september 1980 uitgevoerd. Op 15 mei waren reeds 112 gewezen volksvertegenwoordigers van de « Republikeinse Volkspartij »
door de militaire procureurs ondervraagd naar hun bindingen met
de progressistische vakbondscentrale DISK.
Deze enkele feiten onder de vele getuigen van de wijze, waarop de
militairen menen de rechtsorde in hun land te herstellen. En dan gewagen wij nog niet van het verbod van politieke en syndicale activiteiten, van het stakingsverbod, van het muilbanden van de pers, van
de folterpraktijken, en dergelijke meer.
Mag ik van de geachte minister vernemen :
1. Of hij na zijn bezoek aan Turkije nog rechtstreeks of onrechtstreeks tussenbeide is gekomen bij de autoriteiten van dat land;
-
Annales parlementaires
-- Parlementaire Handelingen
Senat
1280
Senaat
2. Of op de recente Navo-bijeenkomsten te Luxemburg en te
Bonn aan de Turkse leiders duidelijk werd gemaakt dat het Bondgenootschap slechts kan openstaan voor landen waar de democratie
wordt geëerbiedigd en de rechten van de mens niet worden geschonden;
3. Welke concrete stappen meent te kunnen doen om de
rechtsorde in dat land te doen terugkeren?
hij
-
De Voorzitter. Het woord is aan minister De Croo, die zal
antwoorden namens minister Tindemans.
De heer De Croo, minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het
geachte lid weet hoezeer de regering bekommerd is om het behoud
van de democratie en de eerbiediging van de mensenrechten overal
ter wereld. Zij laat geen enkele inspanning onverlet om deze principes te verdedigen, zeker niet wanneer het gaat om een land als Turkije, dat evenals België lid is van het Atlantisch Bondgenootschap.
Na mijn bezoek aan Ankara op 19 en 20 maart j.l ., in opdracht
van de Ministerraad van de Tien, heb ik aan onze ambassadeur aldaar opdracht gegeven nauwgezet de dossiers te volgen van de talrijke personen en groepen die om mijn tussenkomst hebben gevraagd. De ambassadeur houdt mij dan ook regelmatig op de hoogte van de evolutie van deze gevallen.
Herhaaldelijk heb ik ook mijn collega de heer Turkmen persoonlijk over de toestand in Turkije gesproken. Dit is onder meer gebeurd in april tijdens de zitting van de Ministerraad van de Raad
van Europa te Straatsburg, in mei tijdens de Navo-Ministerraad te
Luxemburg en in juni tijdens de Navo-top te Bonn. Op deze laatste
vergadering heeft de Eerste minister van Turkije, de heer Ulusu,
plechtig voor de andere aanwezige staats- en regeringshoofden
bevestigd dat de voorgelegde kalender voor de terugkeer naar de
democratie zal worden geëerbiedigd, dit wil zeggen dat een referendum over de grondwet dit jaar nog in november zal worden ingericht en dat de parlementsverkiezingen in de herfst 1983 of ten laatste in het voorjaar 1984 zullen plaatshebben.
Ik meen dat het belangrijk is dat, in het kader van de bestaande
internationale democratische instellingen waarvan dat land deel uitmaakt of waarbij het geassocieerd is, de Turkse regering met grote
aandrang en regelmaat wordt aangezet tot eerbiediging van de vermelde fundamentele beginselen. Het behoud van die institutionele
band met de westerse democratieën lijkt mij de beste waarborg om
binnen de gestelde tijdslimiet tot het beoogde resultaat te komen.
Het is in die zin dat de Belgische regering alles in het werk stelt om
Turkije ertoe te brengen de algemeen geldende rechtsprincipes zo
vlug mogelijk opnieuw toe te passen.
-
-
M. le Président. Avant le départ de M. le ministre, je voudrais
le remercier, au nom du Sénat unanime, de sa contribution omnivalente aux travaux du Sénat. (Applaudissements.)
La parole est à M. Roland Gillet.
-
M. R. Gillet. Monsieur le Président, je joins mes félicitations
aux vôtres. Il est vraiment très courageux de la part de M. le ministre de passer tout l'après-midi ici, afin de répondre aux questions de
nos collègues, mais c'est contraire à toutes les règles du parlementarisme. est anormal qu'un seul ministre réponde au nom de tous
les autres, alors que nous nous adressons aux ministres respectifs,
parfaitement au courant du problème traité. C'est contraire à l'esprit du question time, je tiens à le souligner.
M. Paque. On a choisi un ministre qui sait faire du jogging.
Il
(Sourires.)
-
QUESTION ORALE DE M. PAQUE A M. TROMONT, MINISTRE DE L'EDUCATION NATIONALE SUR « LA CREATION
D'UN CONSEIL PLURALISTE DE L'ENSEIGNEMENT DE
L'ETAT »
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER PAQUE AAN DE HEER
TROMONT, MINISTER VAN ONDERWIJS, OVER « DE INSTELLING VAN EEN PLURALISTISCHE RAAD VOOR HET
RIJKSONDERWIJS »
-
M. le President. Nous abordons la question orale de M. Paque
à M. Tromont, ministre de l'Education nationale, sur « la création
d'un Conseil pluraliste de l'enseignement de l'Etat ».
La parole est à M. Paque.
-
M. Paque. Monsieur le Président, monsieur le ministre, votre
honorable collègue neerlandophone, M. Coens, a déclaré à plusieurs
reprises, et encore très récemment, qu'il voulait créer un Conseil de
l'enseignement de l'Etat. Ce conseil serait pluraliste et reprendrait
certaines prérogatives actuellement attribuées à chaque ministre de
l'Education nationale, en sa qualité de pouvoir organisateur, et non
en sa qualité de ministre de tutelle de l'enseignement.
Les récentes déclarations de M. le ministre Coens démontrent que
cette idée « a mûri ». En effet, les compétences du Conseil pluraliste
de l'enseignement de l'Etat y sont précisées
Je souhaiterais savoir si les deux ministres de l'Education nationale ont arrêté une position commune sur la composition et les pouvoirs de ce Conseil pluraliste de l'enseignement de l'Etat.
Est-ce que l'honorable ministre de l'Education nationale accepte
le pluralisme dans la composition de ce Conseil ?
Par ailleurs, quel serait l'avenir de l'enseignement pluraliste si
l'enseignement de l'Etat était géré par un conseil pluraliste ?
Enfin, allez-vous, votre collègue néerlandophone et vous-même,
déposer un projet commun en Commission nationale du Pacte sco-
laire?
M. le Président. La parole est à M. Tromont, ministre.
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. Monsieur le
Président, chers collègues, les déclarations récentes de mon honorable collègue, M. Coens, relatives au « Conseil pluraliste de l'enseine faut pas
gnement » que je parle pour les non-initiés
confondre avec le Conseil de l'enseignement pluraliste, consistaient
en une interprétation de l'un des points de la déclaration gouverne-
-
- il
-
mentale.
Mon collègue voyait dans ce conseil pluraliste le moyen de depolitiser l'enseignement de l'Etat et d'en accroître la décentralisation.
Sans nul doute, on peut être largement d'accord sur les objectifs
ainsi tracés.
La déclaration gouvernementale, quant à elle, évoque un transfert
de compétences des ministres vers un organe agréé, après consultation de la Commission nationale du Pacte scolaire.
Telles sont les données de fait. J'ajoute que les deux ministres de
l'Education nationale n'ont pas, à l'heure actuelle, entamé la concertation nécessaire et préalable à la transmission pour avis à la Commission nationale du Pacte scolaire.
Sans la question de l'honorable membre, j'aurais, pour ma part,
différé encore le moment de m'exprimer sur le sujet. En effet, aussi
longtemps que les réseaux vivent en concurrence, la question de
savoir quelle forme doit revêtir ce Conseil de l'enseignement a une
importance considérable.
Sans doute la question ne se poserait pas avec la même acuité si
l'enseignement pluraliste se substituait à tous les réseaux existants et
effaçait toutes les formes de concurrence ou d'affrontement.
Aussi voudrais-je en revenir aux termes même de la déclaration
gouvernementale sur le sujet « En vue d'améliorer et de maintenir
la spécificité et la continuité de l'enseignement de l'Etat, le gouvernement prendra, après consultation de la Commission du Pacte scolaire, les initiatives nécessaires pour autoriser les ministres de l'Edu
cation nationale à transférer des compétences relatives à l'enseignement de l'Etat à un organe agréé dont la forme et les moyens seront .
déterminés ultérieurement. »
:
M.
M.
DEGROEVE A
TROMONT,
QUESTION ORALE DE
MINISTRE DE L'EDUCATION NATIONALE, SUR « L'ORGAPROMOTION
NISATION DE L'ENSEIGNEMENT DE
SOCIALE SOUS FORME DE MODULES »
MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER DEGROEVE AAN DE
HEER TROMONT, MINISTER VAN ONDERWIJS, OVER
« DE INRICHTING VAN HET ONDERWIJS VOOR SOCIALE
PROMOTIE IN DE VORM VAN OPLEIDINGSMODULES »
de
le Président. - L'ordre du jour appelle la question oralesur
M.Degroeve
à M. Tromont, ministre de l'Education nationale,
M.
«
sociale sous forme
l'organisation de l'enseignement de promotion
de modules »
La parole est à M. Degroeve.
M. Degroeve. Monsieur le Président, monsieur le ministre, mes
chers collègues, la Cour des comptes s'oppose au paiement des
vacataires repris dans l'enseignement de promotion sociale sous
-
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
128
forme de modules de formation, et ce, depuis que le ministre de loise a des conséquences de plus en plus graves sur la vie des habitants de l'ensemble de l'agglomération et plus particulièrement des
l'Education nationale a créé, en 1979, ce type d'enseignement.
Le 24 février 1982, à une question écrite de l'honorable député communes situées à l'est de Bruxelles.
Le choix de cette situation a été fait initialement en fonction des
annonciez que vous preniez « les mesures qui
M. J. Michel, vous
s'imposent tant vis-à-vis de la Cour des compte, que vis-à-vis des vents dominants dans ce pays, de sorte que le décollage des avions a
presque toujours lieu au-dessus de l'agglomération.
vacataires eux-mêmes ».
Le 31 mars 1982, dans la discussion du budget 1981 de l'EducaIl eût été normal et logique de déplacer l'aéroport dans le Brabant
tion nationale, vous reaffirmiez à l'honorable député Gondry que wallon. Ce n'est pas ce qui a été fait, et ona continué à développer
vous aviez « entrepris des démarches pour débloquer cette situation Bruxelles-National de manière telle qu'il y a actuellement impossibilité totale de résoudre les problèmes qui se posent.
auprès de la Cour des comptes ».
Les mesures pratiques qui ont été prises pour le fonctionnement
A ce jour la Cour des comptes refuse toujours de revoir sa poside l'aéroport et la légèreté de certaines compagnies aériennes qui ne
tion.
respectent pas les procédures de décollage sans qu'apparemment les
Monsieur le ministre voudrait-il me dire :
publics s'émeuvent - contrairement à ce qui se fait à
Quelles mesures a prises, depuis février 1982, pour déblo- pouvoirs
l'étranger, et notamment en France, où des compagnies ont été
quer le problème ?
condamnées pour non-respect des procédures font qu'on peut
Quand les vacataires peuvent espérer être payés ?
s'attendre aujourd'hui à un accident catastrophique. Celui-ci paraît
statistiquement inévitable quand on voit les conditions dans lesquelles certains avions décollent, notamment au-dessus de la commune
M. le Président. La parole est à M. Tromont, ministre.
il
-
-
-
-
le
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. - Monsieur
à l'honoraPrésident, chers collègues, j'ai l'honneur de faire savoir
ble membre que le problème du paiement des vacataires engagés
dans les modules de formation depuis septembre 1979 préoccupe
mon cabinet depuis l'installation du nouveau gouvernement.
En effet, la Cour des comptes a toujours fait et continue à faire
opposition audit paiement et ce pour plusieurs raisons que j'ai énumérées lors de ma réponse à la question parlementaire à M. le
député Michel, que je me permettrai de rappeler ici :
1º Le fondement légal ou réglementaire de la création des
modules de formation n'est pas suffisamment établi; mais en fait
s'agissait d'une expérience, ne l'oublions pas.
2º La détermination du statut du vacataire n'a jamais été bien
précisée s'agit-il d'un indépendant ou d'une personne engagée dans
les liens d'un contrat ? Il n'y a pas eu, jusqu'à présent, de détermination à ce sujet.
3º Le montant de la rémunération ou des honoraires payés aux
vacataires manque de fondement légal ou réglementaire certain.
C'est essentiellement sur ce dernier point que l'opposition s'est
manifestée à la Cour des comptes, celle-ci estimant exagérée la hauteur de ladite rémunération ou desdits honoraires.
Quoi qu'il en soit, je suis bien conscient que l'Etat, ayant pris des
engagements à l'égard de ces vacataires, doit payer les personnes
auxquelles a fait appel pour enseigner dans les modules de formation et ce aux conditions qui ont été fixées au départ de l'expérimentation. Il ne peut unilatéralement revenir sur ces conditions.
C'est pourquoi j'ai soumis au Conseil des ministres un projet de
délibération contentieuse en lui demandant d'imposer à la Cour des
comptes de viser la dépense. Le dossier passera à la prochaine réunion du Conseil des ministres ce vendredi, 25 juin.
Une fois l'approbation du Conseil des ministres obtenue, le paiement s'effectuera dans les trois mois, je pense.
il
:
il
INTERPELLATION DE M. S. MOUREAUX AU MINISTRE DES
COMMUNICATIONS ET DES POSTES, TELEGRAPHES ET
TELEPHONES, SUR « LES NUISANCES ET DANGERS
ENTRAINES PAR LE SURVOL DES COMMUNES DE L'EST
DE BRUXELLES PAR LES AVIONS DES LIGNES REGULIERES
ET LES VOLS CHARTERS QUI PARTENT DE L'AEROPORT
DE BRUXELLES-NATIONAL »
INTERPELLATIE VAN DE HEER S. MOUREAUX TOT DE MINISTER VAN VERKEERSWEZEN EN POSTERIJEN, TELEGRAFIE EN TELEFONIE, OVER « DE HINDER EN HET GEVAAR VEROORZAAKT DOOR DE GEREGELDE VLUCHTEN
EN DE CHARTERVLUCHTEN VANAF HET VLIEGVELD
VAN BRUSSEL-NATIONAAL BOVEN DE GEMEENTEN TEN
OOSTEN VAN BRUSSEL »
M. le Président. L'ordre du jour appelle l'interpellation de M.
Serge Moureaux au ministre des Communications et des PTT sur les
nuisances et dangers entraînés par le survol des communes de l'Est
de Bruxelles par les avions décollant de Bruxelles-National.
La parole est à l'interpellateur.
-
-
M. S. Moureaux. Monsieur le President, monsieur le ministre,
chers collègues, est évident que la situation géographique de l'aé-
il
roport de Bruxelles-National
par rapport à l'agglomération bruxel-
d'Evere.
On n'interroge pas un ministre sur ses intentions. Je vous interrogerai donc sur la manière dont vous avez envisagé le problème en
prenant votre departement en main. Vous aurez certainement
constaté que la Régie des Voies aériennes avait reçu, vers 19741975, alors que M. Chabert était ministre, des directives dans lesquelles on pouvait lire que le département des Communications a
décidé de délester davantage la zone Wemmel-Meise en modifiant le
trace de la route de départ Ortho-Diekirch pour les quadrimoteurs.
Une telle décision peut paraître anodine à première vue, mais elle
l'est moins quand on réfléchit aux affinités de ce ministre avec la
commune en question.
Dans ces directives, on peut lire également qu'il est décidé de
modifier la route de départ vers Silly pendant les week-ends et que
cette mesure est fondée sur le fait que le chiffre de la population de
l'agglomération bruxelloise varie fortement pendant les mois d'été et
les fins de semaine, ce qui n'est pas le cas de la population des communes limitrophes de l'agglomération.
Je dois vous avouer, monsieur le ministre, que cette façon de jusahurissante. n'est
tifier une pareille mesure me paraît proprement
pas du tout évident que la totalité ou même la majorité des habitants des communes de l'est de Bruxelles, comme Evere, aient une
seconde résidence et puissent ainsi échapper au survol des avions.
Si j'ai cru opportun de vous poser clairement la question aujourd'hui, c'est parce qu'il est apparu, de mesures de bruit qu'on a pu
effectuer récemment, que la situation s'aggrave constamment et que,
dans des quartiers calmes situés à proximité des zones de décollage
de l'aéroport, on atteint fréquemment quelque 80 décibels, ce qui
est tout à fait anormal, surtout pendant le week-end.
Il n'est pas normal que dans des zones résidentielles, à la suite de
décollage d'une vingtaine d'avions tous les soirs et d'une vingtaine
d'avions tous les matins, le nombre des décibels atteigne des sommets comparables à ceux des bords d'autoroute.
faudrait absolument que vous preniez de nouvelles mesures,
monsieur le ministre, pour ce qui concerne les procédures de décollage et qu'en tout cas, vous fassiez vérifier soigneusement que les
compagnies aériennes, notamment pour les vols charter, suivent les
instructions. Au besoin, vous devriez faire modifier celles-ci s'il
apparaissait qu'elles sont incompatibles avec la sécurité et la tranquillité des habitants de l'agglomération bruxelloise.
Il
Il
-
M. le Président. La parole est à M. De Croo, ministre.
M. De Croo, ministre des Communications et des Postes, Télégraphes et Téléphones. - Monsieur le Président, vous pouvez vous
à me trouver dans cette Haute
rendre compte que je prends plaisir
Assemblée. (Sourires.) Je remercie d'ailleurs mes collègues d'avoir
accepté que cette interpellation puisse être développée maintenant.
Monsieur Moureaux, je suis attentif à vos propos. Il ne s'agit pas
là d'une simple formule de politesse, mais je me rends compte,
quand je me trouve aux abords d'un aéroport, celui de Bruxelles
notamment, qu'on ne peut faire décoller un avion sans un minimum
de bruit. De toute évidence, cela n'est pas possible.
Ce bruit est assez dérangeant, pour ne pas user d'un mot franglais
« disturbant », lorsque les longs courriers quittent notre aéroport à
des heures tantôt tardives, tantôt matinales. On ne peut pas ne pas
s'en soucier.
Cependant, il ne faut pas en exagérer l'importance.
Au surplus, et on peut le regretter, faut constater une régression
il
dans le nombre de vols, de mouvement, pour reprendre le jargon
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1282
aéronautique. Le trafic est, en effet, tombé de 114 661 à 112 425
mouvements entre 1979 et 1980. On note environ 7 000 vols en
moins en 1981. Le total atteint 105 066 vols, pour être exact.
On me dit que le trafic en 1982 stagne ou se stabilise. y a donc
moins de trafic à l'aéroport national que voici quelques années.
Deuxième point important, on a amélioré progressivement les
qualités acoustiques des avions.
Vous vous en souviendrez peut-être, dès 1975 un arrêté ministériel était pris qui fixait les normes acoustiques pour la délivrance
des certificats de navigabilité des avions à réaction subsoniques. Ces
efforts se sont poursuivis au niveau européen, pour aboutir à la
publication d'une directive du Conseil des Communautés européennes, en date du 20 décembre 1979, relative à la limitation des
émissions sonores des aéronefs subsoniques, reprenant les normes
favorables des émissions sonores fixées par l'Organisation de l'aviation civile internationale.
Cette législation a été transposée assez rapidement dans notre
royal du 5 juin 1980 fixant, en ce qui
droit interne, par l'arrêté
concerne le bruit émis, les conditions de délivrance et de renouvelledes
ment certificats de navigabilité des avions subsoniques.
Cette réglementation a contribué à l'assainissement progressif,
mais sensible, des flottes belges. J'ajoute qu'en ma qualité de président du Conseil européen des ministres des Transports, le 10 juin
dernier, à Luxembourg, j'ai obtenu l'unanimité des dix pays malgré les fortes réticences de la Grèce, et surtout de l'Italie pour
qu'une réglementation semblable soit d'application pour les avions
en provenance des pays tiers.
En effet, si la Belgique pouvait déterminer le seuil sonore et les
conditions d'octroi des certificats de navigabilité pour ses avions et
ceux des pays de la Communauté européenne, elle était impuissante
pour réglementer le bruit, parfois intense, produit par certains types
d'avions, notamment des avions revendus en deuxième ou en troisième main à des exploitants établis dans des pays externes à la
Communauté.
Je puis vous annoncer une bonne nouvelle après maintes concertations et maints efforts, nous avons obtenu des résultats remarquables dans ce domaine. Ainsi, à partir de 1988 une période transitoire est en effet nécessaire les aéroports des pays de la Communauté n'accepteront plus d'avions venant de pays tiers et qui dépasseraient les normes que je viens de citer.
Enfin, des techniques opérationnelles de moindre bruit ont été
introduites. Les premières mesures datent de 1965, lorsqu'il a été
procédé à la limitation des essais de moteurs et des vols d'entraînement. La procédure d'utilisation préférentielle des pistes, et vous en
avez évoqué l'un ou l'autre élément, a été appliquée dès 1970.
La mise au point de routes normalisées s'est faite en 1971 avec
mise en application dès 1972. Le perfectionnement de ces routes est
constamment poursuivi. Ces routes prescrivent des gradients de
montée et des altitudes à respecter. Les trajectoires ont été déterminées pour éviter, autant que possible, les zones à forte densité de
Il
--
-,
:
-
population.
Toute cette évolution s'est traduite par le rétrécissement progressif
des zones de gêne et par une diminution du nombre d'habitants
affectés.
En réalité, la gêne ne sera jamais totalement éliminée; à la lumière
de ce que vous avez dit, je réexaminerai certaines des procédures
dont vous avez parlé. Je me souviens que, naguère, à propos des
directives données, le Sénat me le pardonne, on avait parlé du Chabert-way dont on avait quelque peu denonce l'étendue.
En ce qui concerne le risque dont vous avez parle, on m'assure
que les procédures de moindre bruit sont établies de telle façon
qu'elles n'altèrent aucunement le niveau de sécurité élevé acquis tant
par la construction que par le mode d'utilisation des aéronefs. On
me signale également qu'il est veillé à la stricte application des
mesures énoncées. Les procedures sont bien respectées par les
pilotes et mes services n'ont connaissance d'aucun abus.
Enfin, monsieur le Président, chers collègues, vous savez que nous
avons pris en main les différents problèmes de l'aérodrome national
situé à Zaventem et en particulier, l'accueil des utilisateurs tant à
l'arrivée qu'au départ. Je suis extrêmement conscient du fait qu'en
raison du tissu urbain belge, plus que bruxellois encore, serait difficile, voire impossible, de trouver une autre localisation pour cet
aéroport. Zaventem a l'avantage d'être à proximité du centre de
Bruxelles, même si cette localisation implique un certain nombre
d'inconvénients qui ne peuvent être tout à fait elimines.
Je remercie M. Moureaux de m'avoir permis d'informer le Sénat,
ainsi que l'opinion publique, que, dans la mesure du possible, c'està-dire en respectant les normes de sécurité et les réglementations
il
tant nationales qu'européennes auxquelles nous avons souscrit, en
escomptant un résultat favorable de la procédure commune que les
ministres européens ont réussi à élaborer le 10 juin dernier, nous
nous efforcerons de diminuer encore les inconvénients pour ceux
qui, de par la localisation de leur habitation, doivent malheureusement les subir. Je m'attacherai à ce que cela soit bientôt une réalité.
M. le President. - L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
INTERPELLATION DE M. J. PEETERMANS AUX MINISTRES
DE L'EDUCATION NATIONALE SUR « L'APPLICATION DE
LA LOI DU 30 JUILLET 1963 CONCERNANT LE REGIME
LINGUISTIQUE DANS L'ENSEIGNEMENT, TELLE QU'ELLE
A ETE MODIFIEE PAR LA LOI DU 26 JUILLET 1971 »
INTERPELLATIE VAN DE HEER J. PEETERMANS TOT DE MINISTERS VAN ONDERWIJS OVER « DE TOEPASSING VAN
DE WET VAN 30 JULI 1963 HOUDENDE TAALREGELING
IN HET ONDERWIJS, ZOALS GEWIJZIGD BIJ DE WET VAN
26 JULI 1971 »
M. le Président. L'ordre du jour appelle l'interpellation de M.
Jules Peetermans aux ministres de l'Education nationale sur « l'application de la loi du 30 juillet 1963 concernant le régime linguistique dans l'enseignement, telle qu'elle a été modifiée par la loi du 26
-
juillet 1971 ».
La parole est à l'interpellateur.
-
M. J. Peetermans. Monsieur le Président, messieurs les ministres, chers collègues, la loi du 30 juillet 1963 règle la question du
régime linguistique dans l'enseignement. Dans l'arrondissement de
Bruxelles-Capitale, la langue de l'enseignement est le néerlandais ou
le français, selon le choix du chef de famille, lorsque celui-ci réside
dans cet arrondissement.
Les élèves de l'arrondissement de Bruxelles-Capitale dont les
parents résident en dehors de cet arrondissement ne peuvent fréquenter qu'une école dont la langue de l'enseignement est celle de la
région de résidence des parents, sauf déclaration contraire du chef
de famille, approuvée par l'inspection linguistique.
Or, chacun sait que toutes les communes qui entourent BruxellesCapitale sont considérées, arbitrairement, comme appartenant à la
région flamande. Les enfants venant de la périphérie bruxelloise
sont donc soumis à une discrimination fondée à la fois sur la résidence et sur la langue, les uns devant faire l'objet d'une déclaration
linguistique contrôlée par l'inspection, ...
Mevrouw N. Maes.
daar toch !
-
- Dat is omdat ze het zelf willen. Ze wonen
M. J. Peetermans. Chère collègue, si vous avez des objections à
formuler, vous aurez l'occasion de venir les développer. Laissez-moi
donc continuer, vous serez d'autant mieux armée pour me répondre
et, si vous le pouvez, pour diminuer la valeur de mes arguments. Je
termine donc ma phrase ... les autres étant dispensés de cette obligation. Une telle discrimination est manifestement contraire aux .
droits de l'homme.
Ce n'est pas la seule anomalie que l'on relève en matière d'emploi
des langues dans l'enseignement bruxellois. Il s'en faut de beaucoup.
Selon la loi, l'Etat doit organiser ou subventionner, dans l'arrondissement de Bruxelles-Capitale, tout enseignement primaire et
maternel nécessaire pour que les parents domiciliés dans cet arrondissement puissent envoyer leurs enfants à l'école de leur choix et à
:
une distance raisonnable.
Voilà certes un excellent principe, valable d'ailleurs dans tout le
pays.
Quant à l'application de ce principe, elle est réglée notamment
par l'arrêté royal du 27 octobre 1966, qui fixe les normes de population dans les écoles maternelles et primaires. Et c'est là que le bât
blesse
!
L'article 35 de cet arrêté royal prévoit, en effet, des dérogations
leur accordant des conditions extraordinairement favorables pour
l'octroi des subventions. Il est expressément stipulé dans le libellé de
cet article que les dérogations sont provisoires. Or, depuis 1966,
bien loin d'avoir été abrogées, elles ont été rendues plus favorables
encore pour les écoles flamandes, en vertu de l'arrêté royal du 5 mai
en faveur des classes de régime néerlandais de Bruxelles-Capitale,
1972.
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
283
Il
Nulle part dans le pays, ni en Flandre ni en Wallonie, on ne
connaît de dispositions aussi généreuses en matière de création et de
maintien d'écoles et de classes.
est mensonger, en effet, de prétendre que l'on devient polyglotte
dans les classes primaires flamandes. On y reçoit simplement un
cours de seconde langue, tout comme dans les classes françaises.
M. J. Peetermans. - Pour illustrer cette affirmation, je me borneil
est bien entendu que j'en tiens d'autres à la disposition de ceux qui
voudraient des indications plus complètes.
Sur le territoire de Bruxelles-Capitale, dans l'enseignement pri130 élèves pour classes.
maire,
heid zijn slecht bij u.
Mevrouw N. Maes.
- In Ronse, driemaal !
rai à citer trois chiffres, pour ne pas abuser de votre temps, mais
six
il faut
Dans les communes qui comptent moins de 50 habitants au km2
110
en a peut-être quelques-unes dans le Luxembourg
-élèvesysont
exigés pour le maintien de six classes. Mais dans l'enseignement néerlandais organisé dans les dix-neuf communes de l'agglomération bruxelloise, 85 élèves suffisent pour six classes pri-
il
-
maires.
Dois-je vous rappeler, messieurs les ministres, chers collègues, que
la densité moyenne de la population des dix-neuf communes est de
6 200 habitants au km2?
Soutiendra-t-on que sur ces 6 200 habitants n'y a pas 50
néerlandophones, en moyenne ?
Ce serait cependant la seule raison de justifier et encore partiellement les discriminations que je dénonce. -
il
-
Mevrouw N. Maes.
termans.
- U kent uw geschiedenis niet, mijnheer Pee-
M. Humblet. - Pour vous, madame Maes, seule compte la
manière dont vous écrivez l'histoire
-
!
M. J. Peetermans. Dans certains milieux, on agite un autre
argument: paraît que ces privilèges exorbitants seraient une
« compensation » accordée en échange de la « liberté du père de
famille ». En Belgique, la liberté serait un luxe coûteux, et, à en
croire certains, une injustice ne pourrait être supprimée qu'au prix
d'une autre injustice.
Les défenseurs des mesures de faveur octroyées aux néerlandophones en appellent aussi au respect du libre choix des parents.
Selon eux, la population flamande de la région bruxelloise est tellement clairsemée qu'il faut lui accorder des conditions particulières
pour lui permettre de subsister.
Curieusement, ce sont les mêmes qui contestent toutes facilités
dans la périphérie, qui refusent aux cent mille francophones qui y
habitent non seulement les avantages discriminatoires accordés aux
Flamands de Bruxelles-Capitale, mais même le respect des droits les
plus élémentaires. Ce sont les mêmes aussi qui voudraient s'opposer
à notre proposition de décret dont l'adoption permettrait de créer
des classes françaises, à charge du budget de la Communauté française, là où existent des minorités francophones importantes. Etonnantes contradictions
Certes, convient de permettre aux chefs de famille bruxellois
d'assurer effectivement leur liberté de choix. Mais faut bien
constater qu'un pourcentage non négligeable des enfants inscrits
dans les écoles néerlandaises de Bruxelles-Capitale n'habitent pas la
région bruxelloise. Ils y sont amenés par les navetteurs venant du
Brabant flamand et même d'autres provinces, et bénéficient eux
aussi des normes préférentielles prétendument réservées aux Bruxellois néerlandophones.
On le voit, la volonté véritable qui sous-tend pareille situation
n'est pas de répondre raisonnablement à un besoin réel, mais bien
de mettre tout en œuvre pour « flamandiser »> un maximum de petits
Bruxellois.
Cette affirmation est corroborée par la propagande de la
Nederlandse Cultuurcommissie qui n'hésite pas à s'adresser en français aux parents francophones. Elle les exhorte à inscrire leur enfant
dans une école néerlandaise « car maîtrisera le néerlandais dès son
plus jeune âge, car profitera de laboratoires de langues ultramodernes, car il bénéficiera de cours quasi individuels (peu d'élèves par
classe). Sans oublier une scolarité heureuse: des classes « de plein
air » en Ardenne et à la mer, des vacances amusantes dans une de
nos « écoles vertes » de la périphérie ... », etc.
Tel est le bourrage de crâne intensif auquel on se livre actuellement avec l'argent de l'Etat.
Car pour les « flamandiseurs », n'y a pas de restrictions budgétaires et tous les moyens sont bons, y compris la concurrence
déloyale. J'ai dit « déloyale ».
Il
il
!
il
il
il
il
Mevrouw N. Maes.
- Maar de resultaten inzake de tweetalig-
-!
M. J. Peetermans. Quinze ans de discriminations provisoires,
c'est plus qu'il n'en faut
En conséquence, j'ai déposé une proposition de loi, qui porte le
numéro 157 et est datée du 11 mars 1982. Très curieusement, la
commission de l'Enseignement et de la Science, en sa séance du 27
mai dernier, a jugé ma proposition inopportune.
Pouvait-elle agir de la sorte?
Notre règlement décrit la procédure de dépôt et de discussion des
propositions de loi. L'article 45 est très clair « Au jour fixe, la discussion générale est ouverte et le président consulte le Sénat afin de
savoir s'il prend en considération la proposition qui lui est soumise,
s'il l'ajourne ou s'il déclare qu'il n'y a pas lieu d'en délibérer. Si le
Sénat décide qu'il la prend en considération, elle est renvoyée à
l'examen de la commission compétente qui la porte à son ordre du
jour au plus tard un an après le dépôt. »
La commission de l'Enseignement et de la Science n'a pas attendu
un an pour porter ma proposition à son ordre du jour, mais elle en
a reporté la discussion sine die, s'appropriant ainsi indûment, selon
moi, une prérogative de l'assemblée plénière du Sénat.
Cette tentative d'esquiver le débat public n'honore pas ceux qui
s'y sont livrés et elle est dangereuse pour la démocratie.
Je suis donc heureux d'avoir pu développer mon interpellation à
cette tribune. Toutefois, je déplorerais vivement qu'elle demeurât
sans résultats concrets.
Une modification de la loi n'est pas nécessaire pour uniformiser
les normes de création, de maintien et de subvention des emplois
dans l'enseignement sur le territoire de Bruxelles-capitale. Un arrêté
royal suffit. En ces temps difficiles, où le gouvernement vient d'user
de ses pouvoirs spéciaux pour réduire d'un milliard le budget de
l'enseignement, on ne comprendrait pas qu'il réserve ses largesses à
une catégorie privilégiée de citoyens, alors qu'il rogne sur des crédits
autrement justifiés.
En conclusion, je demande instamment à MM. les ministres de
mettre fin à des pratiques discriminatoires dans la région de Bruxelles et de soumettre aux mêmes normes la création, le maintien et la
subvention des emplois et des classes de l'enseignement primaire et
maternel, quel que soit le régime linguistique des établissements scolaires, compte tenu toutefois de la nécessité de permettre l'exercice
effectif du libre choix du chef de famille, ce qui implique le recours
éventuel à un nombre limité de dérogations exceptionnelles et
dûment motivées. (Applaudissements sur divers bancs.)
:
-
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Vandezande.
De heer Vandezande. Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de minister, geachte collega's, ik sta perplex na de interpellatie van de
heer Jules Peetermans. Hij zou best eerst voor eigen deur vegen. Hij
zet de zaken op hun kop met eerst over de toestand buiten Brussel
te spreken.
Ik zal eerst even de toestand te Brussel belichten.
Aanvankelijk was de taalwet zo opgesteld dat er voor Brussel
geen keuze bestond en het onderwijs moest worden gevolgd in de
voertaal van de ouders. Men heeft te Brussel dan, tegen onze zin, de
vrijheid van het gezinshoofd ingevoerd.
De interpellant heeft dan gesproken over de normen die verschillend zijn voor de Nederlandstaligen en de Franstaligen en durft dit
een grote discriminatie voor de Franstaligen noemen.
Mijnheer Peetermans, hier is helemaal geen sprake van discriminatie. Ik verwijs in dit verband naar adviezen en arresten van de
Raad van State waaruit blijkt dat bepaalde personen die zich in dezelfde voorwaarden bevinden, aparte normen kunnen genieten zonder dat het principe van de gelijkheid van alle Belgen voor de wet,
zoals neergeschreven in artikel 6 van de Grondwet, wordt ge-
-
schonden.
Ik geef twee voorbeelden.
Wij hebben vanmiddag in de Senaat nog een wet aangenomen in
verband met de vrijstelling van militaire dienst voor de universitair
gediplomeerden met kinderen met uitzondering van geneesheren. Op
mijn verzoek werd het probleem naar de Raad van State verwezen.
De Raad van State heeft gezegd dat er geen discriminatie bestaat en
er geen opmerkingen te formuleren zijn.
1284
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
Enkele jaren geleden werd onder bepaalde voorwaarden in oorlogsschade voorzien voor de inwoners van de Oostkantons. Het
stelsel werd door de wetgevende macht niet uitgebreid tot het hele
landsgedeelte.
U beweert nu dat het onderwijs te Brussel dat genoten wordt
door personen woonachtig buiten Brussel, moet gebeuren in de taal
van hun gemeente, behalve wanneer mocht blijken dat zij thuis de
andere landstaal spreken. U noemt de inspectie die op dat vlak geschiedt, willekeurig. Met andere woorden, u is begonnen met voor
Brussel de vrijheid van het gezinshoofd te huldigen en wilt die uitbreiden tot buiten Brussel. U hebt cijfers geciteerd, maar die interesseren mij niet. De Raad van State heeft immers ter zake duidelijk
uitspraak gedaan.
Als lid van een wetgevend lichaam mag u om het even welk voorstel doen waarmee het hele land wordt bestreken, maar de inrichting van het onderwijs is een zaak die de gemeenschappen aanbelangt. Wanneer u een wetsvoorstel indient, dan mag u geen gemeenschapsprobleem daaraan voorzien. Als gemeenschap hebt u territoriale grenzen, die u niet moogt overtreden.
Ik heb vernomen dat u over die aangelegenheid in de Conseil de
la Communauté française een voorstel van decreet hebt ingediend.
Wanneer dat niet het geval is, dan zal u mij tegenspreken.
Het schijnt tot u niet door te dringen dat de Eerste minister hier
herhaaldelijk, heeft gezegd dat u over geen enkele grondwettelijke of
wettelijke tekst beschikt om deze maatregelen uit te vaardigen. En
toch treft u ze!
Ten einde raad heeft men weer eens het advies van de Raad van
State ingewonnen en heeft men weer eens dat zelfde beginsel bevestigd dat gebaseerd is op artikel 3bis van de Grondwet en op de taalwetgeving. Blijkbaar kan men u niet overtuigen.
Drie weken geleden is door de Raad van State een arrest geveld
inzake Verheyden van Kraainem, waar hetzelfde beginsel, zij het
dan in beperkte mate en betreffende parkeermeters, geldt.
U zult eerstdaags een ander arrest van de Raad van State krijgen.
niet hoe dat zal luiden, maar indien de Raad van State zich
Ik weet
laat inspireren door het arrest Verheyden, dan zal dit hetzelfde zijn
als dat arrest.
Niettegenstaande alle grondwettelijke en wettelijke bepalingen
heeft de heer Busquin, toen hij minister van Binnenlandse Zaken
was, aan de gouverneur opdracht gegeven om in de gemeenteraden
bij de stemmingen het gebruik van een taal te dulden die niet toegelaten was.
Indien het arrest Verheyden verder wordt doorgetrokken zal ook
die circulaire moeten worden vernietigd.
Het verwondert mij dat een minister, niettegenstaande de Eerste
minister op dit podium gezegd heeft, ik herhaal het, dat er geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling is die dat toelaat, toch
wenst te volharden. U wenst dus in het Vlaamse land Franstalig onderwijs te installeren.
De heer Bascour heeft in de Vlaamse Raad een gelijkluidend
voorstel van decreet ingediend, maar dan in de andere zin, zodat
beide voorstellen van decreet elkaar doorkruisen, wat betreft de territoriale bevoegdheid en de ene gemeenschap mag zich niet begeven
op het domein van de andere.
Wij zullen zien hoe het advies van de Raad van State, afdeling
wetgeving, zal luiden. Blijkbaar gaat het er bij u niet in dat er een
territoriale bevoegdheid bestaat sinds de grondwetsherzieningen van
1970 en 1980.
U klaagt de propaganda aan en u hebt hier in dit verband het
betrokken tijdschrift getoond. U zei daarbij dat men v
Nederlandstalige zijde een ongehoorde propaganda voert voor het
Nederlands onderwijs in Brussel.
Dan ben ik weer verrast. Als u de vrijheid van het gezinshoofd in
Brussel aanhaalt, waarom mogen de Nederlandstaligen in Brussel
dan geen propaganda maken om het Nederlandstalig onderwijs aan
te prijzen als het onderwijs dat grote toekomst biedt? Waarom mag
dat niet, mijnheer Peetermans? U zou er best aan doen binnen uw
eigen territoriaal ambtsgebied te blijven.
In 1928, een periode van pauperisme in Vlaanderen, weken tienduizenden Vlaamse arbeiders uit naar Wallonie. Toen men op een
socialistisch congres om faciliteiten voor deze arbeiders die het
Frans niet machtig waren, vroeg, werd dit verzoek afgewezen. Vandervelde, minister van Staat, heeft toen gezegd: «Dat de Vlaamse
arbeiders naar Wallonië komen, dat zij onze gewoonte aannemen en
dat zij er trouwen met onze meisjes om aldus volwaardige Walen te
worden. » Zo sprak Staatsminister Vandervelde. Voor deze tienduizenden Vlamingen heeft men faciliteiten geweigerd. Zij moesten zich
maar aanpassen in de gemeente, in de school, in de kerk, in het ge-
hele maatschappelijke leven. Dan zijn de wetten van 1932 gekomen,
en daarna de grondwetsherziening. Dank zij of trots uw koppigheid,
heeft men in 1932 geen tweetalig stelsel ingevoerd. De Franstaligen
hebben zich daartegen toen verzet. Nu wil u tweetaligheid in Vlaanderen, doch eentaligheid in Wallonië, mijnheer Peetermans. Wij zetten echter geen stap terug, dat zij u duidelijk gezegd. (Applaus op
de banken van de Volksunie.)
-
M. le Président. La parole est à M. Humblet.
M. Humblet. Monsieur le Président, messieurs les ministres,
chers collègues, je voudrais intervenir, sur ce problème en réalité
beaucoup plus vaste que celui des normes en matière d'enseignement à Bruxelles, avec le même ton modéré que celui dont a usé M.
Peetermans.
Il faut savoir, en effet et je le dis en ma qualité d'ancien rapporteur d'une proposition- de loi en commission - que si le problème est évoqué ici, c'est parce que la majorité des membres de la
commission a refusé de discuter ladite proposition de loi qui avait
été pourtant prise en considération.
Il a été dit en commission - et M. Vandezande vient de le répéter - qu'un équilibre avait été cherche entre ces normes pour les
écoles à Bruxelles et la liberté du père de famille. Cette liberté est
un aspect des droits de l'homme. En la matière, on ne transige pas:
on les respecte ou l'on se déshonore.
L'argument ne tient évidemment pas. On n'a pas à invoquer tel
ou tel arrêté du Conseil d'Etat, d'autant plus qu'on ne fait pas référence, en ce qui concerne l'admission d'enfants de langue française
de communes autres que celles à facilités, au profit de la minorité
francophone, à un arrêt de la Cour des Droits de l'homme de Strasbourg, que la Belgique ne respecte toujours pas. On semble l'oublier
facilement ...
Mevrouw N. Maes. Ze zouden de faciliteiten maar moeten afschaffen, dan zou het in orde zijn.
-
-
M. Humblet. De même, on semble oublier également qu'on
viole une multitude de décisions des diverses instances européennes,
que ce soit à propos de l'environnement ou de la politique régionale.
M'associant aux préoccupations de M. Peetermans, je voudrais
terminer en vous citant le cas des enfants de travailleurs migrants à
Bruxelles notamment, qui pose des problèmes sociaux aigus et, par
rapport au niveau de vie actuel, bien plus aigus que ceux que
posaient les travailleurs flamands en Wallonie au début de ce siècle.
D'un point de vue pédagogique, nous portons une responsabilité
morale écrasante en imposant aux enfants de travailleurs migrants,
dès la troisième année primaire, une deuxième langue nationale.
C'est vraiment effarant. Ils sont inscrits soit en classe néerlandaise
soit en classe française et leur langue au foyer n'est pas l'arabe classique, mais bien un dialecte.
Ils ont, dans un cas sur deux, des parents totalement illettrés. Ils
sont dans des classes plurinationales. Cela nécessite déjà un effort
exceptionnel pour eux d'arriver, au terme de leur ecolage primaire
à maîtriser qui le néerlandais, qui le francais, mais on leur impose
dès leur troisième primaire, deux langues outre leur propre langue
maternelle.
L'exemple des enfants de travailleurs migrants démontre qu'à
Bruxelles, on est arrivé par absolutisme, radicalisme et imperialisme,
se comporter de manière inacceptable. C'est notamment le cas
lorsqu'il existe explicitement des differences de normes, differences
exprimées par les chiffres cités par notre honorable collègue, M.
Peetermans, chiffres que j'accepte pour ma part, monsieur Vandezande. (Applaudissements sur divers bancs.)
-
M. le Président. La parole est à M. Tromont, ministre.
-
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. Monsieur le
Président, chers collègues, j'ai l'honneur de faire savoir à l'honorable membre que les normes de population scolaire dans les écoles
gardiennes et primaires ordinaires des écoles de régime linguistique
néerlandais de l'arrondissement de Bruxelles-Capitale ont été modifiees à plusieurs reprises depuis l'arrête royal du 27 octobre 1966
fixant les normes de population scolaire dans les écoles gardiennes
et primaires.
Dans cet arrêté, les normes sont les suivantes. Dans l'enseignement gardien, pour créer ou maintenir une classe faut 10 élèves,
pour deux classes, en faut 25, et ainsi de suite par groupe de 30
élèves.
il
il
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
Dans l'enseignement primaire, pour créer ou maintenir une classe,
faut 10 élèves; pour 2 classes, 25; pour 3 classes, 40; et ainsi de
ilsuite.
Pour 6 classes, faut 100 élèves. Si j'insiste sur ces derniers
il
chiffres, c'est parce qu'ils sont significatifs, comme je le démontrerai
dans un instant. A partir de la septième classe, les normes générales
sont d'application.
Si, dans l'enseignement gardien, les normes que je viens de citer
sont à peine plus favorables que les normes générales, puisque celles-ci sont également d'application à partir de la troisième classe, et
que le dédoublement pour une seconde classe se fait à 25 au lieu de
30 élèves, en revanche, ces normes sont nettement plus favorables
en ce qui concerne l'enseignement primaire.
La raison en est, outre le droit à la protection des minorités, la
réalisation d'un cycle complet de six années. Les normes générales
sont en vigueur à partir de la septième classe.
Par ailleurs, les normes ont été créées pour assurer le maintien des
anciennes sections minoritaires néerlandophones de Bruxelles-Capitale qui, en vertu de l'article 5, alinéa 2, de la loi du 30 juillet 1963,
telle qu'elle a été modifiée, ont dû être constituées en sections ou
écoles autonomes.
Le 5 mai 1971, les normes susvisées ont été modifiées par arrêté
royal dans un sens encore plus favorable à l'enseignement néerlandophone à Bruxelles. Ces normes plus favorables ont été prises dans
le cadre d'un accord gouvernemental - j'y insiste accord selon
lequel le rétablissement de la liberté du père de famille tant revendiqué, et à juste titre, par les francophones, était opéré. En contrepartie, la Communauté flamande revendiquait un enseignement
néerlandophone plus développé à Bruxelles.
Le rapport au Roi relatif aux trois arrêtés royaux du 5 mai 1971
portant des mesures pour la promotion de l'enseignement de langue
néerlandaise dans l'arrondissement de Bruxelles-Capitale dit littéralement que: « l'engagement de supprimer l'inspection linguistique
pour la population de l'agglomération bruxelloise au premier septembre 1971, nous met notamment dans l'obligation de créer et de
garantir la liberté effective du choix, aussi bien pour les néerlandophones que pour les francophones ».
-,
1285
aux élèves dans ces niveaux d'enseignement. Un effort tout particulier a donc été consenti dans ce sens par le gouvernement.
Lors de la parution des circulaires ministérielles d'application
pour les années scolaires 1979-1980 et 1980-1981, les ministres de
l'Education nationale française ont declare que la qualité de l'enseignement fondamental était un de leurs objectifs prioritaires.
Les écoles néerlandophones de Bruxelles ont bénéficié de normes
plus basses, décidées et appliquées à partir du 1er septembre 1979.
Ces normes, qui viennent d'être concrétisées dans un projet d'ar-
:
rêté royal, sont les suivantes
Dans l'enseignement maternel :
Pour créer 1 classe, faut 6 élèves de fréquentation moyenne;
Pour créer 2 classes, faut 15 élèves de fréquentation
moyenne;
Pour créer 3 classes, faut 35 élèves de fréquentation
moyenne;
Pour créer 4 classes, faut 80 élèves de fréquentation
moyenne;
Pour créer 5 classes, faut 105 élèves de fréquentation
moyenne;
Pour créer 6 classes, faut 130 élèves de fréquentation
moyenne;
Pour créer 7 classes, faut 155 élèves de fréquentation
moyenne;
Pour créer 8 classes, faut 180 élèves de fréquentation
moyenne;
Pour créer 9 classes, faut 208 élèves de fréquentation
-
il
-
il
il
il
il
-
il
il
il
-
-
il
classes,
236 élèves de fréquentation
créer
Pour
10
- Pour créer classes, il faut
moyenne;
il faut 264 de fréquentation
moyenne;
- Pour créer 12 classes, il faut 292 élèves de fréquentation
moyenne;
normes particulières deviennent pour l'enseignement pri- Pour créer 13 classes, il faut de32030élèves de fréquentation
moyenne, et ainsi de suite par tranche
:
création ou le maintien d'1 classe, aucun minimum
Pour maintenir 1 classe, il faut 6 élèves de fréquentation
- Pourn'estlarequis;
moyenne;
de fréquentation
- Pour maintenir 2 classes, il faut
- Pour la création ou le maintien de 2 classes, 15 élèves sont moyenne;
requis;
Pour maintenir 3 classes, il faut 35 élèves de fréquentation
- Pour la création ou le maintien de 3 classes, 35 élèves sont moyenne;
requis;
75
de fréquentation
classes,
maintenir 4 classes,
création
moyenne;
élèves
11
Ces
maire
élèves.
d'élèves
15 élèves
55 élèves sont
ou le maintien de 4
- Pour la
requis;
Pour la création ou le maintien de 5 classes, 70 élèves sont
requis;
Pour la création ou le maintien de 6 classes, 85 élèves sont
requis.
A partir de la septième classe primaire, la norme est identique à
la norme nationale.
Les normes sont restées inchangées pour l'enseignement gardien.
L'arrêté royal du 21 août 1978, qui intervient à nouveau dans ce
problème, a opéré une modification des normes particulières pour
l'enseignement gardien.
Ces normes sont
:
Pour la création ou le maintien d'1 classe, il faut 6 élèves;
Pour la création ou le maintien de 2 classes, faut 15 élèves;
Pour la création ou le maintien de 3 classes, il faut 35 élèves;
Pour la création ou le maintien de 4 classes, il faut 85 élèves;
Pour la création ou le maintien de 5 classes, faut 115 élèves.
Les normes favorables sont donc limitées aux trois premières
classes de l'enseignement maternel. A partir de la 4e classe, l'écart
grandit et la norme devient identique à la norme nationale.
A partir du 1er septembre 1979, des circulaires ministérielles ont
été prises chaque année, fixant des normes de population scolaire
plus favorables mais cela aussi bien au niveau national qu'au niveau
des écoles néerlandophones à Bruxelles.
Ces dispositions ont pour but de donner un meilleur encadrement
aux élèves du gardien et du primaire en vue de lutter contre les
échecs scolaires et donner en même temps une meilleure préparation
il
il
Ann. parl. Sénat
ordinaire 1981-1982
- Session
- Gewone zitting 1981-1982
Parlem. Hand. Senaat
- Pour
il faut
élèves
moyenne.
Vous constaterez que, là aussi, l'écart se répercute au niveau de la
4e classe et ainsi de suite par tranche de 25 élèves.
Dans l'enseignement primaire, les normes de maintien sont les
suivantes
Pour 1 classe, 10 élèves;
Pour 2 classes, 15 élèves;
- Pour 3 classes, 35 élèves;
Pour 4 classes, 55 élèves;
Pour 5 classes, 70 élèves;
Pour 6 classes, 85 élèves;
Pour 7 classes, 141 élèves;
Pour 8 classes, 164 élèves;
Pour 9 classes, 187 élèves;
Pour 10 classes, 210 élèves, et ainsi de suite par tranche de 25
- :
-
élèves.
Nous retrouvons, consacré dans ces nouvelles dispositions, le
principe selon lequel ce n'est que pour les troisièmes classes maternelles et les dix premières classes primaires que sont accordées des
normes préférentielles, et ce, de manière à réaliser pour chaque
niveau un cycle complet, nécessaire à un enseignement valable et
efficace.
Au delà de ce nombre de classes, les normes nationales sont d'ap-
plication.
Des mesures préférentielles ont également été accordées aux
parents et élèves francophones des six communes à facilités entourant Bruxelles, en vertu de l'article 7 de la loi du 2 août 1963 sur
171
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1286
Il
l'emploi des langues en matière administrative. en est de même
des communes dotées d'un régime spécial en vue de la protection de
leurs minorités, conformément à la loi du 30 juillet 1963 concernant le régime linguistique dans l'enseignement.
Pour en terminer, et avant de céder la place à mon collègue M.
Coens, permettez-moi de formuler encore une remarque. Il n'appartient pas au représentant du pouvoir exécutif de s'immiscer dans le
travail des commissions. M. Peetermans comprendra que je ne lui
réponde pas en ce qui concerne la proposition de loi dont il est l'auteur et le vote intervenu en commission de l'Education et des
Sciences.
- Het woord is aan minister Coens.
De heer Coens, minister van Onderwijs. Mijnheer de Voorzitter, geachte collega's, ik wil aansluiten bij-de uiteenzetting van de
De Voorzitter.
heer Vandezande en in deze lijn een antwoord verstrekken op de interpellatie van de heer Peetermans, bijgetreden door de heer Humblet. Hierbij houd ik ook rekening met het antwoord van mijn collega minister Tromont, die de nodige verduidelijkingen heeft gebracht omtrent de huidige regeling inzake het onderwijs in BrusselHoofdstad.
Bijzondere normen voor de Nederlandstalige scholen te BrusselHoofdstad zijn voor het eerst tot stand gekomen in het koninklijk
besluit van 27 oktober 1966 tot vaststelling van de schoolbevolkingsnormen in de kleuter- en lagere scholen. Deze eerste voorlopige
gunstnormen waren de consequentie van artikel 5 van de wet van
30 juli 1963, dat bepaalde dat de Nederlandstalige afdelingen van
gemengdtalige scholen te Brussel-Hoofdstad autonoom moest worden. Die eerste gunstnormen werden dus uitgevaardigd om deze
kleine entiteiten te bewaren en aldus aan de Nederlandstaligen te
Brussel Vlaams onderwijs te verzekeren.
Deze bijzondere normen voor de Nederlandstalige scholen te
Brussel werden in 1971 bevestigd en aangepast als compensatie
voor de beroemde liberté du père de famille.
Volgens de taalwetten van 1932 en 1963 moest een kind in Brussel in een school ingeschreven worden waarvan de omgangstaal de
(moeder-)huistaal van het kind was. Om deze maatregel te controleren werd een taalverklaring van de ouders geëist, die door de taalinspectie werd gecontroleerd.
Op woensdag 18 februari 1970 verklaarde echter premier Gaston
Eyskens in de aanvullende regeringsverklaring over de Staatshervorming: « sera procede à la réalisation d'une programmation pour
l'infrastructure préscolaire, scolaire, parascolaire et culturelle, en
vue de réaliser dans l'arrondissement de Bruxelles-Capitale le libre
choix du chef de famille entre les écoles des deux régimes linguisti-
Il
ques. »
Een parlementaire commissie werd opgedragen de punten van die
regeringsverklaring voor te bereiden. Tengevolge van dit regeringsakkoord werden op 5 mei 1971 drie koninklijke besluiten ondertekend en drie ontwerpen van wet ingediend met als opschrift:
« Maatregelen ter bevordering van het Nederlandstalig onderwijs in
het arrondissement Brussel-Hoofdstad. »
Bij die koninklijke besluiten bevond zich het koninklijk besluit
van 5 mei 1971 houdende wijziging van het koninklijk besluit van
27 oktober 1966 tot vaststelling van de schoolbevolkingsnormen in
de kleuter- en lagere scholen. Dit koninklijk besluit voorzag in nieuwe normen voor de Nederlandstalige scholen te Brussel.
De eerste zin van het verslag aan de Koning luidt: «De verbintenis de taalinspectie voor de bewoners van de Brusselse agglomeratie
op 1 september 1971 af te schaffen legt ons onder meer de verplichting op de werkelijke gelijkheid van keuze voor Nederlandssprekenden en Franssprekenden in te richten en te waarborgen. » Een van
de middelen daartoe was in bijzondere normen te voorzien om Nederlandstalige scholen te kunnen organiseren en van de nodige klassen te voorzien.
In een eerste fase werden door bovengenoemd koninklijk besluit
de oprichtingsnormen tijdelijk geschorst en de splitsingsnormen verlaagd. De libre choix du chef de famille werd later mogelijk
gemaakt.
De heer Luyten. Nog een capitulatie van de CVP!
-
-
De heer Coens, minister van Onderwijs. Op de betekenis daarvan zal ik straks terugkomen maar ik herhaal dat dit mogelijk werd
gemaakt door artikel 88 van de wet van 26 juli 1977 houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten,
waardoor artikel 5 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs de zogenaamde taalwet in die zin werd
-
-
gewijzigd. Uit de parlementaire stukken blijkt dat de toenmalige regering deze wijziging op basis van bovengeschetst akkoord heeft
verdedigd ondanks heftige tegenstand van een aantal Vlaamse parle-
mentairen.
Bedoelde normen werden door het koninklijk besluit van 21 augustus 1978 in het kader van een algehele herziening van de normen
in het kleuteronderwijs en lager onderwijs alleen voor het kleuteronderwijs aangepast.
In de schooljaren 1980-1981 en 1981-1982 werden alle normen,
ook de gunstnormen voor Brussel, door circulaires gewijzigd. De bedoeling was de tewerkstelling in het basisonderwijs te bevorderen en
makkelijker een school met zes klassen te kunnen organiseren. Deze
normen, die zoals gezegd alleen per circulaire waren uitgevaardigd, zullen in een reeds door de Ministerraad goedgekeurd koninklijk besluit worden uitgevaardigd.
Ik wil het geachte lid, de heer Jules Peetermans, er bovendien opmerkzaam op maken dat de bijzondere normen alleen gelden voor
de eerste drie klassen in het kleuteronderwijs en de eerste zes klassen van het lager onderwijs zoals mijn collega, de heer Tromont,
daarstraks heeft verklaard. De bedoeling is dus duidelijk een zeker
pedagogisch comfort te geven aan de kleinere scholen om er een
kwalitatief goed onderwijs te kunnen verzekeren.
Zoals blijkt uit bovenstaande voorstelling van zaken, vormen deze
normen een onderdeel van een politiek akkoord dat enerzijds de
vrije keuze van de ouders waarborgt en anderzijds het Nederlandstalig onderwijs te Brussel kansen wil geven, kansen die dit onderwijs trouwens waarmaakt.
Ik wens er bovendien op te wijzen dat de Franstaligen in de zes
randgemeenten, de zogenoemde faciliteitengemeenten, die tot het
Nederlandse taalgebied horen en blijven behoren, de mogelijkheid
hebben gekregen om er Franstalige scholen op te richten.
Voornoemd politiek akkoord geldt nog vandaag en is overigens te
situeren in de hele taalregeling. De huidige regering heeft zich voorgenomen niets aan die regeling te wijzigen.
Een voorstel om de bijzondere normen voor de Nederlandstalige
basisscholen in Brussel-Hoofdstad af te schaffen ofwel die bijzondere normen ook toe te passen voor de Franstalige scholen kan niet in
overweging worden genomen.
Meteen bevestig ik de verduidelijking die collega Vandezande
heeft gegeven daarbij verwijzend naar het geheel van wetten en
trouwens ook naar de grondwetsherziening van 1970 en die van
1980 waarbij de territoriale bevoegdheid en integriteit eens en voor
goed werden vastgelegd en waar de hele Vlaamse gemeenschap achter staat.
De heer Luyten. Mijnheer de minister, u zei toch « voor goed
is vastgelegd » ?
De heer Coens, minister van Onderwijs. Dat bevestig ik en
daar laat ik geen twijfel over bestaan.
In verband met het betoog van de heer Humblet, wil ik erop wijzen dat inderdaad het Nederlandstalig onderwijs te Brussel bijzonder degelijk is en bijzonder waardevol blijkt voor kinderen van gastarbeiders die in dit onderwijs werkelijk tot ontplooiing komen.
In ons land bestaat een pacificatie op basis van correcte afspraken
en regelingen. Dat geldt ook voor de taalregeling inzake onderwijs
waaraan wij vasthouden. Dit geldt niet alleen voor de hele Vlaamse
gemeenschap maar tevens voor alle weldenkende burgers in dit
-
-
-
land.
-
-
M. le Président. La parole est à M. Jules Peetermans.
Monsieur le Président, chers collègues, je
M. J. Peetermans. - sont
intervenus dans la discussion de mon
remercie les orateurs qui
interpellation. Tous, sans doute sans le vouloir, ont apporté de l'eau
à mon moulin.
En effet, les précisions données par les honorables ministres montrent bien que mes chiffres étaient exacts. Ceux qu'ils ont fourni en
supplément, j'aurais pu aussi les fournir. Je ne l'ai pas fait pour ne
pas allonger le débat.
Ces chiffres font apparaître une discrimination intolérable entre
francophones et néerlandophones dans les 19 communes de l'agglo-
mération.
Les divers intervenants l'ont souligné. Ces normes extrêmement
favorables ne touchent que les petites écoles qui comptent deux ou
trois classes maternelles et n'ont pas plus de six classes primaires.
Soit, mais étant donné le nombre considerable d'écoles flamandes
plus de 300 créées pour la plupart à Bruxelles-Capitale dans une
période recente, très peu de ces établissements scolaires ne
-
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
comptent plus de six classes. Ils bénéficient donc pour la plupart de
ces normes favorables aux néerlandophones.
On assiste à ce spectacle ahurissant de voir deux écoles voisines,
l'une de langue néerlandaise, l'autre de langue française, comptant,
l'une, une centaine d'élèves, primaires et maternelles réunies, avec
six classes primaires, deux ou trois classes maternelles et un chef
d'école subventionnés par l'Etat et, l'autre, 500 ou 600 élèves sous
la direction d'un seul chef d'école, avec des classes comptant entre
27 et 30 élèves.
En effet, par une bizarrerie dans l'octroi des subventions, les
normes sont de moins en moins favorables au fur et à mesure que
les écoles deviennent plus importantes.
Donc, sur toute la ligne, nous rencontrons des discriminations
bien plus importantes que les chiffres ne le laissent apparaître, lorsqu'on les examine sans savoir ce qui se passe sur le terrain.
M. Vandezande a dû remonter jusqu'en 1928 pour justifier une
situation de 1982. Quant à moi, rassurez-vous, je ne remonterai pas
jusqu'à Napoléon.
De heer Luyten. Ga tot in 1830, toen men de Vlamingen begon te onderdrukken.
M. J. Peetermans. J'ai moi-même un grand-père d'origine flamande, arrivé à Bruxelles, au XIXe siècle.
M. Luyten. On les appelait alors des renégats
M. J. Peetermans. Je ne sais pas s'il était un renégat. Par
contre, je crois qu'il était un brave homme qui essayait de gagner sa
-
-
-
!
-
vie.
!
M. Luyten. - Pression sociale alors
M. Humblet. - C'est bien de parler français.
M. J. Peetermans. - Je vous remercie de m'aider. Il est clair que
la pression sociale détourne la liberté du père de famille de toute
signification.
Après plus de 15 ans d'application des normes favorables à l'enseignement néerlandophone, les Flamands se sont rendu compte que
la multiplication des écoles flamandes ne répondait pas à un réel
besoin des dix-neuf communes et que la population, en general,
continait à envoyer ses enfants en classe française.
M. Leemans reprend la présidence de l'assemblée
Des 18 p.c. d'enfants frequentant les écoles flamandes,
ans, on est tombe à 12 ou 13 p.c.
De heer Luyten.
Franse klassen.
il y a 15
- Met de Marokkanen en de Turken in de
-
M. J. Peetermans. Quand ils se sont aperçus de cela, ils se sont
dit qu'ils devaient flamandiser les francophones. Et pour cela, tous
les moyens sont permis. Les Flamands exercent une pression sociale
notamment quand ils déclarent que 88 p.c. des employeurs demandent du personnel bilingue, et que pour devenir bilingue, il faut être
porteur d'un diplôme délivré par une école flamande. C'est
user de
pressions sociales inadmissibles quand, s'adressant en français
langue abhorrée et détestée entre toutes - aux parents francophones pour essayer de les séduire, ou de les inquiéter, on leur fait
peur en les poussant à inscrire leurs enfants dans des classes flamandes. Dans ce cas, on n'est plus un démocrate, on ne mérite pas
ce nom.
J'adjure les ministres de revoir leur position. Ils doivent se rendre
compte, même les ministres flamands, qu'une politique d'intimidation et de pressions, comme celle qui s'exerce depuis plus de quinze
ans à Bruxelles ne donne pas les résultats escomptés. Bruxelles est
francophone à 85 p.c. 88 p.c. des parents bruxellois choisissent les
écoles de langue française. C'est un fait, et, en dépit de votre propa-
gande coûteuse et des injustices profondes qui règnent dans la
répartition des subventions, vous ne pourrez le modifier.
M. Luyten. Voilà le racisme linguistique
M. le Président. En conclusion de cette interpellation, j'ai reçu
deux ordres du jour.
Le premier emane de MM. Deworme, De Groeve, Lallemand,
Désir, Roland Gillet, Humblet et Van Roye, et est ainsi rédigé
-
-
!
:
«
1287
Le Sénat,
Ayant entendu l'interpellation de M. Jules Peetermans et la
réponse du ministre de l'Education nationale,
Estime que le gouvernement doit uniformiser les normes de création, de maintien et de subvention des emplois et des classes de l'enseignement primaire et maternel sur le territoire de l'arrondissement
de Bruxelles-Capitale, le recours aux dérogations étant exceptionnel
et dûment motivé, cas par cas, par la nécessité d'assurer le libre
choix effectif du chef de famille. »
Le second, déposé par M. Gramme, est rédigé comme suit :
« Le Sénat,
Ayant entendu l'interpellation de M. Jules Peetermans et la
réponse des ministres de l'Education nationale,
Passe à l'ordre du jour. »
« De Senaat,
Gehoord de interpellatie van de heer Jules Peetermans en het antwoord van de ministers van Nationale Opvoeding,
Gaat over tot de orde van de dag. »
Nous procéderons, ultérieurement, au vote sur l'ordre du jour pur
et simple, qui bénéficie de la priorité.
Wij zullen later stemmen over de eenvoudige motie, die voorrang
heeft.
L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
INTERPELLATION DE M. HISMANS A M. TROMONT, MINISTRE DE L'EDUCATION NATIONALE, SUR « LES CIRCULAIRES RECENTES CONCERNANT LE DROIT DE GREVE
DANS L'ENSEIGNEMENT »
INTERPELLATIE VAN DE HEER HISMANS TOT DE HEER
TROMONT, MINISTER VAN ONDERWIJS, OVER « DE RECENTE CIRCULAIRES BETREFFENDE HET STAKINGSRECHT IN HET ONDERWIJS >>
-
M. le Président. L'ordre du jour appelle l'interpellation de M.
Hismans à M. Tromont, ministre de l'Education nationale, sur « les
circulaires récentes concernant le droit de grève dans l'enseignement ».
La parole est à l'interpellateur.
M. Hismans. - Monsieur le Président, monsieur le ministre,
chers collègues, si je devais imaginer que vous voulez contester aux
enseignants le droit de grève, mon interpellation serait fort différente j'exigerais ce droit mais, après un moment d'hésitation, votre
:
circulaire du 3 mai relative à l'organisation de la fin d'année scolaire, m'a rassuré puisqu'elle examine la situation d'établissements
ayant participé à des grèves et donc reconnaît implicitement le droit
cette participation.
J'en viens donc à l'objet de mon interpellation
Voici le texte de la circulaire déjà évoquée dont l'interprétation
me paraît assez équivoque.
« Dans les établissements qui ont enregistré des suspensions de
cours pour participation de leurs titulaires à des grèves, les dates du
11 juin, 4 juin et 9 juin dates auxquelles les cours peuvent être
suspendus - sont retardées du nombre de jours nécessaires à la
récupération des heures de cours perdues. »
Tout d'abord, monsieur le ministre, je reste convaincu qu'il
n'entre pas dans vos intentions de gratifier les enseignants d'un supplément appréciable aux vacances d'été, vous qui, au cours d'une
communication télévisée, regrettiez déjà que les écoles ne soient
ouvertes que 180 jours par an. reste entendu que le droit de suspendre les cours vise à permettre l'organisation des indispensables
sessions, délibérations et autres épreuves de qualifications sans
parler des charges administratives, rédaction de bulletins, préparation des dossiers pour l'homologation, bref, une somme de tâches
qui accapareront les enseignants bien au delà de leurs prestations
habituelles. Dès lors, votre circulaire n'impose rien moins que des
récupérations et puisqu'il en est ainsi, comment justifier la retenue
sur traitement logiquement conséquente à la grève et d'ailleurs
organisée par des circulaires diffusées par vos directeurs généraux
si vous n'envisagez pas le paiement des heures supplémentaires
que vous exigez ?
Vous me répondrez que votre souci essentiel est de sauvegarder
l'intérêt des élèves. Croyez-moi, monsieur le ministre, les enseignants n'ont pas besoin d'un garant pour assumer leurs responsabi-
-
Il
-
-
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1288
lités. Ce n'est pas contre leurs élèves ni contre leurs familles qu'ils
sont partis en grève. Ils y ont été contraints par les mesures que
vous avez prises et qui menacent non seulement les emplois mais
l'enseignement même que pourtant vous avez mission de préserver.
En fait, d'ailleurs, dans la grande majorité des écoles, bien avant
votre circulaire, des dispositions efficaces avaient été prises pour éviter aux étudiants quelque préjudice que ce soit. Dans un établissement que je connais bien, des cours ont été bénévolement récupérés
les mercredis après-midi. Deux jours de congés exceptionnels ont été
supprimés et les sessions retardées.
J'insiste ces dispositions étaient prévues d'initiative dès le lendemain de la grève et sans intention d'être rémunérées. Hélas, y eut
votre malencontreuse intervention. Et le bénévolat s'accorde mal
:
il
avec l'obligation.
La meilleure solution aurait consisté à faire confiance aux enseignants pour la sauvegarde des intérêts de leurs élèves notamment en
matière d'homologation. Vous avez préféré la manière forte et la
menace; l'épée de Damoclès. Vous agissez en patron.
Très bien. Aussi, en patron, vous reste à payer le travail que
vous imposez.
J'aimerais connaître vos intentions à ce propos et aussi que vous
exposiez votre sentiment quant à la dignité et au sens des responsabilités que vous supposez aux enseignants. (Applaudissements sur
les bancs socialistes.)
il
-
doivent être élaborés conformément aux dispositions de la circulaire
du 12 mai 1980 de M. le ministre Hoyaux.
D'autre part, vous savez que le début des vacances est traditionnellement fixé au 1er juillet et les enseignants doivent être présents
dans les écoles jusqu'au 30 juin. Leur présence permettra d'assurer
la formation des élèves, formation que parfois dans certains endroits
et en certaines circonstances les grèves ont interrompue.
Je voudrais préciser qu'au moment où les grèves se sont déroulées, aucune mesure gouvernementale n'était prise et que nous n'en
étions, à l'époque, qu'au point de départ d'une concertation avec les
partenaires sociaux, sur la base d'un catalogue de propositions de
mesures.
Voilà les circonstances dans lesquelles se sont déroulées certaines
grèves, dans certaines régions et à certains endroits. faut donc, je
crois, remettre les choses à leur place. Si effectivement, les enseignants, comme leurs élèves, partent en vacances dès le premier juillet, cette exigence, dirais-je, d'une formation continue jusqu'à la fin
du mois de juin, est le corollaire obligé du respect que nous devons
aux parents et à leurs enfants. Ils sont en droit d'attendre un enseignement qualitativement et quantitativement complet.
Les prestations des enseignants pendant le mois de juin n'impliquent en rien que l'Etat soit devenu le débiteur des enseignants grévistes.
M. le Président. La parole est à M. Hismans.
Il
-
M. Hismans. - Monsieur le Président, mes chers collègues, M. le
Tromont vient de dire et sur ce point au moins je suis
Tromont, ministre de l'Education nationale. - Monsieur le ministre
M.
d'accord avec lui - qu'il importe-de remettre les choses en place.
Président, chers collègues, des grèves se sont produites dans l'enseiSi je l'ai interpellé, ce n'est pas sur les modalités et sur les mongnement à plusieurs reprises ces derniers mois, mais plus spéciale- tants
retenues pour faits de grève. En effet, leur application supment en mars et en avril de cette année et pendant la première pose des
une reconnaissance implicite du droit de grève et je m'en
semaine du mois de mai.
réjouis. Mais ce qui ne va pas, c'est qu'une circulaire du 3 mai dera, dans notre chef, aucune contestation du droit de grève. nier a imposé la récupération du volume d'heures de prestations
n'y
Il
Les grévistes ont manifesté leur opposition à des propositions de perdues. Je suis d'accord sur ces retenues dans le cas où l'on ne
mesures, j'y insiste, et c'est leur droit.
preste pas puisque, implicitement, quand il y a grève, il n'y a pas de
Pour exprimer leur réprobation, ils se sont abstenus de fréquenter traitement; c'est déjà reconnu depuis longtemps. Mais imposer la
les établissements scolaires à des dates où, professionnellement, ils récupération de toutes les périodes perdues, c'est imposer un travail
devaient y être présents. Or, ces absences sont normalement sanc- supplémentaire et c'est ce que prévoit la circulaire du 3 mai.
tionnées par une retenue sur le traitement. Ces retenues ont été e
Or, comme c'est le cas dans toute usine, tout atelier, toute administration, un travail supplémentaire doit être rémunéré.
seront opérées, aussi bien pour le personnel temporaire que pour le
personnel définitif.
Je souhaiterais que vous me répondiez sur ce point, monsieur le
M. le Président. La parole est à M. Tromont, ministre.
Je respecte, en ce domaine, un principe appliqué par mes prédécesseurs et rappelé notamment par la circulaire du 12 mai 1980 de
M. le ministre Hoyaux.
Dans cette circulaire, il rappelle le principe, je cite, « maintes fois
confirmé par le Conseil des ministres selon lequel tout membre du
personnel qui participe à une grève, doit subir une retenue de traitement. A cet effet, les chefs d'établissement d'enseignement de l'Etat
avaient été invités à introduire des déclarations individuelles signées
par les membres du personnel ayant participé à une action de
grève ».
Cette procédure n'a pas été respectée par tous et elle a suscité, à
l'époque, de nombreuses critiques.
C'est la raison pour laquelle mon honorable prédécesseur a modifié la procédure. Je cite «C'est donc dans un souci d'équité et pour
remédier à cette situation, qu'en accord avec les organisations syndicales, j'ai décidé d'une nouvelle procédure qui entrera en vigueur
dès le début de l'année scolaire 1980-1981. »
La circulaire du 12 mai 1980 précise les points suivants: les
membres du personnel concernés; les dates auxquelles les relevés
périodiques d'absences doivent être faits; la manière dont ces relevés
seront remplis; les dates auxquelles ces retenues seront effectuées;
enfin, le montant des retenues.
Le texte de la circulaire précise, à la page 3, le montant des retenues: Pour les membres du personnel qui sont rémunérés en douzièmes, les retenues seront opérées à raison de 1/30 du traitement
mensuel brut par journée de grève; 1/60 du traitement mensuel brut
par demi-journée de grève; 12 p.c. d' 1/30 du traitement mensuel
brut par heure de grève.
Pour les membres du personnel rémunérés en dixièmes, les retenues s'opéreront de la manière suivante 1/300 du traitement annuel
brut par journee de grève; 1/600 du traitement annuel brut par
demi-journée de grève; 12 p.c. d' 1/300 du traitement annuel brut
par heure de grève.
Dans les circulaires adressees dans le courant du mois d'avril aux
chefs d'établissement, je rappelle que les relevés des absences des
membres du personnel qui ont participé à des mouvements de grève
:
:
:
ministre. (Applaudissements sur les bancs socialistes.)
M. le Président. La parole est à M. Tromont, ministre.
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. Monsieur le
Président, je désire préciser qu'il ne s'agit pas ici d'un travail supplémentaire, comme l'honorable membre vient de le souligner une
seconde fois, mais d'un travail normal qui n'a pas été effectué au
moment où devait l'être. Par conséquent, aucune rémunération
n'est prévue à cet effet.
M. le Président. La parole est à M. Hismans.
M. Hismans. Monsieur le Président, mesdames, messieurs, si le
travail n'a pas été effectué au moment où devait l'être, mais à un
autre moment, l'a tout de même été et il est impossible de ne pas
le rémunérer. Ou alors, où allons-nous ?
Si l'on impose la récupération prévue, il faudra prendre les dispositions qui s'ensuivent.
M. le Président. - L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
-
il
-
-
il
-
il
INTERPELLATION DE M. HISMANS A M. TROMONT, MINISTRE DE L'EDUCATION NATIONALE, SUR « L'APPLICATION
DES DIRECTIVES DU CONSEIL DES COMMUNAUTES
EUROPEENNES RELATIVES A LA SCOLARISATION DES
ENFANTS DES TRAVAILLEURS MIGRANTS »
INTERPELLATIE VAN DE HEER HISMANS TOT DE HEER
TROMONT, MINISTER VAN ONDERWIJS, OVER « DE TOEPASSING VAN DE RICHTLIJNEN VAN DE RAAD VAN DE
EUROPESE GEMEENSCHAPPEN BETREFFENDE DE
SCHOOLOPLEIDING VAN DE KINDEREN VAN GASTARBEIDERS «
-
M. le Président. Nous passons à l'interpellation de M. Hismans à M. Tromont, ministre de l'Education nationale, sur « l'appli-
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
cation des directives du Conseil des Communautés européennes
relatives à la scolarisation des enfants des travailleurs migrants »
La parole est à l'interpellateur.
-
M. Hismans. Monsieur le Président, je constate que M. le
ministre Tromont a cette chance de ne pas devoir, comme son collègue, M. De Croo, «se mettre à toutes les sauces ">. En effet, ma
seconde interpellation appartient toujours au domaine de l'enseignement.
-
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. J'ai déjà fait
cela ici, monsieur Hismans. C'est un bel exercice, mais il est un peu
épuisant et je me rends compte de ce que cela peut être assez décevant pour les interpellateurs.
Monsieur le President, monsieur le ministre,
M. Hismans, - seconde
chers collègues, ma
interpellation concerne la scolarisation
des enfants de travailleurs migrants que vous devez connaître
comme moi, monsieur le ministre, puisque ces enfants sont très
nombreux dans notre région.
La directive du Conseil des Communautés européennes du 25
juillet 1977 vise à la scolarisation des enfants des travailleurs
migrants. Cette directive s'applique aux enfants soumis à l'obligation scolaire telle que definie par la législation du pays d'accueil.
Cela est précisé à l'article premier.
L'article 2 prescrit notamment, pour ces enfants, l'organisation
d'un cours d'adaptation à la langue de l'enseignement tandis que
l'article 3 prévoit une coopération avec les pays d'origine en vue de
promouvoir un enseignement de la langue maternelle et de la
culture du pays d'origine.
J'aimerais que vous précisiez, monsieur le ministre, si vous entendez vous conformer à cette directive et quelles mesures concrètes
vous comptez prendre.
Tant dans l'enseignement primaire que dans l'enseignement secondaire, plusieurs mesures avaient été prises par vos prédécesseurs.
Ainsi l'article 6 de l'arrêté royal du 10 avril 1975 prévoit un
cours confié à un maître spécial d'adaptation à la langue de
l'enseignement dans les écoles primaires à raison d'un maximum de
3 heures/semaine et ce au profit des élèves apatrides ou de nationalité étrangère qui répondent à certaines conditions.
D'autre part, en exécution de l'article 81 de la loi du 22 décembre 1977, la circulaire ministérielle du 24 août 1978 permet à certains établissements de l'enseignement fondamental de bénéficier
d'enseignants supplémentaires.
Si cette disposition est maintenue et je voudrais savoir si elle
l'est comment, monsieur le ministre, allez-vous la concilier avec
les mesures de restriction budgétaire envisagées ? Mais j'apprends de
votre part que ce n'est qu'un catalogue de mesures possibles. Nous
-
-
-
-
pouvons peut-être l'examiner.
Toujours pour l'enseignement fondamental, deux arrêtés royaux
permettaient en 1980-1981 et en 1981-1982 l'engagement d'enseignants dans le cadre spécial temporaire pour aider à la scolarisation
des enfants de travailleurs migrants. Cela a été fait.
Le « troisième circuit >> dont vous avez parlé, monsieur le ministre,
autorisera-t-il la poursuite de l'aide apportée à ces enfants et selon
quels critères ?
Dans le but de promouvoir l'information et la formation continue
des maîtres du primaire accueillant ces mêmes enfants, trois chargés
de mission travaillent avec les enseignants au projet « rechercheaction » dont les axes dominants sont, d'une part, les objectifs et les
pratiques pédagogiques dans un contexte multilingue et multiculturel et, d'autre part, la formation complémentaire indispensable des
enseignants.
La diminution drastique, annoncée par le ministre, du nombre de
chargés de mission me fait craindre la ruine de cette action qui
affectera essentiellement l'enseignement de la Communauté française. Pourriez-vous me préciser vos intentions ?
Pour ce qui concerne l'enseignement secondaire, le projet de cadre
spécial temporaire nº 12772 « Innovations pédagogiques » a permis
en 1981-1982 la désignation dans les établissements concernés de
professeurs supplémentaires avec pour mission, en faveur des élèves
fils de travailleurs migrants, de procéder à des exercices pratiques de
correction de la langue française, de diction, de conversation. Ce
projet se terminant généralement avec cette année scolaire, la même
mesure sera-t-elle prise à nouveau ?
D'autre part, dans plusieurs établissements fortement concernés
par le problème j'en ai parlé tout à l'heure un enseignement
-
-,
1289
intensif du français est dispensé en 1ère A et en 2e année commune
par l'organisation de groupes séparés.
Comment concilier cette mesure avec la decision recente
d'augmentation des normes de création et de maintien et la suppression des demi-classes en français? Le crédit d'heures ne peut être
évoqué puisque, dans ces mêmes cas, était déjà bien utilisé pour
l'organisation d'activités complémentaires et de rattrapages supplémentaires pour les enfants de migrants.
J'aimerais connaître, monsieur le ministre, vos positions à ce
sujet, essentiel, en ce qui concerne la scolarisation des enfants des
travailleurs migrants. (Applaudissements sur les bancs socialistes.)
M. le Président. La parole est à M. Tromont, ministre.
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. Monsieur le
Président, chers collègues, le 25 juillet 1977, le Conseil des Communautés européennes a arrêté une directive que notre honorable collègue, M. Hismans, vient de rappeler et qui concerne la scolarisation des enfants de travailleurs migrants.
En vertu de cette directive, les Etats membres ont été invités à
prendre, conformément à leurs situations nationales et à leurs systèmes juridiques, les mesures appropriées afin que soit offert, aux
enfants des ressortissants étrangers exerçant une activité salariée sur
le territoire de l'Etat d'accueil, un enseignement d'accueil gratuit
comportant notamment l'enseignement adapté aux besoins spécifiques de ces enfants, de la langue officielle ou de l'une des langues
officielles de cet Etat d'accueil.
Une circulaire datée du 24 août 1978 montre que dès cette année
des mesures ont été prises afin de faire bénéficier d'un encadrement
supplémentaire les écoles maternelles et primaires comptant au
moins 50 p.c. d'enfants de travailleurs migrants, enfants ne possédant pas la langue de l'enseignement.
Cette circulaire dit « La section ou l'école maternelle peut obtenir
l'aide d'une institutrice maternelle en supplément dès qu'elle
compte, parmi les inscrits, 20 de ces élèves, et d'une institutrice
maternelle supplémentaire par tranche de 15 de ces élèves au delà
de 20.
La section ou l'école primaire peut également obtenir l'aide d'instituteurs ou d'institutrices supplémentaires.
Afin de déterminer le nombre d'élèves à prendre en considération
pour fixer le nombre global d'instituteurs et d'institutrices, le nombre des élèves étrangers qui fréquentent les classes de première et
deuxième années a été frappe d'un coefficient particulier permettant
d'accroître ce nombre ou de lui donner un sens protégé. C'est ainsi
que pour ces classes, le nombre des élèves étrangers est multiplié par
un coefficient de 1,5, et celui des élèves étrangers inscrits dans les
quatre années suivantes est multiplié par 1,3.
Les élèves belges et étrangers possédant la langue de l'enseignement comptent chacun pour une unité.
Le nombre d'emplois supplémentaires est égal à la différence
entre le total ainsi obtenu et le nombre d'emplois justifiés au regard
des arrêtés relatifs aux normes de population scolaire. »
Cette circulaire est reconduite d'année en année et, depuis le premier septembre 1979, le pourcentage d'enfants de travailleurs
migrants nécessaire à une école pour pouvoir bénéficier d'une aide
supplémentaire, a été abaissé de 50 à 30 p.c.
La deuxième disposition de la directive du Conseil des Communautés européennes vise la formation initiale et continue des ensei-
il
-
-
:
gnants qui assurent cet enseignement.
Trois chargés de mission représentant les trois réseaux d'enseignement ont été mis à la disposition du directeur général de l'organisation des études.
La recherche-action que vous avez évoquée tout à l'heure, consacrée à l'information et à la formation d'enseignants accueillant des
enfants de travailleurs migrants dans l'agglomération de Bruxelles
comporte deux axes dominants qui définissent conjointement la spécificité des actions à mener à savoir la recherche et l'intervention.
La recherche est centrée sur la formation des enseignants accueildes enfants de travailleurs migrants. Trois domaines de recherlant
che sont particulièrement approfondis
a) Les processus migratoires niveaux socio-économique et
culturel - comprenant les caractéristiques des populations
étrangères et les conditions d'établissement des familles immigrées
:
-
en Belgique;
:
b) Les besoins en formation des enseignants confrontés aux difficultés scolaires des enfants étrangers;
c) Les outils, les pratiques et les objectifs pédagogiques dans un
contexte multilingue et multiculturel.
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1290
Le développement de ces axes de problématique devrait permettre
d'atteindre les objectifs suivants au niveau local
a) Approfondir la connaissance des milieux scolaires en vue de
centrer le plus possible le travail de formation sur les problèmes
:
vécus;
b) Systématiser et rendre au maximum opérationnelles les
diverses expériences réalisées dans le domaine de la scolarité des
enfants étrangers;
c) Susciter une dynamique de travail qui facilite la traduction des
informations fournies en termes d'objectifs pédagogiques, et l'appropriation par les enseignants des savoirs et savoir-faire disponibles.
Pour ce qui concerne l'intervention, le projet se situe dans le
domaine de la formation complémentaire d'enseignants accueillant
des enfants de travailleurs étrangers.
Néanmoins, les possibilités d'exploitation des résultats au niveau
de la formation de base seront également envisagées.
La troisième disposition de la directive des Communautés européennes vise l'enseignement de la langue maternelle et de la culture
d'origine.
L'administration facilite l'accès gratuit aux locaux scolaires, en
dehors de l'horaire normal, afin de permettre aux ambassades
concernées d'organiser ces cours.
Des contacts ont été pris récemment encore par différentes
ambassades, avec notre département.
De plus, l'administration a autorisé un certain nombre d'écoles à
expérimenter le système de cours intégrés à l'horaire, avec participation d'enseignants étrangers.
Les résultats, à ce jour, sont positifs
Le nombre d'aides complémentaires attribuées aux écoles ayant
au moins 30 p.c. d'enfants de travailleurs migrants inscrits au 10
septembre, sera fonction de l'évolution des discussions budgétaires,
dans le cadre des CST, qui ont lieu actuellement avec mon collègue
de l'Emploi et du Travail.
Je puis donc affirmer à l'honorable membre que je maintiens les
dispositions de mes prédécesseurs, à savoir d'une part, l'application
de l'arrêté royal du 10 avril 1975 qui stipule « Un cours d'adaptation à la langue de l'enseignement peut être organisé dans les écoles
primaires ordinaires à raison d'un maximum de trois heures par
semaine au profit des élèves apatrides ou de nationalité étrangère,
dont la langue maternelle ou usuelle diffère de la langue de l'enseignement »; et d'autre part, la circulaire ministérielle du 24 août
1978, appliquant l'article 81 de l'arrêté royal du 22 décembre 1977,
organisant le cadre spécial temporaire.
Même si, en application d'une décision du Conseil des ministres,
le nombre de chargés de mission doit être réduit
le sera je
n'envisage pas la suppression des chargés de mission devant aider à
scolarisation
des
enfants
de travailleurs migrants. Je crois être
la
:
:
- il
-,
clair.
Dans l'enseignement secondaire, le problème est different du fait
du petit nombre de primo-arrivants dans la tranche d'âge de 12 à
18 ans.
Toutefois, des expériences ont été réalisées, depuis plusieurs
années, dans six écoles de l'Etat, des provinces et des communes
les écoles techniques du Hainaut à Saint-Ghislain, l'Institut des Arts
et Métiers à Bruxelles, l'Institut d'enseignement secondaire Hazinelle
à Liège, l'Institut provincial d'enseignement secondaire de Jemeppesur-Meuse, l'Institut communal d'enseignement technique de
:
Charleroi.
Dans ces établissements, un enseignement intensif du français a
été organisé en 1ère année A et en 2e année commune suivant les
modalités ci-après.
En 1ère A sont prévues: l'utilisation des heures réservées aux activités complémentaires et aux rattrapages pour intensifier l'enseignement du français; et l'organisation de groupes séparés pour le cours
de français.
En 2e année commune: 3 heures sur les 5 heures du cours de
français sont organisées séparément pour les élèves migrants. Les
activités complémentaires et le rattrapage sont réservés à la pratique
intensive du français.
Ces expériences continueront au cours de l'année scolaire prochaine. entre dans mes intentions d'ailleurs de passer du stade
expérimental actuel au régime organique et d'étendre les possibilités
de cours intensifs du français aux classes de 1ère année B et de 2e
professionnelle.
D'autre part, le projet CST « Innovation pédagogique << et l'utilisation de stagiaires Onem ont permis à d'autres établissements d'offrir
aux enfants de travailleurs migrants, et en supplément des heures
Il
normales de cours, une aide efficace dans l'apprentissage du français.
Je dirai pour terminer que, sans modifier en quoi que ce soit les
structures de l'enseignement de type I, la souplesse du système a
permis et permettra toujours de prévoir des heures de rattrapage ou
d'activités complémentaires pour ce type d'élèves.
En conclusion, même si, au vu de la législation actuelle en matière
linguistique, ne paraît pas possible de faire davantage que ce que
décrit plus haut, il serait faux d'affirmer que nous ne respectons
j'ai
pas les directives du Conseil des Communautés européennes.
Je crois d'ailleurs que telle n'était pas l'intention de l'honorable
interpellateur.
il
-
M. le President. La parole est à M. Hismans.
-
M. Hismans. Je remercie le ministre pour sa réponse. Je n'ai
qu'une toute petite remarque à formuler, à savoir que, dans l'ensei-
gnement secondaire, les demi-groupes en français ne sont pas maintenus
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. Vous faites
erreur, ils sont maintenus.
M. Hismans. J'en prends acte. Mais est impossible de tout
faire dans le cadre du crédit d'heures, ne l'oublions pas.
Le crédit
M. Tromont, ministre de l'Education nationale.
d'heure a été acquis.
M. le Président. L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
-
il
-
-
-
INTERPELLATION DE M. MOUTON A M. TROMONT, MINISTRE DE L'EDUCATION NATIONALE, SUR « LA POLITIQUE
EN MATIERE DE DECENTRALISATION ET DE FORMATION CONTINUEE DU PERSONNEL ENSEIGNANT »
INTERPELLATIE VAN DE HEER MOUTON TOT DE HEER
TROMONT, MINISTER VAN ONDERWIJS, OVER « HET BELEID INZAKE DECENTRALISATIE EN PERMANENTE
OPLEIDING VAN HET ONDERWIJZEND PERSONEEL >>
M. le Président. L'ordre du jour appelle l'interpellation de M.
Mouton à M. Tromont, ministre de l'Education nationale, sur la
politique en matière de décentralisation et de formation continuée
du personnel enseignant.
La parole est à l'interpellateur.
M. Mouton. Monsieur le Président, monsieur le ministre, chers
collègues, les districts éducatifs, créés par l'arrêté royal du 2 avril
1981 mais opérationnels déjà, à titre expérimental, depuis septembre 1979, constituent en fait le premier jalon d'une décentralisation
de l'enseignement de l'Etat.
Leur but est d'assurer un fonctionnement plus souple des établissements scolaires, grâce à une plus grande autonomie de gestion.
A plusieurs reprises, monsieur le ministre, vous avez déclaré vousans jamais,
loir mettre tout en œuvre en vue d'atteindre cet objectif
jusqu'à présent du moins, nous préciser les limites concrètes de cette
autonomie.
Je constate donc, en le regrettant, que vos déclarations sont restées non seulement lettre morte mais qu'en plus, vous prenez d'autorité des mesures importantes qui modifient le rôle et le fonctionnement des conseils de classe et surtout les modalités de l'évaluation. Votre discours diverge donc notablement de votre action.
Et pourtant, l'arrêté royal du 2 avril 1981 prévoit bien que les
collèges des districts éducatifs ont pour mission, entre autres, de formuler des avis concernant la mise en œuvre des grandes options
pédagogiques et l'uniformisation des systèmes d'évaluation, sans
oublier la bonne compréhension ainsi que l'application adéquate des
diverses réglementations.
Les centres d'enseignement secondaire constituent une autre structure de décentralisation. C'est ainsi que l'arrêté ministériel du 10
juin 1981 confie aux conseils de direction des missions importantes
visant à une autonomie de gestion coordonnée entre les établissements qui font partie d'un même centre.
Je ne rappellerai que pour mémoire les treize matières prévues à
l'article 2 et qui relèvent de la compétence des conseils de direction.
Je dois donc bien constater, une fois encore, que pas plus les
conseils de direction que les collèges des districts éducatifs n'ont été
consultés.
-
-
Séance du mercredi 23 juin 1982
1291
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
dans le même temps, monsieur le ministre, vous affirmez vouEtdonner
plus de responsabilités aux chefs des établissements de
loir
l'Etat
Pourquoi, dès lors, les ignorez-vous totalement ?
Pourquoi ignorez-vous systématiquement les structures mises en
place par vos prédécesseurs ?
Pourquoi, depuis votre arrivée au département de l'Education
nationale, n'avez-vous pris aucune initiative de nature à valoriser
ces structures décentralisées ?
Qui plus est, des centres d'enseignement composés d'établissements de l'Etat et d'établissements de l'enseignement officiel subventionné existent. C'était, à mon sens, une étape décisive qui avait été
franchie sur la voie du rapprochement.
Ces centres mixtes avaient créé une dynamique nouvelle aplanissant des difficultés réelles nées surtout de la sacro-sainte autonomie,
parfois aussi de la rivalité entre établissements scolaires.
Un grand espoir avait surgi de voir s'installer une harmonisation,
tant au plan pédagogique que structurel.
Depuis six mois, qu'avez-vous fait, monsieur le ministre, pour
soutenir ce mouvement de rapprochement ?
Or, ce rapprochement est souhaite par tous ceux qui ont la responsabilité de l'enseignement officiel dans notre communauté française.
La carence de décision voudrait-elle indiquer, monsieur le ministre, que vous ne souhaitez pas cette collaboration, ou bien que votre
inertie en la matière est telle qu'elle le laisse supposer, ce qui revient
au même?
J'en viens maintenant au problème de la formation continuee du
personnel enseignant.
A maintes reprises, vous-même, monsieur le ministre, avez paru
vous en soucier et, plus particulièrement, de son organisation.
Je voudrais vous interroger sur les conventions entre le Centre
international audiovisuel d'Etude et de Recherche de Saint-Ghislain,
le Centre des Méthodes pédagogiques de la province de Liège, d'une
part, et les centres de formation continuee de l'Etat, à Huy et à
Charleroi, d'autre part.
Là encore, monsieur le ministre, vous n'avez pris aucune initiative
pour poursuivre les actions entreprises. Et, d'après les informations
qui nous parviennent, vous envisageriez de réduire le nombre d'animateurs pédagogiques.
M. Tromont, ministre de l'Education nationale.
d'informateur.
- Il faut changer
M. Mouton. - Vous ne devez, dès lors, pas vous étonner que
l'enseignement officiel se pose des questions. De deux choses l'une
ou bien vous continuez à promouvoir la collaboration entre les
réseaux d'enseignement officiel, ou bien vous y mettez un terme.
Nous souhaiterions être fixés.
Votre silence prolongé crée une inquiétude, un malaise au sein du
corps enseignant. Et cela ne fait qu'ajouter aux soucis nombreux
qui sont les siens.
est donc urgent que vous vous prononciez. Si vous avez décidé
de ne pas poursuivre en ces matières la politique de vos prédécesseurs, dites-le nous clairement
J'espère, monsieur le ministre, pouvoir attendre des réponses précises de votre part et je vous en remercie déjà. (Applaudissements
sur les bancs socialistes.)
:
Il
!
-
M. le Président. La parole est à M. Tromont, ministre.
Monsieur le
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. - secondaire
Président, chers collègues, les centres d'enseignement
et
les districts éducatifs ont été créés par arrêtés royaux en décembre
1980 et avril 1981.
Observons donc que leur existence est très récente et qu'ils sont
encore perfectibles.
L'année scolaire 1981-1982, c'est-à-dire celle qui se termine dans
quelques jours, était en réalité la première où nous allions voir ces
nouvelles institutions se mettre en place et commencer à fonc-
tionner.
Les arrêtés ministériels d'exécution, instituant les conseils de
direction et les conseils de participation dans les CES, datent de juin
1981. Ces conseils ont vu le jour parfois difficilement - ne nous en
cachons pas
certaines critiques quelquefois violentes ont été formulées à propos de leur composition et de leurs compétences estimées trop restreintes.
-,
Bref, ce n'était pas, à mon sens, le moment de légiférer de nouveau ou de noyer, sous des circulaires nouvelles et contraignantes,
les établissements qui faisaient leurs premiers pas dans cette direc-
tion nouvelle.
J'ai préféré laisser les choses se décanter elles-mêmes et observer
leur évolution. Vous conviendrez que les premiers mois d'existence
d'une institution méritent d'être observés.
La lecture des procès-verbaux des réunions de district ou de CES,
reçus régulièrement, m'a appris que tout n'était pas parfait, ce qui
me paraît d'ailleurs logique, dans une nouvelle institution. Il eût été
présomptueux d'imaginer le contraire.
C'est ainsi que je me suis aperçu, pour reprendre un exemple que
vous citez, que les modes d'évaluation littérale, l'organisation des
conseils de classe ou l'évaluation continue tels qu'ils étaient prévus
par les circulaires de septembre 1981 ne faisaient pas l'unanimité,
loin s'en faut.
Aussi ai-je décidé d'en tenir compte immédiatement pour revoir
de façon plus pragmatique, et en les simplifiant, certaines dispositions de ces circulaires.
Vous ne me reprocherez certainement pas d'avoir écouté les avis
exprimés par ceux qui sont vraiment les praticiens de notre enseignement.
Enfin, je dois constater que les compétences des conseils de direction et des conseils de participation mis en place dans les CES sont
essentiellement des compétences locales dans lesquelles je me vois
mal m'immiscer, je veux laisser à ces établissements une réelle
si
autonomie.
Je ne citerai que quelques-unes d'entre elles, telles que l'organisation pédagogique des établissements du CES, leur collaboration en
matière de création d'options, l'utilisation des infrastructures sportives ou des restaurants, la répartition des travaux à domicile, l'organisation de la vie en internat, etc.
J'en arrive au problème de l'autonomie de gestion des établissements scolaires.
Depuis mon arrivée au département, j'ai voulu assurer cette autonomie, tant sur le plan pédagogique que sur le plan financier.
Il suffit de lire les nouvelles dispositions de l'arrêté royal sur les
normes et le calcul du crédit d'heures pour constater que les possibilités de choix des écoles en matière d'organisation pédagogique ont
été sensiblement accrues. La même conduite sera mise en vigueur en
matière comptable, là où l'application de cette autonomie rencontre
encore certains obstacles techniques que je m'efforce de lever.
Par ailleurs, vous me parlez du grand espoir qu'aurait fait naître
la constitution de centres mixtes dans l'optique d'une harmonisation
entre les établissements d'enseignement de l'Etat et les établissements de l'enseignement officiel subventionné.
Puis-je vous faire remarquer que la constitution de beaucoup de
ces centres n'a pas été souhaitée par les premiers intéressés et que
depuis, ils ont surtout exprimé leur mécontentement de s'être vus
associés, sans consultation, à des écoles d'autres réseaux ?
Je ne crois pas que ce soit la meilleure façon de favoriser cette
harmonisation que vous semblez tant souhaiter et que je souhaite
aussi.
Quant aux problèmes de la formation continuee des enseignants,
ne vois pas en quoi vous pourriez me reprocher de ne pas m'y
intéresser; au contraire. Les centres de formation continuee de Huy
et de Charleroi fonctionnent normalement. Peut-être leur localisation n'est-elle pas heureuse ? Je veux bien l'admettre. Personnellement, je les aurais préférés plus près des écoles normales et des universités pour susciter une collaboration fructueuse avec ces institutions.
M. Mouton. Ils ne sont pas près de Huy.
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. Bien sûr, l'université la plus proche ne se trouve pas à Huy; peu importe d'ailleurs
qu'elle se trouve un peu plus loin ou un peu plus près !
En ce qui concerne Charleroi, on peut aussi tenir le même raisonnement.
Je m'intéresse particulièrement à ces centres puisque j'ai demandé
à la direction générale de l'organisation des études de me faire rapport sur leurs activités.
Quant aux conventions signées par mon prédécesseur entre, d'une
part, le Ciaver de Saint-Ghislain, que vous avez évoqué, le Centre
de Méthodes pédagogiques de la province de Liège et, d'autre part,
les centres de formation continuee de Huy et de Charleroi, elles ont
été honorées et ont commencé à se matérialiser puisque la direction
générale de l'organisation des études a provoqué des contacts réguliers entre ces institutions visite des inspecteurs de l'Etat de langues
-
-
:
Annales parlementaires
-- Parlementaire Handelingen
Sénat
1292
Senaat
germaniques au Ciaver, réunions entre les responsables des centres
de l'Etat de Huy et de Charleroi et ceux du centre provincial de
Liège, etc.
Bref, je ne vois pas de raison qui légitime une inquiétude particulière.
J'espère avoir répondu à toutes les questions posées par l'interpellation de notre honorable collègue.
M. le Président. La parole est à M. Mouton.
M. Mouton. Monsieur le ministre me permettra de lui demander s'il envisage une réduction du nombre d'animateurs pédagogiques. En effet, n'a pas répondu à cette question que je lui posais.
Dois-je donc en conclure qu'il n'envisage pas la réduction du nombre d'animateurs ? Je souhaiterais qu'il me réponde avec précision.
M. le Président. La parole est à M. Tromont, ministre.
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. En ce qui
concerne le nombre d'animateurs pédagogiques, j'ai répondu tout à
l'heure que j'avais demandé à la direction générale de l'organisation
des études de mon département de me fournir un rapport. Après
lecture de ce rapport, je pourrai vous fixer. Pour l'instant, je suis en
train d'étudier le problème que vous avez évoqué.
M. le Président. - L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
il
-
-
-
INTERPELLATION DE M. DEWORME A M. TROMONT,
MINISTRE DE L'EDUCATION NATIONALE, SUR « LA SUPPRESSION DE 400 CHARGES DE MISSION AU SEIN DU
DEPARTEMENT DE L'EDUCATION NATIONALE »
INTERPELLATIE VAN DE HEER DEWORME TOT DE HEER
TROMONT, MINISTER VAN ONDERWIJS, OVER DE « AFSCHAFFING VAN 400 POSTEN VAN OPDRACHTGELASTIGDEN BIJ HET DEPARTEMENT VAN ONDERWIJS »
M. le Président. L'ordre du jour appelle l'interpellation de M.
Deworme à M. Tromont, ministre de l'Education nationale, sur la
suppression de 400 chargés de mission au sein du département de
l'Education nationale.
La parole est à l'interpellateur.
M. Deworme. Monsieur le President, mesdames, messieurs, si
mes renseignements sont exacts, entrerait dans les intentions de
M. le ministre de réduire de 583 à 170 le nombre des chargés de
mission au sein du département de l'Education nationale. Cette
démarche impliquerait une perte supplémentaire de 413 emplois
temporaires puisque ces chargés de mission devront réintégrer leur
-
-
il
établissement.
D'autre part, je m'inquiète de la façon dont vous procédez pour
réaliser ces réductions, et je voudrais vous poser une série de questions sur un exemple bien précis.
L'arrêté royal du 8 avril 1965 organise un service d'inspection
relevant de la direction générale de l'organisation des études.
Le service est charge:
1º De la surveillance
a) Des activités scolaires et parascolaires organisées par cette
direction générale et notamment de la radio scolaire, de la TV scolaire et des stages organisés dans le cadre de ces activités;
b) De l'organisation générale des activités éducatives et complémentaires;
c) Des modalités d'exécution des activités éducatives et complémentaires qui, en raison de leur nature, ne rentrent pas normalement dans les attributions des services d'inspection des divers ordres
d'enseignement;
d) Des conseils de classe et de la confection des dossiers scolaires;
e) De l'organisation des internats sur le plan de l'éducation et de
:
la pédagogie;
f) Des expériences pédagogiques déterminées par le ministre.
2º De donner des avis sur les problèmes pédagogiques qui sont
de la compétence de cette direction générale.
3º De toutes les autres missions qui lui sont confiées par le
ministre.
A la date du 1er septembre 1981, deux inspecteurs étaient chargés
de la surveillance de la radio scolaire, de la TV scolaire et des stages
organisés dans le cadre de ces activités.
Trois inspecteurs avaient en charge la surveillance de l'organisation des internats sur le plan de l'éducation et de la pédagogie.
Trois inspecteurs avaient pour mission la surveillance de l'organisation générale des activités éducatives et complémentaires, des
conseils de classe et de l'évaluation continue.
Vous venez de prendre la décision, monsieur le ministre, de
réduire à une seule unité le groupe d'inspection qui doit établir des
contacts pédagogiques fructueux avec 220 établissements scolaires.
Croyez-vous qu'une telle démarche soit compatible avec le maintien de la valeur de l'enseignement ?
J'aimerais connaître, en plus, les critères que vous avez retenus
pour pratiquer ces restrictions.
Vous avez encore été plus draconien en ce qui concerne le centre
de production de Huy, où vous avez mis fin à la mission de quatre
personnes qui constituaient intégralement le personnel de ce centre
de production.
Ainsi, vous supprimez les centres de production mais vous maintenez les deux inspecteurs qui ont la surveillance de l'audiovisuel
dans leurs attributions.
Voudriez-vous me donner les justifications de cette décision ?
Par contre, vous laissez à une seule personne le soin de surveiller
non seulement l'organisation des conseils de classe, mais aussi d'organiser toutes les relations éducatives au sein de l'école.
Vous conviendrez certainement, monsieur le ministre, que ces
décisions surprennent les gens attentifs aux questions de l'enseignement. Voudriez-vous me donner les raisons de ces dispositions ?
Enfin, ne considerez-vous pas outrepasser vos droits en vous
immiscant dans l'organisation des expériences pédagogiques qui
sont de la compétence du ministre-membre de l'Exécutif de la Communauté française qui a l'enseignement dans ses attributions ?
M. le Président. La parole est à M. Tromont, ministre.
-
-
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. Monsieur le
Président, chers collègues, est exact qu'un nombre impressionnant
de « chargés de mission » est venu s'ajouter au cadre normal de
l'Education nationale.
Beaucoup de ces emplois n'ont aucune base légale.
En effet, pour charger un enseignant d'une mission, faut qu'elle
soit prévue par un texte legal ou voulue par le législateur.
C'est ainsi, par exemple, que la loi du 19 juillet 1971 instituant
l'enseignement de type prévoit en son article 10, § 2, que les
ministres peuvent détacher des membres du personnel « en vue de
stimuler la mise en œuvre et l'application de la présente loi ... ».
Ces chargés de mission, choisis pour leur compétence, rendent des
services éminents à mon département et je n'ai jamais eu la moindre
intention de les supprimer. Malheureusement, j'ai dû constater
depuis mon arrivée au département que beaucoup d'autres « missions » n'avaient pas le même caractère que celles que je viens de
citer et n'avaient, comme je l'ai dit, aucune base légale.
Aussi, devant les difficultés budgétaires que nous connaissons, aidécidé de les passer au crible et de supprimer celles de ces « misjesions
>> qui ne répondaient pas à une stricte nécessité.
J'ai donc pris mes renseignements : des enquêtes sont menées par
l'administration qui me permettront de prendre mes décisions en
toute connaissance. Si c'est là le seul reproche que vous me faites
ma culpabilité ne m'impressionne guère.
Pour revenir au cas précis que vous me citez, je vous répondrai
qu'il est exact que l'arrêté royal du 8 avril 1965 organise un service
d'inspection relevant de la direction generale de l'organisation des
études. Le cadre est prévu par un autre arrêté royal, celui du 20 mai
1965 et compte six personnes pour les deux régimes linguistiques
soit trois francophones et trois néerlandophones. Au 1er septembre
1981, ce cadre était complet; comptait trois inspecteurs en fonctions. Depuis 1965; c'est-à-dire pendant dix-sept ans, ils ont toujours été trois et ils ont suffi amplement aux tâches d'inspection
dévolues à cette direction générale des études. Deux d'entre eux
sont chargés de l'inspection des médiathèques, et des problèmes de
l'audiovisuel. Un seul est chargé de l'organisation des conseils de
il
il
I
il
classe dans les écoles.
Pourquoi a-t-il fallu soudain en fin d'année 1981 porter ce nom-
bre à six, en dépit du cadre légal fixé ?
Pourquoi tout à coup la nécessité de charger désormais trois personnes au lieu d'une de s'occuper des conseils de classes et, pour
faire bonne mesure, d'y ajouter un quatrième chargé de mission
pour assurer la coordination et le secrétariat ?
Croyez-vous qu'il était bien opportun de multiplier des emplois là
où ils ne se justifiaient pas particulièrement dans la période de crise
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
que nous traversions déjà à cette époque et que nous traversons toujours ?
D'autre part, vous me reprochez la suppression du Centre de production audiovisuel de Huy où trois enseignants vont devoir réintégrer leur école.
Ces centres, créés assez récemment dans le but de produire des
documents audiovisuels pour les professeurs, ne répondaient pas
non plus à une nécessité imperieuse. Depuis longtemps, les professeurs consciencieux ont toujours produit eux-mêmes, ou par petites
équipes librement constituées dans leurs établissements, les documents audiovisuels dont ils estimaient avoir besoin. Cela fait partie
des tâches inhérentes à la fonction d'enseignant, au même titre que
les préparations, la lecture d'ouvrages scientifiques ou les corrections.
Dans les écoles, un professeur ou un éducateur formé aux
méthodes audiovisuelles a souvent été chargé d'aider matériellement
et techniquement les professeurs concernés.
a toujours été possible, et je l'ai prévu par ma circulaire de rentrée 1982-1983, de décharger un enseignant par école d'une demicharge pour s'occuper des problèmes de médiathèque et de reproduction de documents audiovisuels.
Aussi ai-je estimé que cette formule était de loin préférable à celle
des centres de production, où des enseignants « en mission » perdent
tout contact avec l'enseignement.
Dans votre interpellation, après m'avoir reproché d'avoir supprimé trois chargés de mission inutiles, vous me reprochez d'avoir
maintenu les deux postes d'inspecteur des moyens audiovisuels dont
j'ai déjà parlé et qui, eux, sont dans le cadre.
J'en tire argument pour vous dire que l'Education nationale a un
urgent besoin d'une organisation fondée sur le droit et non sur le
bon plaisir des ministres. C'est en tout cas la ligne de conduite que
je me suis tracée. Elle correspond, à mes yeux, aux impératifs de
saine gestion nécessaire dans un département de cette importance.
Enfin, pour répondre à votre dernière question, relative à mes
compétences ministérielles en matière d'expériences pédagogiques, je
ne vois pas en quoi l'inspection chargée de l'audiovisuel et des
conseils de classe constitue une expérience pédagogique. L'audiovisuel et les conseils de classe sont intégrés dans notre système d'enseignement et d'évaluation, système je l'ai rappelé tout à l'heure
- qui existe depuis bon nombre d'années.
Ces deux types d'inspection ont quitté depuis longtemps le terrain
expérimental sur lequel ils se situaient y a maintenant près de dix-
Il
-
il
sept ans.
J'espère avoir ainsi rencontré, par l'actualité de ma réponse, tous
les sujets qui vous préoccupaient.
-
M. le Président. La parole est à M. Deworme.
Monsieur le Président, chers collègues, j'ai
M. Deworme. - les
écouté avec attention
raisons données par le ministre de l'Educa-
tion nationale.
Si je prends le centre de Huy, il est certain qu'il possède un matériel dont ne disposent pas la plupart des écoles.
Par conséquent, on ne peut pas réaliser un materiel audiovisuel
dans chacune des écoles, comme on peut le faire dans un centre spécialisé.
Je n'irai pas jusqu'à dire que ce centre était parfait. est certain
que des enseignants, qui n'ont pas nécessairement reçuIlune formation spécifique dans un domaine aussi nouveau, ne réalisent pas du
jour au lendemain des documents parfaits et que des progrès sont à
faire dans ce domaine.
Je ne crois pas non plus que c'est en supprimant les centres où
l'expérience s'acquiert progressivement qu'on résoudra le problème.
Si on a déjà des difficultés dans des centres spécialisés, votre expérience, qui consiste à permettre des réalisations audiovisuelles dans
les différentes écoles, ne sera pas nécessairement un succès.
J'en viens au problème du détachement. Ainsi que vous l'avez
souligné, ce que les ministres successifs de l'Education nationale ont
tenté, c'est de réaliser, en dehors du cadre légal, des expériences
pédagogiques, et de tâter le terrain en certains domaines.
Dans le fond, des expériences similaires ont été effectuées dans les
communes ou au niveau des provinces par le biais des cadres spéciaux temporaires. Là aussi, nous nous rendons compte qu'il existe
des besoins nouveaux auxquels le cadre légal ne permet pas de
répondre.
--
Ann. parl. Sénat Session ordinaire 1981-1982
Parlem. Hand. Senaat Gewone zitting 1981-1982
1293
Par conséquent, ces chargés de mission avaient une tâche de prospection a remplir dans des domaines nouveaux; on aurait pu creer
par la suite, après en avoir compris la necessite, le cadre legal qui
leur permette de trouver leur place dans l'enseignement. C'est ce
que je souhaitais vous dire. Bien entendu, vous n'avez pas répondu
à la question essentielle, à savoir: passera-t-on réellement de 583
chargés de mission, détachés pédagogiques, à 170? Comme vous
l'avez signalé, le problème est également budgétaire. La réinsertion
de ces personnes dans leur établissement scolaire pose un problème,
de même que le départ de professeurs, d'instituteurs ou d'éducateurs
qui étaient employés dans certains établissements. Ces départs vont
provoquer des perturbations au niveau des établissements scolaires;
des problèmes humains se poseront manifestement pour les personnes qui devront se réinsérer dans un cadre d'enseignants.
Si certaines missions dévolues à des détachés pédagogiques
n'étaient peut-être pas absolument nécessaires, je crois qu'il est exagéré de dire que c'est le cas pour 400 personnes. Cela ne se justifie
pas sur le plan pédagogique. (Applaudissements sur les bancs socialistes.)
M. le Président. La parole est à M. Tromont, ministre.
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. Monsieur le
Président, je voudrais simplement répondre à M. Deworme que le
gouvernement a effectivement fixé à 1,5 pour mille le nombre de
charges de mission dans l'enseignement. Il suffit donc de calculer le
nombre de personnes occupées dans l'enseignement en Belgique
pour déterminer le nombre de chargés de mission que le ministre de
l'Education nationale est autorisé à maintenir dans le cadre de la
gestion de son département.
M. le Président. La parole est à M. Deworme.
M. Deworme. Sans vouloir abuser du temps du Sénat, j'estime
que la véritable justification vient d'être donnée par le ministre.
ne faut pas essayer de trouver des raisons pédagogiques à ce qui est
essentiellement d'ordre budgétaire.
M. Tromont, ministre de l'Education nationale. Je n'ai évoqué
aucune raison pédagogique. J'ai simplement répondu aux problèmes
et aux exemples évoqués par l'honorable membre.
Puisqu'il me posait la question directe de savoir s'il y aura une
réduction du nombre de ce que j'appelle « les chargés de mission de
l'Education nationale ">, je réponds fermement et de manière affir-
-
-
-
-
Il
-
mative.
-
M. le Président. L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
INTERPELLATION DE M. HUMBLET A M. TROMONT,
MINISTRE DE L'EDUCATION NATIONALE, SUR « LA MISE
EN PLACE D'UN RESEAU D'ECOLES PLURALISTES »
INTERPELLATIE VAN DE HEER HUMBLET TOT DE HEER
TROMONT, MINISTER VAN ONDERWIJS, OVER « HET INSTELLEN VAN EEN NET VAN PLURALISTISCHE
SCHOLEN »
M. le Président. Mesdames, messieurs, l'ordre du jour appelle
-
l'interpellation de M. Humblet au ministre de l'Education nationale
sur « la mise en place d'un réseau d'écoles pluralistes »
La parole est l'interpellateur.
M. Humblet. Monsieur le Président, monsieur le ministre, mes
chers collègues, vous n'ignorez pas que depuis 1970 l'idée de créer
en Flandre, en Wallonie et à Bruxelles, des écoles d'un type nouveau, dites pluralistes, a retenu l'attention de divers milieux philosophiques, politiques et pédagogiques.
Il s'agit, en l'espèce, de sortir de ce qu'on a parfois appelé des
ghettos: d'une part, l'enseignement confessionnel et, d'autre part,
l'enseignement non confessionnel.
Cette distinction n'est pas nécessairement comparable à celle qui
classe d'un côté, les établissements subventionnés et, de l'autre, les
établissements de l'Etat
Les protagonistes de l'enseignement pluraliste, et j'en suis, soulignent que la neutralité, outre qu'elle est, dans une certaine mesure,
impossible, voire trompeuse, écrase les idéologies et cela à une époque où l'information est reine. En effet, les jeunes sont très tôt, bien
avant l'adolescence, littéralement assaillis par une multitude de nou-
-
172
--
Sénat Annales parlementaires
Senaat Parlementaire Handelingen
1294
velles concernant tout l'univers. Ils sont plongés dans un monde où
on ne peut vivre replié sur soi-même.
D'où cette idée d'un changement quant à l'idéologie et quant à la
gestion avec une participation plus étendue des milieux locaux, des
parents, du monde économique et social, ainsi que des pouvoirs
communaux et intercommunaux. Bref, un autre type d'école, pluraliste, caractérisé notamment par la possibilité d'exprimer ses opinions et, en conséquence, d'admettre la multiplicité des opinions. Il
y a divers courants dans le socialisme, dans le libéralisme et également dans le christianisme.
On ne peut se limiter, en 1982, à deux familles philosophiques. A
cette heure tardive, le temps est compté, mais on pourrait brillamment expliciter cette réalité.
L'enseignement pluraliste est inévitablement caractérise par un
pouvoir organisateur pluraliste, quant aux catégories représentées,
aux opinions et aux convictions de ceux qui y siègent.
On ne peut, du jour au lendemain, décréter que telle ou telle institution devient pluraliste parce qu'elle se qualifie comme telle.
Mon introduction a peut-être un caractère d'évidence, mais je
voulais poser clairement le problème.
Quel est-il? Aujourd'hui, fin juin 1982, le Conseil de l'enseigne-
ment pluraliste francophone est constitué. Après l'avoir consulté, il
est, en principe, théoriquement possible de mettre en place un
réseau de véritables écoles pluralistes au sens où je me suis appliqué
à le définir.
Vous faites volontiers allusion au rôle de vos prédécesseurs, monsieur le ministre. L'un de ceux-ci a prévu que dix des centres d'enseignement secondaire de la Communauté française seront pluralistes.
Ainsi que j'ai eu l'occasion de le souligner antérieurement, cela
me paraît une gageure dans la mesure où n'est pas possible et,
pour ma part, je le regrette que des centres d'enseignement
secondaire regroupent des établissements non confessionnels et des
établissements confessionnels.
-
il
-
Pour moi, la solution, dans une dynamique de création d'écoles
pluralistes, c'est que l'on donne, d'abord expérimentalement, la possibilité de créer des centres d'enseignement secondaire à partir de tel
collège Saint-X et de tel lycée ou athénée.
Une autre base était possible dans cette optique, à savoir d'utiliser
certaines écoles de type privé assez avancées du point de vue pédagogique: des écoles Hamaide, des écoles Sterner, des écoles
Decroly ... Je les cite volontiers car leur réputation de qualité est
bien connue, encore qu'il y ait peut-être une réserve à formuler en
raison de la sélection sociale qui s'y manifeste.
Bref, nous nous trouvons aujourd'hui devant ce projet de dix
centres d'enseignement secondaire pluraliste qu'il me paraît impossible, du moins avec les lunettes que je porte (sourires), de mettre en
place d'un coup de baguette magique. On attend beaucoup de
choses d'un ministre, et surtout d'un ministre de l'Education nationale, mais certainement pas qu'il soit un prestidigitateur. Vous n'en
êtes pas un, monsieur le ministre, et je vois mal, je le répète, comment vous pourriez mettre en place des centres d'enseignement
secondaire pluraliste. Ici ou là, on dénombre bien telle ou telle école
dont les réalisations sont bien connues par les spécialistes de l'enseignement: Snark à Houdeng-Goegnies, dans l'enseignement spécial,
une réalisation à Soignies, et deux ou trois autres, mais pas davantage.
Je ne vous interroge pas sur vos intentions; en principe, je n'en ai
d'ailleurs pas le droit. Je ne vous interpelle pas de manière critique,
comme on peut le faire dans d'autres domaines et comme on l'a
déjà fait ce soir, à propos de mesures que vous auriez prises et qui
ne me satisferaient pas, mais dans un véritable souci de réflexion
commune. Je crains, en effet, qu'on ne leurre l'opinion publique en
laissant croire qu'il sera possible, d'ici à deux ou trois ans, d'arriver
à avoir cinq à dix pour cent d'écoles secondaires pluralistes.
Votre conseil de l'enseignement pluraliste est en place, monsieur
le ministre. L'enjeu est capital pour cette fin du vingtième siècle et
les nombreux jeunes avec lesquels j'en ai souvent discuté en sont
très conscients.
Ce n'est pas seulement un problème d'évolution de la société mais
aussi, à long terme, un problème économique. On ne pourra pas
payer à l'infini des réseaux concurrentiels comme on le fait actuellement. Nous ne sommes plus en 1959, à l'époque du Pacte scolaire.
Par rapport à ces défis et vu l'évolution de nature philosophique
qui se manifeste dans bien des formations politiques, comment serat-il possible de s'engager progressivement, mais positivement, et sans
leurrer personne, dans cette voie conduisant aux écoles pluralistes ?
(Applaudissements sur les bancs socialistes.)
-
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Luyten.
De heer Luyten. Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de minister,
geachte collega's, het is allicht ietwat onverwacht dat ik het woord
vraag in deze interpellatie.
Ik acht het mijn plicht de interpellatie van onze ijverige collega,
de heer Humblet, met een voorbeeld aan te vullen en de aandacht te
vestigen op een echt pluralistisch schoolnet dat in feite de reden is
waarom ik hier vandaag tot 19 uur afwezig ben geweest. Het gaat
over het scholennet van de Baskische Ikastola dat de interpellant zeker kent, want wij zijn er samen nog geweest.
Ik weet dat de heer Humblet bekommerd is om de Internationale
van de Volkeren. Hij is ook een ijverig lid van de francite, om niet
te zeggen van de francofilie.
In verband met de Ikastola's doen wij thans een pijnlijke ervaring
op.
Ondanks beloften, een jaar geleden, van de roosdragers in Frankrijk, ondanks de schitterende resultaten van echt pluralisme in de
Ikastola's wij zouden haast kunnen zeggen: de kinderen gaan
naar de Ikastola, zij lachen, zij zijn gelukkig is ons heden telefonisch meegedeeld dat reeds voor de vierentwintigste dag leraars van
die scholen in hongerstaking zijn in de kathedraal van Bayonne omdat Frankrijk weigert, op enigerlei wijze die scholen te erkennen.
In Noord-Ierland was er vorig jaar de hongerstaking van Bobby
Sands. Volgens mevrouw Thatcher was hij een terrorist. Nu gaat
het « maar » om leraars die zich op het Unesco-charter beroepen,
-
-
-
waarin staat dat elk volk recht heeft op zijn taal.
Vooraleer die hongerstakers hun actie met de dood zouden bekopen of er levenslang nefaste gevolgen van zouden ondervinden, wil
tot de heer Humblet richten die tussen Quebec en de Jura
ikdemij
francité mee verdedigt om morgen een brief gericht aan de
president van Frankrijk mede te ondertekenen met welwillende collega's die het Unesco-charter en het recht op het pluralisme, van de
pluriformiteit van de volkeren mee willen verdedigen.
Als het gevaar voor een fatale afloop in Bayonne afgewend zal
zijn,
wil ik graag de goede kontakten die ik ginder heb, gebruiken
om eens te tonen wat echt pluralisme is. Het tragische voor de mensen aldaar is dat zij samen, met eigen geld en inzet, groot zijn geworden maar nog altijd geen cent hebben ontvangen van de Franse
Staat. Honderden ouders hebben aan de Ikastola's reeds hun vertrouwen geschonken, maar ondanks alle mooie verklaringen zijn de
politieke vrienden van de heer Humblet in Frankrijk niet bereid dit
experiment van de pluralistische scholen te steunen. Erger nog, zij
hebben de fundamentele basis ervan afgewezen. Dat maakt dat de
hongerstakers in Bayonne vastbesloten zijn hun hongerstaking tot
het uiterste voort te zetten.
Deze overwegingen over pluralistische filosofie overschrijdt allicht
deze interpellatie maar zij raken er toch de essentie van. Ik hoop
morgen bij het rondgaan met mijn petitie, geadresseerd aan president Mitterrand, steun te vinden bij de interpellant en zijn geestesgenoten. (Applaus op de banken van de Volksunie.)
M. le Président. La parole est à monsieur Tromont, ministre.
Tromont, ministre de l'Education nationale. Monsieur le
M.
Président, chers collègues, nous assistons davantage à un moment de
réflexion sur l'école pluraliste, sa vocation, son avenir, sa destinée,
qu'à une interpellation au ministre de l'Education nationale en ce
domaine.
m'apparaît d'ailleurs fort utile qu'il y ait, dans les assemblées,
même s'il se produit à des heures tardives, un échange de vues sur
des matières qui, vous l'avez souligné, monsieur le sénateur, sont
fort importantes pour l'avenir de la jeunesse, mais aussi pour l'orga
nisation même de l'éducation à l'intérieur des structures traditionnelles de notre pays.
L'exemple cité, qui se déroule dans un pays étranger et que je
connais mal, je dois le reconnaître, méritait d'être étudié.
Quant au contenu de votre interpellation, est exact que le
Conseil de l'enseignement pluraliste peut être constitué. Je m'excuse
d'insister sur le verbe. Vous avez dit «est constitué »>; je dis « peut
être constitué ».
La composition des deux chambres constitutives a été soumise à
a Commission nationale du Pacte scolaire. Au cours de plusieurs
réunions successives, la Commission n'a finalement émis aucune
remarque. Sur la composition de la chambre francophone, une réunion a suffi. Les remarques émises par la Commission, en ce qui
concerne la composition de la chambre néerlandophone, ont, au
bout de quelques réunions, été gommees. Aujourd'hui donc, un
Conseil de l'enseignement pluraliste, dont on connaît la composition
des deux chambres. peut être constitué.
-
-
-
-
Il
:
il
:
Séance du mercredi 23 juin 1982
Vergadering van woensdag 23 juni 1982
L'arrêté royal du 30 mars 1982, en son article 17, a effectivement
prévu, vous l'avez dit, que dix centres d'enseignement secondaire
pluraliste pouvaient être créés pour les deux régimes linguistiques.
A bref delai, on peut l'esperer, l'enseignement pluraliste pourra
être reconnu et des CES pourront - vous le voyez, je prends beauêtre formés exactement comme les établissecoup de précaution
ments secondaires, des réseaux de l'Etat et du subventionné libre et
officiel, pour autant, évidemment, que la Charte de l'enseignement
pluraliste puisse naître du consensus de ce conseil.
La première étape consistera, pour une école qui le désire, à poser
sa candidature devant le Conseil de l'enseignement pluraliste. Ce
dernier est chargé d'examiner si toutes les conditions inhérentes à
cet enseignement sont respectées.
Dès qu'un certain nombre d'écoles pluralistes auront été reconnues, elles pourront se grouper en centres d'enseignement secondaire
et se voir appliquer les dispositions de l'arrêté royal du 30 mars
1982 sur la programmation.
Je fais remarquer à mon honorable collègue qu'il est permis, par
la législation actuelle sur les CES, d'associer des écoles de réseaux
différents sous forme de centres mixtes. Un certain nombre de ces
centres ont été d'ailleurs constitués entre établissements de l'ensei-
-
gnement officiel.
Il n'y a pas d'exclusive en ce qui concerne les établissements d'enseignement libre et les établissements d'enseignement officiel.
Si aucun CES de ce genre n'a été constitué, c'est qu'aucune
demande n'a été formulée.
Enfin, je voudrais préciser pour terminer qu'il ne suffit pas d'associer une école d'enseignement confessionnel et une école d'enseignement non confessionnel pour constituer un CES pluraliste. Un
centre ne peut être pluraliste que si les écoles réunies dans le CES
sont elles-mêmes pluralistes. Si tel n'est pas le cas, s'agira d'un
simple centre mixte.
Ceci, je le disais en débutant, n'est qu'un apport à la discussion,
car nous ne sommes pas très loin en ce qui concerne le Conseil de
l'enseignement pluraliste. Cette pierre, un peu trop brute sans doute,
1295
Les choses evoluent et cela me renforce dans l'opinion selon
laquelle je puis être pleinement solidaire de la gauche française, tout
en étant pleinement solidaire des mouvements minoritaires régionalistes.
Puisque vous m'interrogez quelque peu sur mes convictions personnelles, j'aujouterai qu'il est bien probable que s'il n'y avait pas
l'exemple français du parti socialiste, avec la presence en son sein
d'hommes tels que MM. Rocard et Delors, je ne siégerais pas
actuellement au Sénat à la place où je me trouve.
Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Il semble
s'en dégager qu'aucune demande n'est actuellement formulée en vue
de créer une école pluraliste. Nous devons rester très attentifs à ce
problème. Je compte revenir à la charge - vous serez peut-être
encore le ministre auquel je m'adresserai pour convaincre de
revoir les dispositions en matière de centres d'enseignement secondaire, de manière qu'ils puissent partir car en effet, il s'agit bien,
comme vous l'avez dit, d'un départ d'écoles d'idéologie et de philosophie différentes. Sinon, le pluralisme sera, comme l'a dit Shakespeare, words, words, words et non pas facts, facts, facts. (Applaudissements sur les bancs socialistes.)
- -
--
M. le Président. - L'incident est clos.
Het incident is gesloten.
Nous remercions le ministre d'être resté parmi nous jusqu'à cette
heure tardive.
- VOORSTELLEN VAN WET
Dépôt - Indiening
PROPOSITIONS DE LOI
il
-
M. le Président. Les propositions de loi ci-après ont été dépo1º Par M. Van Der Niepen, relative à l'âge de la mise à la penje l'apporte à l'édifice pluraliste qui peut être bâti, me paraît-il, à sion de membres
du personnel enseignant et auxiliaire d'éducation
partir de réflexions comme celle-ci, en tout cas, à partir d'une en fonction au 31 décembre 1960
réflexion
commune, vous l'avez souligné vous-même, de l'ensemble
des tendances exprimant une volonté en cette matière et dans ce
domaine.
-
M. le Président. La parole est à M. Humblet.
-
M. Humblet. Monsieur le Président, je voudrais répondre en
toute collégialité, très brièvement, à M. Luyten, bien qu'il ait abordé
un sujet quelque peu étranger, me semble-t-il, à mon interpellation.
En effet, d'une part, c'est davantage aux écoles pluriculturelles
qu'aux écoles pluralistes qu'il a fait référence.
D'autre part, M. Luyten a cité Bobby Sands. Etant donné les
positions que, de manière répétée, j'ai prises dans cette assemblée à
propos de l'Irlande du Nord et vu les démarches que j'ai effectuées
notamment à l'ambassade de Grande-Bretagne, je suis à l'aise pour
dire à M. Luyten que je suis extrêmement clair quant aux droits
imprescriptibles du peuple irlandais, comme d'ailleurs de tous les
autres. J'insiste sur ce point car, lorsqu'on est attaché, avec une certaine passion aux droits des peuples, on doit l'être de manière
objective et non préférentiellement au profit d'un peuple en particulier, compte tenu de l'ethnie dominante dans tel ou tel Etat.
Je ne veux pas être long ce soir. Je me réfère au débat sur la
Corse, qui a opposé au Parlement européen mon ami, le député
européen, M. Gendebien, et l'ancien parlementaire européen et
ancien sénateur, du groupe de la Volksunie, M. Coppieters, que
j'apprécie beaucoup. Je cite mes sources explicitement, mais je n'insisterai pas ici pour l'instant.
Je termine en une phrase ma réponse à M. Luyten, puis je conclurai en m'adressant au ministre; c'est une question de déférence.
Vous savez comme moi, monsieur Luyten, qu'en politique, on
procède par étapes. Les porteurs de la rose en France voyez la loi
Deferre, même si elle n'est pas parfaite ont fait avancer la France
quant aux régions et aux droits des minorités, des ethnies, davantage qu'on ne l'a fait en plus de cinquante ans. Et ce midi, j'ai
appris par M. Gendebien rentrant de Strasbourg, que l'on s'oriente
en France vers la possibilité d'effectuer toutes ses études, dans les
diverses langues minoritaires, ou en tout cas en régime bilingue si la
langue pratiquée est tout de même très peu répandue. Le basque est
respectable comme toute autre langue, mais, vous le concéderez,
n'a pas, en Europe, l'importance pratique du français.
-
-
il
sées
De volgende voorstellen van wet werden ingediend:
1º Door de heer Van Der Niepen, betreffende de leeftijd voor de
oppensioenstelling van leden van het onderwijzend en opvoedend
hulppersoneel in functie op 31 december 1960;
2º Par M. Bascour, reconnaissant aux parlementaires le droit de
consulter les documents détenus par les services publics;
2º Door de heer Bascour, tot erkenning van het recht van de par-
lementsleden om inzage te nemen van overheidsdocumenten;
3º Par Mme Pétry et M. Lallemand, abrogeant les articles 372 bis
et 377, § 3, du Code pénal;
3º Door mevrouw Petry en de heer Lallemand, houdende opheffing van de artikelen 372bis en 377, § 3, van het Gerechtelijk
Wetboek;
4º Par M. Rutten, modifiant l'article 6 de la loi du 27 mars 1973
modifiant l'arrêté royal nº 254 du 12 mars 1936 unifiant le régime
des pensions des veuves et des orphelins du personnel civil de l'Etat
et du personnel assimilé ainsi que l'arrêté royal nº 255 du 12 mars
1936 unifiant le régime des pensions des veuves et orphelins des
membres de l'armée et de la gendarmerie;
4º Door de heer Rutten, houdende wijziging van artikel 6 van de
van 27 maart 1973 tot wijziging van het koninklijk besluit nr.
wet
254 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk
staatspersoneel en het daarmee gelijkgesteld personeel alsmede van
het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936 tot eenmaking
van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van
het leger en van de rijkswacht.
Ces propositions de loi seront traduites, imprimées et distribuées.
Deze voorstellen van wet zuilen worden vertaald, gedrukt en
rondgedeeld.
Il sera statué ultérieurement sur leur prise en considération.
Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.
Le Sénat se réunira demain, jeudi 24 juin 1982, à 14 heures.
De Senaat vergadert opnieuw morgen donderdag 24 juni 1982, te
14 uur.
La séance est levée.
De vergadering is gesloten.
(La séance est levée à 21 heures.)
(De vergadering wordt gesloten te 21 uur.)
36.189
- E. Guyot, SA, Bruxelles
1296
Téléchargement